De man in de greppel

Plotseling hoort Ad een gigantische knal. Een felle scherpe piep schiet in de oren van Ad. Door de piep heen hoort Ad nog wel dit: ‘’We moeten er achteraan,” roept de mariniersofficier van de groep. De dorpelingen schieten als konijnen terug hun houten hutten in. De schoten van de tegenstanders schieten over de hoofden van de Javanen. Halsoverkop pakt Ad zijn spullen bij elkaar. Hij wurmt zich te midden in de groep. Zo kan hij alles goed zien. Voor het geval er iemand gewond raakt. De brigade rent richting het geluid van de tegenstander. Weg van de kampong, richting de jungle.

Een paar weken terug zit Ad nog op een rubberplantage honderden kilometers verder op. ,,Wanneer mogen wij hier eindelijk weg?”, roept de negentienjarige hospik Ad Jansen tussen de rubberbomen in de brandende Zuidoost-Azië zon. De zon schijnt als een brandende bouwlamp op de witte Nederlandse huid van Ad. Al wekenlang zit hij samen met zijn kornuiten te wachten op rubberplantage Landagennis op Malakka, Maleisië. De Mariniersbrigade is door de Engelsen gedumpt op de plantage. Sinds de overgaven van Japan trekken milities van Soekarno moordend en plundert door het land. Na maandenlang training in Amerika mogen de mariniers eindelijk als eerste lichting naar Nederland-Indië, om de Engelsen strijdkrachten over te nemen.

Het enige vloeibare is de witte melk van de rubber die uit de bomen druppelt en wat beschimmeld brood. Met hun handen scheppen Ad en zijn kornuiten wat water uit bruine plassen. Om toch nog iets van water te drinken. Ad slaapt met zijn maten in een rammelende houten schoendoos. Er is geen toilet, alleen een greppel waar iedereen zijn poep en plas achter laat. De zure geur van urine en ontlasting verspreid als een soort lappendeken over de plantage. ,,Is er al bericht uit Engeland?”, vraagt Ad aan het hoofd van de brigade met een zakdoek tegen zijn mond en neus. Nee, alweer geen antwoord.

Om de havenklap vallen er mariniers om van de diarree. Nergens is er een fatsoenlijke poepdoos te vinden op de plantage. De dysenterie veroorzaakt stevige buikpijn en hoge koorts bij de mariniers. De greppel loopt steeds voller en voller met poep, plas, bloed en god mag weten wat nog meer.  De zure geur wordt alleen maar erger en erger op de plantage. Bijna iedereen heeft het, maar hospik Ad niet op een wondere wijze.  Met zijn groene verbandkoffer vol met allerlei medicijnen, zoals antibiotica uit Amerika probeert hij de mannen te helpen. ,,Wanneer kunnen wij in godsnaam hier weg? Wanneer kunnen wij eindelijk naar Nederlands-Indië?”, roept Ad wanhopig. Het is afwachten tot de dysenterie en de dagen vanzelf weg appen.

Na twee weken wachten op de rubberplantage mogen Ad en de andere Mariniers eindelijk naar Nederlands-Indië. De diarree van de dysenterie is achtergelaten in de greppel van de plantage. Met de vroege ochtendzon komen ze aan in Soerabaja, de hoofdstad van Oost-Java. De brandde Java zon moet net als de heren nog even wakker worden. In de verte ziet Ad meters hoge pluimwolken. ‘Dat ziet er niet goed uit.’ Met landingsschepen wordt de brigade in de zwarte rook van de haven in kleine groepjes aan wal gezet. En dan ziet Ad pas echt wat de oorlog hier heeft aangericht. De schepen en boten liggen als dominostenen over elkaar op de houten kade. Het is een eenzame binnenkomst in Soerbaja. Er is geen hond op straat. Laat staan een boot die hier nog wil aanmeren. Ad stampt met zijn zwarte laars een beginnetje vuurtje uit. Hij heeft de vernielingen gezien van de Tweede Wereldoorlog thuis in Nederland. Hij wil de Indiërs die jaren onder de Japanners hebben geleefd helpen. ‘Jongens we moeten aan de slag.’

Na maanden trainen met de mariniersbrigade in Amerika , mag vandaag Ad voor de eerste keer op patrouille in Nederlands-Indië. Met de andere mariniers marcheert hij richting een kampong op Java. Wat dan de negentienjarige mee maakt, gaat hij voor de rest van zijn leven niet meer vergeten.

Onder een dak van riet en kranten zitten de Javanen te schuilen voor gloeiendhete evenaar zon. Wat ooit een bruisend dorp was, is nu niks meer van over.  De bruine huid van de dorpelingen ligt als een soort nat crêpepapier op hun lichaam. Het is alsof je door hun huid heen kan kijken. Je kan het skelet zowat zien. De botten van hun ribbenkast zijn zelfs te tellen. Zo vermagerd zijn ze. Met een jutten zakken proberen de vrouwen in het dorp zichzelf nog wat te bedekken. Er is geen rijstkorrel meer over. De oogsten die lukken worden door de Japanners weggerpoofd. De mensen van de kampong zijn compleet afhankelijk van hulp van de Nederlanders en de Amerikanen. Er zijn nauwelijks aanvoerlijnen om de mensen eten te geven.

Ad gaat in een houten hut met een dak van riet, naast een vrouw zitten met in haar armen een pasgeboren kind. Hij kijkt naar de uitgemergelde arm van de jonge moeder en ziet dat ze tientallen grote rode zweren op haar huid heeft. Zo groot dat de vuist van Ad er zelfs in kan. “Dit is echt verschrikkelijk”, zegt Ad. Hij kent honger van zijn tijden thuis in Nederland met de Duitse bezetting. Hij kan dit niet over zijn hospikhart verkrijgen om de mensen niet te helpen. ,,Ik ga je helpen,” zegt Ad tegen de jonge moeder.

Terug op het legerkamp loopt Ad naar de luxe villa van de bataljonsarts. Hij omschrijft de zweren en de Javanen die nauwelijks eten hebben. ,,We moeten iets doen meneer”, zegt hij terwijl hij van zijn handen een vuist maakt. “Je hebt gelijk jongen”, zegt de bataljonsarts. ,,Het enige wat misschien kan werken is deze poeder, maar ik garandeer niks!” Ad krijgt een klein potje zwavelhoudende poeder mee. Met een grote glimlach op zijn gezicht verlaat hij de villa. Terug naar zijn rammelige groene tent.

De volgende dag op patrouille loopt hij met zijn groene verbanddoos terug naar de jonge moeder. Ze zit nog steeds op dezelfde plek als gisteren. Samen met haar pasgeboren kind. Ze kauwt op een Amerikaanse koekje.  Ad steekt zijn witte arm naar voren. Met zijn handen maakt hij een smerende beweging. De vrouw begrijpt het en steekt haar dunne arm uit.  Ad smeert het zwavelhoudende poeder op de arm van de moeder. Hij pakt een stuk stof en wikkelt dat om haar magere arm. “Op hoop van zegen,” denkt Ad.

Plotseling hoort Ad een gigantische knal. Een felle scherpe piep schiet in de oren van Ad. Door de piep heen hoort Ad nog wel dit: ‘’We moeten er achteraan,” roept de mariniersofficier van de groep. De dorpelingen schieten als konijnen terug hun houten hutten in. De schoten van de tegenstanders schieten over de hoofden van de Javanen. Halsoverkop pakt Ad zijn spullen bij elkaar. Hij wurmt zich te midden in de groep. Zo kan hij alles goed zien. Voor het geval er iemand gewond raakt. De brigade rent richting het geluid van de tegenstander. Weg van de Kampong, richting de jungle. Het is de Hezbollah groep. Indonesische onafhankelijkheidstrijders met een moslimachtergrond. “Maar die vallen toch nooit aan op klaarlichte dag?”, denkt Ad bij zichzelf.

Ad heeft tijdens zijn training in Amerika en op het kamp in Malakka wel geoefend voor dit soort situaties, maar nu is het echt. De Hezbollah groep bestaat grote deels uit Indonesiërs. Zij kennen dit gebied als geen ander. De overige mariniers lopen steeds verder uit elkaar. Ad loopt achter de groep. Plotseling ziet Ad een onafhankelijkheidsstrijder van de Hezbollah groep verstopt in een greppel. Zijn gezicht is groen geschminkt. In zijn handen heeft hij een Engelse Brem vast. Gericht op de Nederlands Mariniers. Hij wil ze in de rug aanvallen.

Langzaam rijkt Ad naar zijn pistool aan zijn broek. ‘Ga ik hem nou doodschieten of niet?”, denkt Ad bij zichzelf. Tijdens de training in Amerika hoorde hij dat het ten strengste verboden om als hospik iemand te vermoorden. Hij mag alleen iemand neerschieten ter verdediging. Dit is geen zelfverdediging. Ad kijkt om zich heen. “Is er iemand die dit ook ziet?”, denkt hij. Maar niemand die het ziet. Iedereen kijkt met zijn ogen naar voren. De tegenstander laadt zijn Engelse brem en gaat schietklaar zitten. Snel rent Ad naar de Hezbollah strijder. Hij trekt zijn pistool uit zijn broek en houdt hem onder schot. ,,Dat gaat niet gebeuren klootzak”, denkt Ad.

Dan ziet Ad een mede marinier. ,,Hier licht er nog één!”, schreeuwt hij. Deze marinier heeft wel de bevoegdheid om hem dood te schieten. Binnen 30 seconden is het gebeurd. ”Zo die is naar een andere wereld”, zegt de mede marinier. Het gezicht van de Hezbollah strijder verkrampt. Het leven stroomt als de waterval van de jungle weg uit zijn lichaam. Ad kijkt hem in zijn doffe ogen aan. Kippenvel vloeit over het lichaam van Ad. Voor het eerst ziet hij iemand voor zijn ogen vertrekken.

Toelichting

Dit verhaal is gebaseerd op de werkelijkheid. Het is een mix van fictie en non-fictie. Dit verhaal is naar mijn mening nog mild in vergelijking met de werkelijkheid.  Ik heb Ad Jansen een tijdje geleden geïnterviewd hierover. Hij is bijna 100 en weet niet meer zoveel over de oorlog. De laatste keer dat ik hem sprak was hij nog goed bijzinnen. Maar je merkt dat hij ouder is geworden. Zijn verhaal van Nederlands-Indië heeft grote bewondering bij mij achtergelaten. Om die reden wilde ik het verhaal toch schrijven.

Mijn verhaal is geïnspireerd op het verhaal van Ad. Ter aanvulling heb ik deze bronnen gebruikt:

Frakking, R. (2021). Revolusi: Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld, by David van Reybrouck. Bijdragen Tot De Taal-, Land- En Volkenkunde177(4), 592–595. https://doi.org/10.1163/22134379-17704011

Beeldbank Nederlands Instituut voor Militaire Historie. (n.d.). D1909, [Mariniers op Malakka Ladang Cedes nabij Bahau Voorjaar 1946]. Beeldbank Nederlands Instituut Voor Militaire Historie. https://nimh-beeldbank.defensie.nl/films-media-3/detail/93caeda8-5eba-11e1-88e0-deb8a456e588/media/d833b2a5-af87-6e43-9a14-68537a93934c

Nederlands Instituut voor Militaire Historie. (2015, February 13). Mariniersbrigade in Soerabaja 1945-1946 [Video].YouTube. https://www.youtube.com/watch?v=GdTayu1qc-E