De laatste dagen voor de versoepelingen: “Het gaat meer om het meedoen met elkaar, denk ik.”

De laatste dagen voor de versoepelingen: “Het gaat meer om het meedoen met elkaar, denk ik.”

Met een impulsaankoop in de vorm van een gitaar -waarvan ik vermoed dat het hout stiekem eigenlijk kunststof is- stap ik in de trein. De dag telt maar een magere vierentwintig uur, maar met een strakke planning kan ik binnen die marge toch nog behoorlijk wat ondernemen.   

Zo heb ik in de ochtend koffiegedronken met een vriend in Bussum, terwijl ik eigenlijk aan mijn essay had moeten schrijven. In plaats daarvan struinde ik door het centrum, afgeleid door mooie ogen van toevallige passanten die ik waarschijnlijk nooit meer zal ontmoetten.

De uitstapjes zouden nét binnen de planning passen, als ik mezelf niet ook nog had laten afleiden door twee jonge uilskuikens in het Bospark van Bilthoven; ze waren zó mooi dat éen keer kijken simpelweg niet genoeg was. Lang had ik geluisterd naar de geluiden van de jonge dieren, die mij even nieuwsgierig leken aan te staren vanaf een dikke tak in de torenhoge loofboom. Het gevolg is dat ik nu zo’n vier uur later dan verwacht op het koude, ijzeren stations bankje mijn nieuwe instrument zit te stemmen, in de illusie dat ik tijd bespaar door te stemmen tijdens het wachten.

Als de trein eenmaal aan is gekomen, stap ik in en plof ik neer op een koningsblauw klapstoeltje, met de intentie om mijn boek open te slaan en alvast de informatie te verzamelen voor mijn schrijfwerk.

Naast mij zit een man die zijn mondhoeken omhoogtrekt. Om zijn ogen zie ik kraaienpootjes verschijnen, wat volgens micro-expressie pionier Paul Ekman, hét signaal is van een welgemeende lach.  (Bij een beleefdheidslach doet de kringspier om het oog niet mee, en verschijnen die mooie rimpeltjes dus ook niet).  Als vanzelf lach ik terug, maar dan besef ik me ineens dat ik zijn mondhoeken helemaal niet hoor te zien.

“Heeft u een mondkapje nodig? Ik heb er een extra voor u.” bied ik aan. De man kijkt me nog even vriendelijk aan en bedankt. “Ik ben niet bang” verklaart hij. “Je moet niet in angst leven, weetje.” Ik denk even na over zijn woorden en besluit dat ik het niet met hem eens ben.

“Ik denk niet dat het persé om angst gaat, want dat is voor iedereen anders.” Ik brouw nog heel even op mijn woorden. “Het gaat meer om het meedoen met elkaar, denk ik.” Ik wijs naar de conducteur, die met zijn mondkapje op staat te bellen aan de andere kant van het treinstel. Op zijn gezicht staat een ernstige frons. Ik vervolg; “Plus, het is best een dure grap op een boete te krijgen voor iets dat zo’n kleine moeite kost.”

“Maar daar zeg je nu precies wat ik bedoel!” zegt de man, niet zonder enthousiasme. “Overmorgen hoeven ze niet meer op, het enige wat er dan anders is, is de regel. Het is dan niet persé veiliger.”

“Eens!” zeg ik instemmend. “Maar wil je echt die conducteur deze discussie laten voeren zo?”  De man met de kraaienpootjes haalt zijn schouder op en glimlacht weer even. Met mijn ogen spiek ik door het raam, de trein had vijf minuten geleden al vertrokken moeten zijn.  Op het bord is de tekst “aanrijding met een persoon” verschenen. Het lijkt me sterk dat deze trein nog gaat rijden, denk ik bij mezelf.

“Ik ben wel heel erg benieuwd hoe jij er uit ziet” zegt hij stelling, doch vragend. Even trek ik mijn mondkapje naar voren zodat de onderkant van mijn gezicht te zien is, daarna plaatst ik het benauwde stukje plastic dat zich voordoet als stof, weer voor mijn mond. De rebelse man kijkt me ietwat tevreden aan.

“Ben je blij dat je mij zo ver hebt gekregen om heel eventjes met je mee te doen?” zeg ik, alsof ik zojuist mijn punt heb bewezen.  De man knikt met een grijns. “Niet iedereen is een volg schaap.”  Ik haal mijn schouders op en loop de trein uit om de laatste bus te halen.

Over de auteur

Laat een antwoord achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *