Ooggetuige Bep van Leeuwen over de oorlog in Nederlands-Indië: “aan die zweep wen je nooit”

Ooggetuige Bep van Leeuwen over de oorlog in Nederlands-Indië: “aan die zweep wen je nooit”

ARNHEM – Bep van Leeuwen (88) is één van de laatste ooggetuigen van de oorlog in Nederlands-Indië. Bep werkt al 12 jaar als gids op Landgoed Bronbeek in Arnhem, waar zich een museum met exposities over de koloniale geschiedenis van Nederlands-Indië bevind. Ze werd in 1933 geboren op de Molukken en woonde tijdens de oorlog op Java. Ze vertelt hoe het was om op te groeien in die tijd.

Hoe was uw jeugd voordat de oorlog uitbrak?

Tot en met mijn achtste jaar heb ik een hele rijke jeugd gehad. Ik heb twee zusjes en een broertje. Mijn vader werkte als Indische Nederlander in het onderwijs voor het Ministerie van Overzeese gebiedsdelen, oftewel de Nederlandse regering. Voor twee jaar kreeg hij dan een post (baan) ergens in Nederlands-Indië, het derde jaar woonden we in Den Haag. De laatste keer dat we terugkeerden naar Nederland voordat de oorlog begon was in 1940. Toen we halverwege in de Rode Zee voeren, brak in Nederland de oorlog uit en moesten we omkeren. Ongeveer 2 jaar later werd mijn broertje geboren en brak de oorlog ook uit in Nederlands-Indië.

Hoe woonde u in Nederlands-Indië?

Mijn ouders zijn heel vermogend geweest. Mijn oma van moederskant was deels van Duitse lage adel en veel voorgeslacht ging al naar Indië om rijk te worden. Daarom waren wij al erg rijk. Toen ik een jaar of 6 was, woonden we in een landhuis op een suikerrietplantage. Mijn vader was daar aangesteld als onderwijzer, wat eigenlijk inhield dat hij het hoofd van de planters was en ook hielp in de boekhouding. Hij kreeg 100.000 gulden per jaar, wat heel erg veel is in die tijd. In Nederlands-Indië was het een milieu dat je de Indonesiërs voor je liet werken voor een dubbeltje per dag. Iedere dag rond 6 uur werden de tafels in de tuin gezet en dan mochten wij de dubbeltjes neerleggen voor de werkers. Dat vond ik prachtig.

Wat voor opvoeding heeft u gehad?

In dat milieu werd je als baby al weggegeven aan de baboes. Ik ben nooit door mijn moeder grootgebracht. De baboes waren de huishoudsters, die ook voor de kinderen zorgden. Het liefst waren ze ook nog min, oftewel dat ze zelf een kind hadden die ze borstvoeding gaven. Dan kon ik ook gevoed worden door de baboe. Zij was in feite mijn moeder. Daar ben ik achteraf blij om, want wij zagen onze ouders nooit. Alleen met Pasen en Kerstmis. Dan mochten we met ze aan tafel eten, maar dan wel staand en mochten we verder niks zeggen. Mijn vader werkte en mijn moeder deed allemaal luxe dingen, zoals tennissen en bridgen. Ik had geen band met mijn moeder. Dat kan ik haar niet kwalijk nemen, want het was nou eenmaal zo.

We hadden twee kokkies (kokkinnen). Als één van de twee dan naar de markt moest, moest ze eerst langs mijn moeder om de opdrachten te ontvangen. Mijn moeder zat dan op een troon, een stoel op hoge poten met een hele hoge rug, helemaal goudkleurig geschilderd. De kokkie moest dan haar saroeng (rok) omhoog doen en dan viel ze op haar knieën, om zo schuifelend dichterbij te komen. Dat vond ik vreselijk om te zien. Toen al. Ik heb dat een keer aan mijn vader verteld en sindsdien gebeurde het niet meer. Al had ik toen wel mijn moeder tegen me.

Hoe kijkt u terug op de verdeling in geld tussen uw gezin en de arbeiders?

Je wist niet beter. Maar dat de focus lag op dat de arbeiders zo hard mogelijk moesten werken, vond ik vreselijk. Dat besef kwam al toen ik 7 was. Deugt dit wel? Dacht ik toen.

Had u achteraf kunnen weten dat er een oorlog op de loer lag?

Bij ons was het nieuws over Pearl Harbor ook doorgekomen. Je voelde aan de sfeer dat er iets stond te gebeuren. Samen met de baboes zag ik dat er Japanse, bleek later, vrachtschepen aanmeerden in de haven. Daar reden allemaal vrachtwagens uit die ze nodig hadden voor de oorlog. Later bleek dat ze wel zo´n 800 vrachtwagens hadden binnengelaten. Er was voor de oorlog dan ook al sprake van heel veel spionage.

Hoe verliep voor u de oorlog?

Toen ik bijna 9 jaar was, vielen de Japanners binnen. Toen moest ik vluchten met mijn moeder, mijn zusjes en mijn broertje. Mijn vader was inmiddels weg, veel later bleek dat hij was ingelijfd bij de marine. We zijn een keer of zeven gevlucht, steeds in een ander huis wat van ons was. Eerst vluchtten we naar de bergen, maar daar trokken de Japanners ook op. Onderduiken in de grote stad, Soerabaja, was een beter plan dacht mijn moeder. Het was zowel vreemd voor ons als voor mijn moeder om opeens zoveel met elkaar te zijn.

In de stad had elke nationaliteit haar eigen wijk. Engelsen, Nederlanders, Indo-Europeanen zoals wij. Maar we hadden ook Joden in onze laan wonen. Er was altijd al een lange man in uniform die met de handen op de rug de laan door liep en alles in de gaten hield. Later bleek dat een Duitse spion te zijn, waardoor de Joden in onze straat als eerste opgepakt werden. Ongeveer anderhalf jaar later waren wij de klos. Toen werd onze wijk omgebouwd tot kamp (zie afbeelding). Op de grenzen lag prikkeldraad en verder dan dat mochten wij niet meer komen. Er waren alleen moeders en ongeveer 135 kinderen binnen de omheining. Alle mannen vanaf 12 jaar waren meegenomen en ergens anders tewerkgesteld. Na de oorlog bleek dat ze vaak als grafdelvers moesten werken.

De eerste zes, zeven maanden viel het kamp nog mee. Toen mochten we de poort nog uit en naar de markt. De markt was nog van de Indonesiërs, maar die wilden ons als payback uitbuiten. Ze wisten dat we veel geld hadden en hadden dus ook de prijzen op de markt torenhoog gemaakt. Na die tijd werden de hekken gesloten. We konden niet meer naar de markt en kregen minimaal te eten. Terug redenerend werd dat erger toen de Japanners dreigden te verliezen. Toen kregen we nog maar 1 keer per dag maizenapap te eten. Ook had je geen tandpasta of zeep meer en groeiden we uit onze kleren.

Hoe ging het eraan toe in uw kamp?

Iedere morgen moesten we om half zes opstaan om ons om vijf voor zes op te stellen in rotten (rijen) van tien. Dan moesten we de vlag groeten en telden we tot tien, ichi, ni, san, shi, ik ken het nog steeds. We moesten in het gareel lopen van de Japanners. Als we niet gehoorzaamden, kregen we met de zweep. Die zweep had leren slierten waar om de zoveel centimeter loden balletjes aan vast zaten. Ik heb weleens een klap tegen mijn benen gehad. De moeders kregen allemaal suffe opdrachten voor de dag, zoals het aanvegen van de tuinen van voor naar achter en andersom. De Japanners stonden daar dan met hun geweertjes heel vies bij te grijnzen. Wij als kinderen moesten de moeders dan helpen, of we speelden met elkaar. We mochten dan niet Nederlands met elkaar praten, anders kregen we met de zweep. We zijn drieënhalf jaar niet naar school geweest. Het ging ook meer om de vernedering dan dat we echt nuttige dingen aan het doen waren.

De ene Japanner was wreder dan de andere. De christelijke Japanners waren milder in vergelijking met de Japanners die het Japanse geloof aanhielden. De laatste jaren kregen we Koreaanse bewakers, die waren het ergst. Later bleek dat het Koreaanse gevangenen waren, die de Japanners ingezet hadden in het leger. Van hen kregen we ook de maizenapap.

Hoe zijn jullie uiteindelijk terug naar Nederland gekomen?
In 1945 stopte de Japanse bezetting. Mijn vader kwam terug. Wat hij precies allemaal had meegemaakt, wist niemand en weet niemand, er werd niet over gepraat. Dat hij martelingen heeft ondergaan wisten we wel, mede daardoor is hij uiteindelijk ook overleden op 54ste leeftijd. Omdat mijn vader in de marine gezeten had, mochten we met het eerste marineschip, de Weltevreden, in mei 1946 naar Nederland. Op de terugweg haalden we in verschillende landen krijgsgevangenen op. We hadden ook veel doden aan boord, die de kampen net niet overleefd hadden. Eind 1947 zijn we nog eens teruggegaan naar Indonesië. Toen hebben we nog Nederlandse jonge jongens, die door de Nederlandse regering gestuurd waren om te vechten, opgevangen. In 1953 zijn we voorgoed naar Nederland gekomen. Dat wilden we niet, maar we werden eruit gegooid.

Wat is u het meest bijgebleven uit de oorlog?

Mijn persoonlijke ervaring is half om half. Je went nooit aan de confrontatie die we hebben gehad met het ‘echte’ kampleven, toen bijvoorbeeld de zweep gebruikt werd. Maar ik heb wel vriendjes en vriendinnetjes over gehouden uit het kamp, waar ik nu nog veel mee deel. En ik heb ook veel geleerd van alle ellende. We zijn door het kamp heel geduldig geworden. Nederlanders zijn over het algemeen heel ongeduldig, en tegenwoordig zijn kinderen veel ongehoorzamer. Dat zijn wij helemaal niet gewend en snap ik ook niks van. Je hoeft er niet dictatoriaal tegenop te treden, maar het zijn wel goede eigenschappen om te hebben.

Over de auteur

Laat een antwoord achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.