ARNHEM – Na het uitroepen van de onafhankelijkheid van Indonesië trokken losgeslagen moordbendes door de uiteengevallen kolonie. Nederlanders en Indische Nederlanders werden afgeslacht. Hospik bij de mariniersbrigade, Ad Jansen maakte de ellende mee. “De mensen die ik daar aantrof waren echt geraamtes. Ze hadden geen kleding meer aan en liepen in jutten zakken rond.”
Elisabeth van der Ploeg, 22 mei 2021
Het is een andere werkelijkheid dan die waar tegenwoordig veel over wordt gesproken: de oorlogsmisdaden van de Nederlanders in Indië. De nieuwe speelfilm ‘De Oost’ zet die geschiedenis weer pijnlijk op de kaart. Het geeft onrust onder de Indië-veteranen. “De film is niet maatgevend voor wat er tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog is gebeurd”, benadrukt Jansen terwijl hij met een kan thee naar de tafel loopt. In verzorgingshuis Insula De in Arnhem, in de buurt van koloniaal-militair museum Bronbeek, woont de 95-jarige veteraan. Op tafel liggen vijf boeken over de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog.
Niet misdragen
In bijna elk boek komt de naam van Raymond Westerling voor, de omstreden kapitein van het Korps Speciale Troepen. Dat was een eenheid met militairen uit Nederland en Nederlands-Indië. De eenheid was verantwoordelijk voor ‘zuiveringsacties’ en executies op Zuid-Celebes, dat nu Sulawesi heet. In de nieuwe speelfilm De Oost is één van de hoofdrollen gebaseerd op Westerling. Jansen baalt van de film. Hij erkent volmondig. “Nederland heeft een lelijke geschiedenis.” Maar het bovenmatig uitlichten van ‘negatieve zaken’ zit hem dwars. “Het overgrote deel van onze militairen heeft zich helemaal niet misdragen.”
Vrijwillig op reis
Toen Jansen opgroeide was Indonesië al eeuwenlang een Nederlandse kolonie. De Japanners sloegen die wereld in duigen toen ze het oosten van Azië veroverden op de koloniale grootmachten. ‘Azië voor de Aziaten’, heette het in hun propaganda. Het wakkerde de nationalistische gevoelens van de inwoners aan. De Japanners gaf veel jongeren een militaire opleiding. De milities speelde een belangrijke rol in de
opstand. De belangrijkste groep nationalisten was die van de partij van Soekarno. Na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945, roept hij de republiek Indonesië uit. De Nederlanders zaten nog gevangen in Jappenkamp. De Britten en Japanners probeerden de Nederlanders in Indonesiërs te beschermen tegen de volkswoede. Nederland stuurde soldaten om orde op zaken te stellen maar ze kwamen er niet in. Marinier Jansen vertelt over het gedwongen oponthoud in Singapore. “Ik was 19 jaar toen ik als vrijwilliger naar Indië ging. Ik kom uit het zuiden van Nederland, wij werden daar veel eerder bevrijd dan de mensen boven de rivieren. Uit de hele wereld waren soldaten naar ons toe gekomen om ons te bevrijden. Maar in Indië was de oorlog nog niet afgelopen. Ik hoorde dat de mensen daar nog onder erbarmelijke omstandigheden leefden. Ik dacht toen: ‘we moeten iets doen’. Overal zag je die posters met oproepen om je als marinier te melden. Dat heb ik gedaan. Ik kreeg een opleiding in de Verenigde Staten.”
Verlaten legerkamp
Indonesië was na de capitulatie van de Japanners het toneel van een burgeroorlog. Het eilandenrijk was uit elkaar gevallen, tijdens deze periode van ‘Bersiap’ werden veel ‘blanda’s’ (blanken) vermoord. “Aan het einde van de Bersiap kregen wij de toestemming om naar Soerabaja te vertrekken. We troffen daar een grote puinhoop aan. Het hele havengebied was platgebrand of was gebombardeerd. Dat was een hele nare binnenkomer. Tegelijkertijd motiveerde ons dat enorm. We zeiden tegen elkaar: we moeten snel aan de gang!” Zijn eenheid vestigde zich in een verlaten legerkamp. “Een grote chaos troffen we er aan. De opening van de mitrailleurpost zat aan de verkeerde kant en het prikkeldraad was stuk. Ik kreeg de opdracht om het prikkeldraad te repareren en daar vuurwerk en granaten aan vast te maken zodat bij alles bij een aanval direct af zouden gaan. Bij schemering rond zeven uur barstte het los. Opeens was er een hoop kabaal. Er werd geschoten. Het was een aanval van een Hezbollah groep, de meest fanatieke militie die we hebben meegemaakt.” Jansen schiet in de lach. “Toen ze bij het prikkeldraad kwamen en de luchtkogels afgingen, maakten ze dat ze wegkwamen.”
Gaten zo groot als een vuist
Toen Jansen voor het eerst buiten het terrein op patrouille ging, zag hij wat de milities hadden aangericht. “De mensen waren echt geraamtes. Ze hadden geen kleding meer aan en liepen in jutten zakken.” Hij wijst erop dat Oost-Java bekend stond als één van de rijkste suiker en-rijstgebieden van het eiland. “Met de Japanse verdeling van rijst kwam er hongersnood op Java. De opstandelingen piktende rijst in. Ze zetten de rijstvelden onderwater als methode van oorlogsvoering, zodat er geen productie meer was. Dat is echt een groot drama geweest.” Op Java vielen in die tijd van hongersnood naar schatting zo’n twee miljoen doden.” De bevolking liep broodmager rond. Ze hadden zweren waar gaten in zaten, waar een vuist in kon.” Hospik Jansen kwam onmiddellijk in actie om medische hulp te verlenen. “Ik heb contact gezocht met de compagnonarts. Ik kreeg verbandmiddelen en Silva Villamide. Dat is en zwavelhoudende middel, dat tegenwoordig niet meer toegepast mag worden. Ik verzorgde daarmee de zweren. Na vijftien dagen was het gat waar een vuist in kon genezen. Iedereen zat het werkte, de militairen namen het over om de bevolking te helpen vanuit al onze mitrailleurposten.”
De greppel
Hij heeft nog nooit iemand dood geschoten. “Dat mag niet als hospik, als dat gebeurde kon je erop rekenen dat je voor de krijgsraad wordt gebracht.” Maar dat wilde niet zeggen dat hij alles liet gebeuren. “Die man in de greppel, die zal ik nooit vergeten. Op klaarlichte dag werden we overvallen door een Hezbollah Groep. Dat kwam bijna nooit voor, ze kozen meestal voor de nacht. Tientallen Javaantjes zaten op dat moment te wachten op de restanten van de maaltijden. Er werd overheen geschoten. Er vielen geen slachtoffers. Wij moesten er snel achteraan. In een greppel zag ik een tegenstander liggen. Hij had een Bren bij zich, een automatisch wapen waarmee hij onze mensen direct in de rug wilde aanvallen. Ik heb toen mijn pistool getrokken en hem onder schot gehouden. Daarna heb ik iemand van mijn troep die vooruit was gesneld teruggeroepen. Hij heeft het pistool op zijn hoofd gericht en hem naar een andere wereld geholpen.”
Stil voor Indië
Jansen keerde voor de Eerste Politionele Actie terug naar Nederland. “Ze vonden ons troepen te duur. Ik heb daar heel erg veel moeite mee gehad. Ik wilde erbij blijven, ik wilde niet terug naar Nederland. Ik liet mijn maten in de steek.” Eenmaal terug in Nederland werd hij goed ontvangen. Dat gold niet voor de soldaten die later naar Indië werden gestuurd. Zesduizend Nederlandse soldaten kwamen om in de bloedige oorlog. Ruim honderdduizend doden vielen aan de Indonesische zijde. “Je kunt eindeloos twisten over de rechtvaardigheid van de onafhankelijkheidsoorlog. Ik heb er geen moeite mee.” Ieder jaar met 4 mei gaat Jansen naar zijn maten. “Nu kan het nog. Het is nog enkele jaren en dan is het gebeurd met de Indië-veteranen.” Met de één minuut stilte denkt hij dan terug naar Indië. “Dan sta ik ook stil bij de man in de greppel. Hij is ook één van de slachtoffers.”
