“Eens een journalist, altijd een journalist”

“Eens een journalist, altijd een journalist”

AMSTERDAM- Jacqueline Wesselius (1943) is begonnen in de journalistiek halverwege de jaren zestig van de vorige eeuw, lang voor het bestaan van internet, toen de ontzuiling net begon. Dit liep door tot ongeveer de jaren negentig. In de jaren negentig krijg je de komst van het internet en de blog. De wieg van wat de Vereniging van Onderzoeksjournalisten (VVOJ) zou worden stond in 2001 in haar eigen woonkamer. Als correspondent werkte Wesselius jarenlang in Parijs, met name voor de Volkskrant. Nu schrijft ze nog af en toe voor Villamedia en haar eigen kunstblog. 

Hoe ben je in de journalistiek beland?

“Toen ik begon waren er nog geen opleidingen voor journalistiek. Ik ben erin gerold, dat kon toen nog in die tijd. Een vriendin van mij zei dat ik het al op mijn 18e wilde, maar ik kan me daar niks van herinneren. Zij ging psychologie studeren en toen dacht ik ‘oh leuk, dat ga ik ook doen.’ Een paar jaar later kwam er een vriend uit Nederland langs en die zei dat hij stukjes schreef voor de Groene Amsterdammer toen dacht ik weer ‘oh leuk, dat ga ik ook doen.’. Ik stuurde een sollicitatiebrief naar de Groene en vertelde wat ik al had gedaan in het leven. Dat was toen nog niet veel, maar ik had al wel detectives vertaald en dus noemden ze mij toen ‘het moordmeisje’. Er kwam een redacteur naar Parijs om kennis te maken, en toen mocht ik beginnen. Ik heb in het begin heel erg gestunteld, maar langzamerhand heb ik het vak geleerd en ging het steeds beter. Ik kwam bij de radio, VARA, VPRO, Wereldomroep en tenslotte de Volkskrant waar ik 10 jaar voor gewerkt heb.”

Hoe heb je het ervaren als vrouwelijke journalist?

“Het was heel erg een mannenwereld. Ik had het geluk dat ik correspondent was en dan werk je in je eentje, en dan kom je natuurlijk wel bij nationale conferenties waar veel journalisten zijn. Dat waren voornamelijk mannen en ik was ook nog jong, dus ik telde absoluut niet mee. Van vrouwelijke redacteuren heb ik gehoord, dat wanneer ze een hogere positie kregen ze niet méér betaald kregen. Dat zou dan ten koste gaan van een andere mannelijke redacteur en die had een gezin. Mannen werden toen nog als de primaire kostwinners gezien. Ook werden vrouwen op redacties wel seksueel lastiggevallen.

Ik had een best hoge stem, die kwam op de korte golf niet altijd even goed over en dat werd met name bij de Wereldomroep wel eens als een probleem gezien. Daar kwam eens een nieuwe baas die bepaalde dat niet ik, maar mijn echtgenoot, tevens collega, de stem moest zijn voor de Wereldomroep. Toen was ik wel kwaad. Hij zei ook nog tegen mij ‘Dat maakt financieel toch niks uit voor je.’ Hij is gelukkig niet lang gebleven. Als journalist heb ik weliswaar veel geleerd van mijn echtgenoot, maar hij ook van mij, namelijk radio maken als correspondent. Hij vond het zelf ook een schande, maar kon er verder ook niet veel aan doen. Toen ik met hem getrouwd was, vroegen ze aan de telefoon wel eens naar hem als ze ‘de correspondent’ moesten hebben. Dan zei ik ‘C’est moi, le chef de bureau’.

Vrouw zijn had ook voordelen. Als je werd uitgenodigd voor een lunch met een minister of een ambassadeur zat ik meestal tegenover die minister of ambassadeur en dan kun je extra veel vragen stellen. Je komt als vrouw ook sneller waar mannen niet zo snel terecht komen. Zeker als je met gezinnen of andere vrouwen te maken hebt. Je hebt een onschuldiger imago. Dan denken ze misschien die doet er niet zoveel toe, dus die kunnen we het wel vertellen. Ik ben een paar keer in Algerije geweest. Daar moesten we een auto huren en ik was dus degene die reed, want mijn man had geen rijbewijs. Dat vonden ze daar zo raar en helemaal dat ik de auto ook nog heel terugbracht.”

Welke verschillen zijn er tussen de journalistiek in Frankrijk en in Nederland?

Toen de voormalige president François Mitterrand in de jaren tachtig van de vorige eeuw naar Nederland zou komen voor een staatsbezoek mochten wij, de correspondenten van de drie voornaamste media in hun ogen: het Journaal (Philip Freriks), NRC (Eddy Lachman) en de Volkskrant (ik) ieder iemand interviewen. Philip moch de president gedurende de reis vergezellen, Eddy mocht Mitterrand interviewen en ik kreeg premier Pierre Mauroy. Ze wilden van tevoren de vragen weten, en dat vroegen ze niet aan mij, maar aan de redactie in Amsterdam. En van mij werd verwacht, dat ik alleen die vragen zou stellen, en me zou houden aan de van tevoren door de woordvoerders opgeschreven antwoorden. Mooi niet, in plaats daarvan werd het gewoon een leuk gesprek. Mauroy, die behalve premier ook burgemeester was van Lille (dat kon toen nog, vertelde dat hij graag door Zeeland reed. Zo werd het een wat persoonlijker gesprek. En dat schreef ik op. Mauroy’s woordvoerders vonden dat eigenlijk ‘not done’, maar ze durfden het me ook niet te verbieden.”

Hoe heb je de ontzuiling beleefd?

“De enige ervaring die ik heb met een ‘zuil’ is met de VARA, die nu eenmaal tot het ‘linkse’ kamp behoorde is het wel eens gebeurd dat ze tegen mij zeiden ‘dat zit zo en zo’. In het begin had ik niet veel ervaring en vertrouwde ik erop dat wat ze zeiden klopte. Later kwam ik erachter dat ze dat helemaal niet wisten, maar dat ze wilden dat het zo was. De Wereldomroep was van alle media waarvoor ik werkte het best geïnformeerd en het meest open, redelijk objectief, voor zover mogelijk. Verder heb ik niet veel ervaring met zuilen, al helemaal niet met gelovige zuilen. De Volkskrant was toen allang niet meer katholiek, die had eerder een geitenwollensokken imago, al viel dat in de praktijk nogal mee.”

Wat vind je de belangrijkste waarde in de journalistiek?

“Ik denk dat ik zou zeggen eerlijkheid. Je probeert naar objectiviteit te streven. In het Frans betekent het woord ‘objectif’ ook: lens. De toenmalig hoofdredacteur van Le Monde, Hubert Beuve-Méry, zei eens: “Objectief kun je als mens niet zijn want je bent nu eenmaal geen cameralens. Maar je kunt wel eerlijk zijn.”

Een groot probleem momenteel vind ik de toenemende concentraties in de media. Al langer zie je de mediaberichten overnemen van de hele grote internationale persbureaus. Daarnaast is snelheid is toch een beetje boven kwaliteit gaan staan. Met name op correspondenten wordt heel erg bezuinigd. Heel veel wordt nu via de redactie gedaan, die dus weer alles van de persbureaus overnemen. Ik vind het jammer dat er steeds minder correspondenten overblijven.”

Denk je dat de journalistiek nog gezaghebbend kan blijven?

“Ja, dat denk ik wel. Er zijn met name vormen van onderzoeksjournalistiek die ertoe doen, en ik ben heel trots dat de VVOJ (Vereniging van Onderzoekjournalististen) hier in mijn huis is geboren. De VVOJ is opgericht om de kwaliteits- in het bijzonder de onderzoeksjournalistiek te bevorderen. Juist is deze tijd met al het nepnieuws is het belangrijk dat er journalisten zijn die onderzoeken wat wel en niet klopt en een beeld kunnen geven van hoe het er echt aan toe gaat. Dat gaat altijd belangrijk blijven.”

Over de auteur

Susanna Schellenbach Bueno

Student Journalist aan de Hogeschool Utrecht.

Laat een antwoord achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *