Mens versus machine; wat brengt de toekomst voor digitalisering in het onderwijs?

Sinds 1 januari van dit jaar zijn mobieltjes op middelbare scholen verboden. De rede is om de concentratie en prestaties van leerlingen in het voortgezet onderwijs te verhogen. Welke invloed deze maatregel op de resultaten van leerlingen heeft is nog niet helemaal duidelijk. Dat technologische ontwikkelingen in de toekomst van invloed gaan zijn is wel iets wat zeker is.
Je komt thuis, doet je schoenen uit, ploft op de bank en zet de televisie aan. Heerlijk, even je favoriete serie op Netflix kijken en verder gaan waar je onderweg in de trein op je telefoon gebleven was. Net op een spannend moment besluit één van je vrienden je in de groepsapp te appen. Je kijkt op je telefoon, opent uit angst om iets te missen je appjes, en voor je het weet ben je vijf minuten verder en heb je niks meer van je serie meegekregen. Je zet je telefoon uit spoelt terug en begint weer met kijken.
Een paar minuten later appt je moeder je of je morgenavond mee eet en wat je dan wil eten. Je appt haar terug dat je even gaat zoeken, opent TikTok om inspiratie op te doen voor het eten, blijft hangen in het algoritme, vergeet je moeder terug te appen en wordt weer terug de realiteit in getrokken als je opeens de aftiteling van de 45 minuten durende aflevering hoort. ‘Maar zo lang heb ik toch niet op mijn telefoon gezeten?’
Schermtijd en telefoonverslaving zijn termen die zich steeds vaker in onze maatschappij ontpoppen. In 2020 maakten jong volwassenen tussen de zes en zeven uur gebruik van een elektronisch scherm, blijkt uit onderzoek van Netwerk Mediawijs. Dat is bijna een kwart van de gehele dag. Trillingen, pingeltjes en gezoem van onze telefoons vliegen ons om de oren. Niet meer dan gek dat telefoons nu op scholen verboden zijn, vindt ook scholier en voorzitter van het LAKS, Rafke Hagenaars. ‘Wij begrijpen echt dat docenten het fijn vinden als er geen mobieltjes in de klas zijn. Het lijdt gewoon enorm af, maar ik weet niet of het verbod de juiste oplossing is. Leerlingen die op middelbare scholen fysiek geweld gebruiken worden geschorst. Wij krijgen bij het LAKS nu ook meldingen binnen van leerlingen die geschorst worden omdat ze meermaals hun telefoon hebben gebruikt. Dat die twee dingen zo gelijk aan elkaar staan, dat is buiten proportie.’
Digitaal onderwijs
Laptops en tablets mogen in klaslokalen nog wel gebruikt worden, wellicht rijst de vraag waarom. Kunnen leerlingen niet hetzelfde op hun laptops als op hun telefoon? Volgens Stan Termeer, hoofd communicatie bij de VO-raad ligt het wat gecompliceerder. ‘Ik kan begrijpen dat er op die manier over nagedacht wordt, maar je moet je realiseren dat telefoons écht overbodig zijn. Op tablets en laptops staat lesmateriaal, op mobieltjes helemaal niet.’

Onderzoeksjournalist Michelle Salomons ziet deze mening ook binnen het onderwijs ontstaan, volgens haar is digitaal onderwijs niet per definitie slecht. ‘Ik hoor van verschillende schooldirecties en leraren dat ze gebruik maken van een combinatie van digitaal onderwijs en het werken met boeken en schriften. Ze zijn hier tevreden over en zeggen dat het goed werkt. Volgens hen kunnen leerlingen op deze manier op hun eigen niveau werken.’ Naast het gebruik van elektronische apparaten is het ermee omgaan ook van groot belang. Vanuit veel middelbare scholen wordt verwacht dat je een verslag in Word maakt en niet op papier, veel werkgevers verwachten enige kennis van een digitale omgeving en zelfs de informatie vanuit de Rijksoverheid komt steeds vaker digitaal binnen. Niet geheel onlogisch om meer aandacht te besteden aan digitale vaardigheden, maar volgens Hagenaars gebeurt dat te weinig. ‘Er zijn op dit moment vier kernpilaren in het onderwijs. Taal, rekenen, burgerschap en digitale vaardigheden. Wat wij van leerlingen terugkrijgen, is dat die laatste vaak onder gewaardeerd wordt. Dat is jammer, veel is digitaal en met het telefoonverbod help je de digitale vaardigheden niet vooruit.’

Dat jongeren veel gebruik maken van mobiele telefoons en sociale media blijkt ook uit onderzoek van het Trimbos instituut, dat uitgevoerd werd in 2021. Het percentage middelbare scholieren dat aan niks anders kan denken dan aan sociale media is iets meer dan een kwart van de leerlingen, de leerlingen die zich ontevreden voelt vanwege het ‘te weinig’ gebruiken van sociale media is slechts 10% en het percentage dat zich rot voelt doordat ze geen sociale media kan gebruiken blijft steken op 15%. Deze drie kwesties zijn sinds 2017 procentueel weinig veranderd, de laatste is zelfs gedaald.
Wat wel opvallend is, is dat middelbare scholieren vaker sociale media gebruiken om de realiteit te ontsnappen en niet aan negatieve dingen te denken, veel meer leerlingen moeite hebben met het minderen van het gebruik van sociale media, ondanks dat ze dit wel wilde en geeft bijna veertig procent van de leerlingen aan minder aan huiswerk te doen door smartphone gebruik, dat laatste werd in 2021 voor het eerst gemeten.

Ook is het aantal jongeren dat lijdt aan problematisch sociale media gebruik verhoogd van 3.8% in 2017 naar 5.3% in 2021. Dit lijkt weinig maar, ter vergelijking, ‘slechts’ 3.9% van de Nederlanders is verslaafd aan ecstasy. Dat is na cannabis de drug met de meeste verslavingen in Nederland. De verslaving van sociale media onder middelbare scholieren is dus groter dan het ecstasy gebruik onder Nederlanders.

Oplossing
Het lijkt dus niet meer dan redelijk om te praten over het gebruik en de gevolgen van mobiele telefoons en sociale media, vindt ook Termeer. ‘Het is inderdaad belangrijk voor scholen om met leerlingen te praten over hun beleid. Elke school heeft een andere visie, dus voor elke school werkt iets anders goed. Het is verstandig om als school met eigen regels te komen, maar om het hele digitale onderwijs af te schaffen zie ik niet gebeuren.’ Salomons is het met Termeer eens en ziet vooral een combinatie als de oplossing. ‘Ik zie de ‘devices’ ook niet zomaar uit het onderwijs verdwijnen. Ze zijn gewoon belangrijk in de maatschappij. Het LiFo-model wordt nu op veel scholen gebruikt, dat wordt ook door leerlingen als fijn ervaren en zo zorg je toch dat ze niet alleen maar met elektronica werken.’
Het LiFo-model, of het licentie folio model, is een model waarin zowel met werkboeken als online lesmateriaal wordt gewerkt, maar er is wel kritiek op deze vorm van lesgeven. ‘Scholen moeten elk jaar opnieuw een licentie voor het online lesmateriaal aanschaffen. De kritiek hierop is dat de uitgeverijen er hierdoor mee geld aan verdienen en dat scholen dus duurder uit zijn. Daar zou dus wellicht nog een oplossing voor bedacht kunnen worden’, aldus de onderzoeksjournalist.
Ook de AOb, de onderwijsvakbond in Nederland, houdt zich bezig met dit onderwerp omtrent het telefoonverbod. Uit een enquête, uitgevoerd onder 8400 leden, bleek in april vorig jaar dat 73% voor een telefoonverbod was. Toen, zelfs voor het telefoonverbod landelijk werd ingevoerd, wilde de andere 27% dat de afspraken per school of onderwijsteam gemaakt zouden worden of dat de docenten dit in hun lessen zelf mochten bepalen.

Hagenaars hoopt dat er vanuit de overheid in ieder geval ook naar andere oplossing wordt gezocht. ‘Uiteraard moeten scholen in gesprek gaan met leerlingen om de afgelopen periode te evalueren, maar ik denk ook dat de politiek moet kijken of het verbod tot nu toe het gewenste effect heeft gehad. Niet alleen op de resultaten, maar ook op de leerlingen zelf.’ Nu het in de politiek vooral gaat om een nieuwe regering vormen, lijken de scholen zelf aan zet om de toekomst omtrent digitalisering in het onderwijs in te kleuren. Als het aan betrokken partijen ligt, een toekomst met laptops en tablets waarin ze leren omgaan met de digitale omgeving, maar zonder de grote afleiding en verslaving genaamd sociale media.
Dataverantwoording
Voor de data-analyse is er keken naar onderzoeksresultaten vanuit het Trimbos-instituut, de AOb en Netwerk Mediawijs. Alle cijfers in deze onderzoeken zijn vergaard door middel van een steekproef onder een representatieve groep. Cijfers vanuit het Trimbos instituut komen vanuit verschillende onderzoeken. In het onderzoek van het Trimbos-instituut van 2017 deden 6718 leerlingen van 85 middelbare scholen mee. In 2021, 5243 leerlingen op 71 middelbare scholen. In het onderzoek over het drugsgebruik in Nederland is geprobeerd rekening te houden met de representatie van de ondervraagde. Ervanuit gaande dat dit niet het geval is, is er een compensatiemodel toegepast. In het onderzoek over het telefoongebruik vanuit Netwerkwerk Mediawijs hebben 881 respondenten meegedaan in een steekproef die representatief is voor de populatie van Nederlandse jongvolwassenen, waarin rekening is gehouden met leeftijd geslacht en sociale klasse.
De steekproef uitgevoerd door de AOb is gedaan onder 8382 leden waarvan 2190 werkzaam in het primair onderwijs, 5070 in het voortgezet onderwijs en 1122 in het mbo.
Vanuit de data is een selectie gemaakt die relevant was voor het verhaal. Zo is uit verschillende onderzoeken van het Trimbos-instituut de data van basisscholen weggelaten en is data geselecteerd die relevant is voor de context van het achtergrondverhaal. In de datasets zijn naast de totale percentages ook percentages gegeven per leeftijd en geslacht. Deze zijn in de analyse buiten beschouwing gelaten en er is alleen gebruik gemaakt van het totale percentage dat alle ondervraagden bevatten. Uit de steekproeven van de AOb en Netwerk Mediawijs is alleen de informatie over het aantal uren schermtijd per dag en het percentage docenten dat het met het telefoonverbod eens was geselecteerd. Alle andere informatie is buiten beschouwing gelaten.