GABRIËL PRINSENBERG BLIKT TERUG: “76 JAAR GELEDEN VERBLEEF IK ALS 12-JARIGE BIJ EEN GASTGEZIN IN ZWITSERLAND OM BIJ TE KOMEN VAN DE OORLOG”

GABRIËL PRINSENBERG BLIKT TERUG: “76 JAAR GELEDEN VERBLEEF IK ALS 12-JARIGE BIJ EEN GASTGEZIN IN ZWITSERLAND OM BIJ TE KOMEN VAN DE OORLOG”

De Tweede Wereldoorlog is voorbij. Verzwakt door de honger en aangeslagen door de ellende die ze om zich heen hebben gezien, krijgen duizenden Nederlandse kinderen in 1945 de kans om op adem komen bij gastgezinnen in onder andere Engeland en Zwitserland. De toen 12-jarige Gabriël Prinsenberg is één van die duizenden kinderen. Voor drie maanden lang verblijft hij bij een gezin in Zwitserland, om te herstellen en nieuwe, positieve herinneringen op te doen. Nu, 76 jaar later, blikt hij terug op die bijzondere tijd.

In februari 1945 verschijnt er in de krant een oproep voor kinderen die onder het oorlogsgeweld van de afgelopen jaren hebben geleden. Frankrijk, België, Zwitserland, Zweden, Denemarken en Engeland benaderen in de laatste maanden voor het einde van de oorlog de Nederlandse regering. Er wordt een internationale hulpactie opgezet om Nederlandse kinderen tijdelijk op te vangen. In totaal is er plek voor wel tienduizenden kinderen. In de oproep wordt aangegeven dat de kinderen zich kunnen opgeven bij het Rode Kruis om met een transport naar één van deze landen te gaan om bij gastgezinnen te verblijven en op adem te komen.

Hongerwinter

Gabriël groeide onder eenvoudige omstandigheden op in Gouda. Zijn vader was portier in een bioscoop en zijn moeder stierf toen hij drie jaar oud was. Prinsenberg is 7 jaar oud op het moment dat de Tweede Wereldoorlog uitbreekt. “Als ik terugkijk naar die vijf oorlogsjaren, zijn het vooral de laatste twee tot drie jaren die gepaard gingen met heel veel zorgen en verdriet.” In de loop van de oorlogsjaren werden levensmiddelen steeds schaarser. Hoewel bommen mensen in Gouda troffen – het station en een ziekenhuis werden beschoten door de geallieerden – waren het vooral de honger en ijskoude weersomstandigheden die de bevolking teisterde. Prinsenberg: “De winter van 1944/1945 was vreselijk. Soms zakte de thermometer tot min 18 graden en hadden we geen gas of verwarming. Ik herinner me nog als de dag van gisteren hoe koud het was, hoe het vroor dat het kraakte.”

Wanneer Nederland op 4 mei wordt bevrijd van de Duitsers, verschijnt er licht aan de horizon. Prinsenberg: “Ik keek uit het raam en ik wist niet wat ik zag. De straat stroomde vol met kinderen en volwassenen die heen en weer renden en luidkeels riepen dat de oorlog was afgelopen. Alle mensen waren blij, iedereen sprak elkaar aan en ging erop uit om de vrijheid te vieren. Zij het met niks, met een mager lijf en een hongerige maag.” Kort na het einde van de oorlog werd Prinsenberg, die aan tuberculose leed, door zijn vader opgegeven en uiteindelijk geselecteerd om naar Zwitserland af te reizen en te ontspannen in de frisse berglucht. De afspraken over de hulpactie, die onder andere wordt gerealiseerd door Stichting Nederlands Volksherstel (NVH), zijn helder. Nederland zorgt zelf voor de selectie en de medische keuring van de kinderen, de Zwitserse Kinderhilfe regelt de pleeggezinnen en zorgt voor het transport. Dat is nog een hele uitdaging, de weinige transportmiddelen die de Duitsers hebben achtergelaten worden namelijk voornamelijk in gebruik genomen voor geallieerde troepenverplaatsingen en transport van krijgsgevangenen, dwangarbeiders en overlevenden van concentratiekampen.

Links: Gabriël Prinsenberg op 12-jarige leeftijd, rechts: Gabriël Prinsenberg nu.
Beeld: Gabriël Prinsenberg

Strenge criteria

Niet alle kinderen die op een of andere manier hebben geleden, kunnen op korte termijn worden uitgezonden. In totaal verblijven zo’n 30.000 kinderen na de oorlog in het buitenland. Marian Fassotte, manager van Venrays Museum, heeft een tentoonstelling opgezet over enkele van deze kinderen. Ze vertelt: “Het grootste doel van de kinderuitzendingen was om de kinderen weer te leren leven in een normale situatie. Door de oorlog waren ze niet meer bekend met de drie R’en: rust reinheid en regelmaat.” De kinderen die mee ‘op reis’ mochten, werden geselecteerd op strenge criteria. “De gezamenlijke commissies die zich ontfermen over de kinderuitzendingen hebben regels opgesteld voor de artsen die de kinderen selecteren. De kinderen moeten aan enkele ‘eisen’ voldoen om uitgezonden te kunnen worden. Zo hebben de kinderen die uiteindelijk op reis gaan door de oorlogsomstandigheden in meerdere mate geleden, hebben zij ondervoeding, zijn ze herstellend van acute ziekten of vertonen zij nerveuze verschijnselen zoals angst en slapeloosheid.” Op 1 mei 1945 vertrok het eerste transport van ‘s-Hertogenbosch via Tilburg naar Zwitserland. Volgens Fassotte zagen de Nederlandse kinderen die naar het buitenland mochten, de reis vooral als een avontuur. “Het Internationale Rode Kruis had in onder andere Zwitserland een aantal gezinnen gevonden die de Nederlandse kinderen wilden opvangen en ze daarnaast ook weer even een normaal leven wilden bezorgen. De kinderen draaiden dan ook helemaal mee met het gezin. Ze gingen naar school toe, aten mee met de pot, leerden de taal en namen deel aan de gezinsactiviteiten.”

Na onderzoek in het hulpziekenhuis kregen alle kinderen een douche en een vlooienpoeder. De kinderen worden met de trein naar Zwitserland vervoerd. Via België, Luxemburg en Frankrijk reed de trein vanuit Utrecht naar Bazel. In zijn dagboek schrijft de toen twaalfjarige Prinsenberg: ‘Wat een prachtige stad is Bazel, met lichtreclame die vergelijkbaar is met die in de Nederlandse steden voor de oorlog. Je kunt het bijna niet geloven, zo mooi is het hier’. Hij zou bij een Zwitserse vrouw en haar twee volwassen zonen in Nunningen op een kleine boerderij gaan wonen. De jongen voelde zich de eerste week slecht. “Mevrouw K. was streng tegen mij, net als haar zoons. Ik bleef maar huilen van de heimwee.” Zijn redding was pastoor Joseph Leutenegger: een actieve, warme en humoristische man. Hij nam de jongen tijdelijk in zijn gezin op. “Het prachtige parochiehuis, mijn eigen kamer, het dagelijkse ritme, dat is toentertijd ontzettend goed geweest voor mijn gezondheid.”

Weg van het grauwe leven

Nog voor het einde van 1945 zijn alle kinderen van de eerste vijf transporten weer thuis. De uitzendingen blijven nog enige tijd doorgaan en op 12 juli 1946 vertrekt het laatste transport dat nog door de Nationale Commissie is georganiseerd. Fassotte: “Voor de meeste oorlogskinderen heeft deze reis een enorme betekenis gehad. Uit onderzoek bij terugkeer van de kinderen blijkt dat de meesten een gezonde toename in gewicht hebben.” Maar niet alleen fysiek gaan de kinderen er op vooruit, ook mentaal heeft de reis een impact op ze. “De rust deed de kinderen ontzettend goed, ze leefden niet langer onder constante stress en maakten kennis met een nieuwe omgeving. Voor sommigen geldt dat ze tot de dag van vandaag nog contact hebben met hun pleeggezin.”

Gabriël maakte snel vrienden in Zwitserland. Bij de pastoor thuis werd hij altijd gastvrij behandeld. “Hoewel ik van mijn vader hield, was het grauwe leven van alledag na de oorlog thuis in Gouda ver weg van mij. En daar genoot ik van.” Het contact met pastoor Leutenegger viel pas na zijn dood weg. Alle andere vriendschappen bestaan ​​nog steeds.” Op latere leeftijd bezoekt Gabriël nog regelmatig het Zwitserse tijd waar hij destijds zo’n fijne tijd heeft gehad. “Nu zijn er alweer 76 jaar verstreken sinds wij oorlogskinderen met zoveel warmte verwelkomd werden door de Zwitsers. Als ik terugkijk naar deze periode in Zwitserland die slechts drie maanden heeft geduurd, maar voor mijn gevoel een eeuwigheid aan prachtige ervaringen, dan kan ik zonder twijfel zeggen dat het de mooiste tijd is geweest uit mijn kinderjaren.”

Over de auteur

Laat een antwoord achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *