Van Pannekoekenbakker naar Jeugdzorgwerker

Van Pannekoekenbakker naar Jeugdzorgwerker

Renée is medewerker bij een Kamertrainingscentrum in Leidsche Rijn, waar jongeren leren zelfstandig te kunnen wonen. Ze heeft veel verschillende ervaringen gehad en vertelt daarover. 

Welke banen heb je allemaal gehad?

“Het pannenkoekenhuis was mijn eerste bijbaantje, dat is het waar het allemaal begon, haha. Ik werkte tijdens mijn studie pedagogiek, daarvoor ben ik later stage gaan lopen bij een kamertraining. In mijn vierde jaar ben ik blijven werken en daarbij stage gaan lopen in gesloten jeugdzorg. Eenmaal klaar met de studie stond ik voor een dilemma: ik kon voor beide plekken blijven werken. Ik heb er toen voor gekozen om bij de kamertraining te blijven werken, maar die sloot een paar jaar later. Daardoor ben ik bij de crisisopvang van dezelfde organisatie gaan werken, maar die ging daarna ook dicht. Na nagedacht te hebben over wat ik dan maar wilde gaan doen ben ik met vluchtelingen gaan werken. Eerst op de groep ook en daarna als voogd. Toen had ik dat twee jaar gedaan en dacht ik, nee, ik vind het toch leuker om meer contact te hebben met jongeren. Dat is hoe ik nu bij een andere zelfstandigheidstraining werk, eerst als jeugdzorgwerker en nu als praktijkbegeleider.”

Waarom heb je er na je studie voor gekozen om bij de kamertraining te blijven?

“Eigenlijk zijn kamertraining en gesloten jeugdzorg de twee uitersten van de residentiële jeugdzorgvormen. Ik vond de kamertraining leuker omdat, ja dat is eigenlijk het eindpunt van de jeugdzorg, je begeleid eigenlijk iemand naar zelfstandigheid. Je hebt ook meer gesprekken over verantwoordelijkheden en je kan iemand echt in beweging krijgen. Jongeren zijn gemotiveerder en dat is in de gesloten jeugdzorg anders.”

Hoe is het om in de gesloten jeugdzorg te werken?

“Jongeren komen in de gesloten jeugdzorg als dat door een rechter is uitgesproken, ze komen daar niet vrijwillig naartoe. De deuren zitten er op slot dus ze kunnen ook niet van het terrein af. Je bent eigenlijk de hele dag bezig met de dagstructuur van de jongeren: samen eten, naar school lopen, dat soort dingen. Ik vond het wel leuk in de zin van dat ik er wel veel van geleerd heb, bijvoorbeeld over hoe je je mannetje kan staan als groepsleiding. Maar je bent toch meer aan het structureren dan echt naast iemand lopen, wat ik veel meer bij een kamertraining doen, zo heb ik het ervaren.”

Hoe ben je van de jeugdzorg bij vluchtelingenhulp terecht gekomen en wat neem je ervan mee?

“Toen die tijd had je de vluchtelingencrisis, dus daar zochten ze veel mensen voor. In die baan heb ik vooral geleerd hoe het ook anders kan, omdat je cultuursensitief moet werken. Dat betekent ook dat als je iets wil bereiken met de jongeren je je ook moet verplaatsen in de normen en waarden waarin zij zijn opgegroeid. Ik heb er een betere blik van gekregen en ook meer geleerd over mijn eigen cultuur. De grootste les die ik er uit meeneem is dat respect heel erg belangrijk is.”

Hoe ben je dan weer teruggekomen bij de jeugdzorg?

“Op een gegeven moment was ik voogd voor vluchtelingen, dat was een drukke baan waarvoor je veel moet regelen. Daar heb ik geleerd over bijvoorbeeld de juridische kant van de jeugdzorg en de zorg rondom een jongeren organiseren. Maar voor mij was de verhouding tussen hoe druk ik het had en hoe veel ik daadwerkelijk in contact was en kon beteken voor jongeren te ver uit elkaar, daarom ben ik weggegaan. Ik hoefde niet per se terug naar de jeugdzorg, maar toen zag ik deze kamertraining en dacht ik: dat is echt iets voor mij! Kamertraining vond ik altijd leuk, ik wist niet dat er weer residentiële was. Ik was eigenlijk gewoon op zoek naar onregelmatig werken (niet van 9-5).”

Hoe combineer je wat je hebt geleerd bij je vorige banen met het werk dat je nu doet?

“Ik merk dat ik nu op deze kamertraining heel anders ben dan toen ik als stagiair bij een andere begon. Ik maak me veel minder druk om dingen, de deadlines waarmee ik als voogd werkte heb ik hier niet als er bijvoorbeeld iets af moet of een afspraak gepland worden. Ik denk dat ik door met vluchtelingen gewerkt te hebben beter in gesprek kan gaan en beter kan aanvoelen waar ik op moeten letten. Als je met vluchtelingen werkt moet je iets echt goed zeggen en weten wat je zegt, want ze spreken simpelweg geen nederlands, of je praat half engels half frans, maar ik moest me bewustzijn van wat wil ik zeggen en hoe krijg ik de boodschap duidelijk overgebracht. Natuurlijk is dat bij de kamertraining ook niet anders, dus ik ga anders in gesprek dan ik eerst deed. Bij het pannenkoekenhuis heb ik geleerd om sociaal werk te doen, samen te werken met collega’s, goed contact te hebben met gasten, ook als gasten boos waren als de pannenkoek niet goed was. Dus op elke werkplek heb ik wat geleerd.”

Is er een baan die je ooit nog in de toekomst zou willen hebben?

“Eigenlijk is wat ik altijd nog wel zou willen de horeca combineren met jeugd, bijvoorbeeld een horecabedrijf beginnen op maatschappelijke basis. Dat je jongeren die niet goed meekomen in het schoolsysteem bijvoorbeeld een leerplek kan bieden, zodat ze wel mee kunnen doen in de maatschappij. Bijvoorbeeld in een gezellige lunchroom, maar deze keer geen pannenkoekenhuis.”

Over de auteur

Laat een antwoord achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *