Werkdruk in de gehandicaptenzorg loopt op: “Wie vangt ze straks nog op?”

Reportage
Tekst: Jacey Zelissen
Beeld: Jacey Zelissen
De druk op de gehandicaptenzorg is groter dan ooit. Terwijl het aantal cliënten met een complexe zorgvraag toeneemt, blijven de handen in deze sector achter. In 2023 stonden er bijna achtduizend vacatures open in de sector. Dat is bijna een verdubbeling ten opzichte van 2020, blijkt uit onderzoek van de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland. Het vooruitzicht is somber: tegen 2033 dreigt een tekort van ruim drieëntwintigduizend medewerkers. In die realiteit proberen begeleiders dagelijks overeind te blijven, tussen tilliften, gedragsproblemen en een groeiende morele stress. De druk op de gehandicaptenzorg neemt dus alleen maar toe. Een plek waar die toenemende druk voelbaar is, is KDC ’t Steyntje in Stein: een kinderdagcentrum voor jonge kinderen met een intensieve zorgvraag, waar zorg geen routine is maar een voortdurende improvisatie.
Bij binnenkomst in het donkere, bakstenen gebouw schieten twee kinderen op loopfietsen rakelings langs mijn benen. Het scheelt een haar of ze rijden me omver. Hun gegil echoot door de gang, de rubberen wielen ratelen over de tegels. Een medewerkster duwt me gehaast een dopsleutel in de hand. “Daarmee krijg je de deuren open”, zegt ze. “Alles zit hier op slot. Anders zijn we ze kwijt.”
Ik loop door gangen vol dichte deuren en schril kindergeluid, op weg naar buiten. Rechts zie ik een ballenbak, verderop glinstert een onverwacht binnenzwembad. De lucht hangt zwaar: een mix van ontsmettingsmiddel, oude vloerbedekking en een vleug urine. Vanuit verschillende hoeken klinkt geluid: brabbels, gegil, tikkend speelgoed tegen muren. Buiten, achter het gebouw, ligt een omheind grasveld met een houten speeltuin. Kinderen glijden tegelijk van de glijbaan, gooien zand, klimmen op rekken, slaan met lepels op emmers. Midden in die storm staat begeleider José Heeren (44). Ze houdt haar blik scherp terwijl ze net op tijd een kind opvangt dat bijna van het klimrek tuimelt. “Voor ons is dit een rustmoment”, zegt ze met een scheve glimlach. Voor mij voelt het allesbehalve rustig.


Buiten is voor begeleiders een rustmoment, maar ook daar vraagt elk kind constante alertheid. © Jacey Zelissen
Tussen deuren en drempels
José werkt al twintig jaar op ’t Steyntje. Ze is rustig, spreekt zacht en lijkt geen enkele beweging toevallig te maken. Alles wat ze doet, gebeurt doelgericht, maar zonder haast. Als voorzitter van de ondernemingssraad van Daelzicht, de zorgorganisatie waar ’t Steyntje onder valt, denkt ze ook mee op beleidsniveau. Zelf is ze alleenstaande moeder van twee jonge kinderen, maar op haar werk staan ándere kinderen voorop. “Ik wil gewoon dat ze het hier goed hebben”, zegt ze. Liefdevol, bijna verontschuldigend. Alsof dat vanzelfsprekend is.
KDC ’t Steyntje vangt dagelijks ongeveer veertig kinderen op, verdeeld over meerdere groepen. Het gaat om jonge kinderen met een ernstige meervoudige beperking (EMB), wat betekent dat zij zowel lichamelijk als verstandelijk beperkt zijn. Veel kinderen hebben epilepsie, zijn slechtziend of hebben bijkomende gedragsproblematiek. De meeste zijn afhankelijk van hulpmiddelen en kunnen niet praten. De begeleiding richt zich op veiligheid, structuur en zintuiglijke prikkelverwerking. Vaak in de vorm van muziek, beweging en aanraking.
De kinderen in José’s groep zijn gemiddeld vier jaar oud, maar functioneren op het niveau van een baby. Ze praten niet, begrijpen nauwelijks woorden en raken snel overprikkeld. “Daarom ontvangen wij normaal gesproken ook geen bezoek”, legt José uit. “Extra gezichten zijn extra prikkels. En die kunnen ze nauwelijks verdragen.” Terwijl ze spreekt, strikt ze een schoenveter, haalt een loopfiets uit een klimrek en vist een plastic schep uit een mond. Alles met dezelfde kalmte. Alles draait hier om minimale verstoring.
1-op-1-zorg zonder genoeg mensen
Het personeelstekort helpt daar niet bij. Volgens het Arbeidsmarktprogramma Zorg en Welzijn groeide het aantal vacatures in de gehandicaptenzorg van ruim vierduizend in 2020 naar bijna achtduizend in 2023. Kinderen die vroeger naar ’t Steyntje kwamen, zitten tegenwoordig op het speciaal onderwijs. Op ’t Steyntje blijven juist de kinderen met een zwaardere zorgvraag achter: kinderen die niet praten, slecht slapen, agressief gedrag vertonen of rolstoelgebonden zijn. Vrijwel allemaal hebben ze 1-op-1-begeleiding nodig. Maar die mogelijkheid is er niet.
Uit onderzoek van Vilans, het kenniscentrum voor langdurige zorg, blijkt dat de zorg voor EMB-kinderen tot de meest intensieve vormen van zorg behoort. Begeleiders moeten voortdurend anticiperen op signalen die nauwelijks zichtbaar zijn: een haperende ademhaling, een kleine spierspanning of een verandering in geluid. Dat vraagt niet alleen fysieke aanwezigheid, maar ook een diepgaande kennis van ieder kind afzonderlijk. José herkent dat direct. “Soms merk je aan een ademhaling dat iets mis is. Maar alleen als je het kind echt kent”, zegt ze.
“We staan nu met twee mensen op zes kinderen,” zegt José terwijl ze een meisje van de schommel tilt. “Dat lijkt genoeg, maar eigenlijk komen we structureel handen tekort. Elk kind vraagt volledige aandacht. Je moet ze kunnen lezen, aanvoelen en overal voor zijn.”
Elke stap moet kloppen
Wanneer het tijd is om naar binnen te gaan, wordt duidelijk hoe strak de routine verloopt. De overgang gaat in een vaste volgorde. Anita, José’s collega, begeleidt telkens één kind. Poort open, kind naar binnen, poort dicht. Dan naar de deur, deur open, kind naar binnen, deur dicht. In de tijd dat zij twee kinderen naar binnen brengt, ruimt José buiten op en begeleidt ze de andere drie. Elke afwijking in dat ritueel veroorzaakt onrust.


Binnen is er soms tijd voor persoonlijke aandacht, maar vaak blijft het multitasken. © Jacey Zelissen
Binnen is het benauwd. De geur van plastic speelgoed, schoonmaakmiddel en warme lucht vermengt zich tot iets scherps. In de speelruimte staan een lage trampoline, een schommel en een tafel vol klei. Kinderen zitten of wiebelen op hun stoel. Één jongen zit in een aangepaste stoel; een gewone stoel is voor hem te onrustig. José en Anita zingen zachtjes: “Smakelijk eten, smakelijk eten, hap hap hap…” Geen kind zingt mee, maar ze herkennen de melodie. “Liedjes geven structuur”, zegt José. “Daar klampen ze zich aan vast.”
Tijdens het eten gebeurt alles tegelijk. Kinderen brabbelen en gillen door elkaar. Een jongen legt zijn voeten op tafel en schraapt met zijn tanden een koek leeg. Een ander sabbelt op mandarijnpartjes en spuugt ze daarna op de vloer. José zegt niets. Ze veegt, noteert het programma voor morgen en werkt een overdrachtsformulier bij. “Het is drie uur en ik heb nog geen pauze gehad”, zegt ze. “Daar is geen tijd voor. Als je die toch neemt, raken de kinderen ontregeld. Dan heb je er de rest van de dag last van. Eten en drinken doen we snel tussendoor.”

Patronen zijn cruciaal
Volgens Zorginstituut Nederland slagen instellingen als deze er vaak maar nét in om kinderen veilig en gezond de dag door te helpen. Voor ontwikkeling, ontspanning of echte aandacht is nauwelijks ruimte. José voelt dat dagelijks. “Elke fout merk je meteen”, zegt ze. “Sla je een stap over, dan is het gedaan met de rust. Dan is je hele middag weg.”
Na het eten begint het verschonen. Ook dat gebeurt volgens een vast patroon: kind bij de hand, samen een luier uit de kast halen en dan pas naar de badkamer. Als de volgorde verandert, raken ze in paniek. “Nieuwe collega’s moeten dat allemaal leren”, zegt José. “Maar daar is amper tijd voor. Zelfs een simpel gesprek geeft te veel prikkels. Alles moet worden gepland. Zelfs een overdracht. Iemand inwerken kan dus ook niet fatsoenlijk, waardoor veel mensen onvoorbereid voor een groep komen te staan. Deze groep stroomt vaak ook weer heel snel uit.”
Ook de spaarzame gesprekken tussen José en Anita blijven beperkt tot het hoogstnoodzakelijke, om extra prikkels te vermijden.
“Wie verschoont zometeen?”
“Ik doe het wel.”
Twee zinnen. Meer is er niet nodig.
Van de zes vaste begeleiders op deze groep willen er vier volgend jaar iets anders. Ondertussen vallen collega’s uit door ziekte of overbelasting. Zzp’ers vullen de gaten, maar dat brengt nieuwe problemen. “Ze zijn duurder en vaak niet ingewerkt”, zegt José. “Hoe leg je uit dat een kind eerst samen een luier moet pakken voordat je hem kunt verschonen?” Het zijn problemen die breder spelen in de sector. “Bij 85 procent van de zorginstellingen lukt het niet meer om de roosters rond te krijgen,” zegt Jan Willem Bruins, directeur van de Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW). “Elk jaar vertrekt ongeveer 15 procent van de medewerkers.”
Omdat José en Anita op dat moment met een collega in overleg zijn, vragen ze mij om even bij een jongetje te gaan zitten en met hem te kleien. Hij schept roze klei in een bekertje, dan in een kommetje, dan weer terug. Steeds opnieuw. Hij reageert niet op mijn woorden, maar volgt nauwgezet mijn bewegingen. Wanneer ik ook wat klei pak en het in het bekertje leg, stopt hij kort. Zijn blik glijdt opzij, kort, nieuwsgierig. Dan hervat hij zijn patroon onverstoorbaar, in zijn eigen wereld.
Even later klimt een ander kind via de vensterbank naar de deur. Hij draait het slot van de buitendeur moeiteloos open. José is er binnen een paar seconden. Ze zegt niets, pakt zijn hand, leidt hem terug en zet de omgetrapte kruk weer recht. Alsof het erbij hoort.
Wie zorgt er straks nog?
De vraag naar plekken zoals ’t Steyntje neemt toe. Volgens José staan er regelmatig kinderen op de wachtlijst, terwijl het team al aan de maximale draagkracht zit. “We moeten soms nee zeggen tegen ouders die echt nergens anders terecht kunnen”, zegt ze. “Dat breekt je.”
Dan gaat de bel. Een vader staat bij de deur. José brengt het kind naar hem toe. Daarna volgen er meer. Één voor één verlaten de kinderen de groep, tot het laatste busje vertrekt. De deur valt in het slot. José zucht en gaat zitten. “Ik hou van dit werk,” zegt ze. Haar stem klinkt vast, maar haar schouders zijn gezakt. “Maar ik hou dit geen tien jaar meer vol. Dan is de vraag: wie doet het dan? Wie vangt ze op als wij het niet meer kunnen?”