Doping valt niet te gebruiken in schaatssport

Doping valt niet te gebruiken in schaatssport

(Beeld: Vincent Jannink, ANP)

De voormalig schaatscoach Kosta Poltavets keerde in 2020 terug naar Nederland van een 10 jaar durend bewogen bondscoachschap in Rusland. In zijn team zaten namelijk meerdere schaatsers die tijdens de Winterspelen van 2018 in PyeongChang werden geweerd om hun dopinggebruik. Poltavets dacht daar anders over. Hij is ervan overtuigd dat zijn schaatsers geen doping hebben gebruikt. In een artikel van het Friesch Dagblad zegt hij zelfs: “Doping kun je echt niet verbergen.” Maar, is het gebruiken van doping echt niet te verbergen, of zijn er misschien tóch manieren waarop schaatsers wel onopgemerkt kunnen blijven? En, hoe zit het eigenlijk met de controles in de Nederlandse schaatssport? 

Als we de cijfers van het dopinggebruik van de laatste 15 jaar bekijken, wordt er überhaupt weinig gebruikt in de schaatssport. Alleen in 2009 en in 2016 kwam het tot een schorsing. In 2016 liep Thom van Beek een schorsing van vier jaar op door het gebruik van epo. Dat is een vorm van doping waarbij het aantal rode bloedcellen toeneemt. Hierdoor worden de spieren beter voorzien van zuurstof en zullen minder snel gaan verzuren.

In 1985 gebeurde er iets opmerkelijks wat kortgeleden naar buiten werd gebracht in de Volkskrant. Het koffertje met urinemonsters van de deelnemers verdween uit het Radboud UMC in Nijmegen. Iemand zou het koffertje in de Nijmeegse rivier de Waal hebben gegooid, zodat de uitslagen van de dopingcontrole nooit kenbaar gemaakt konden worden. Of dit nu weer zou kunnen gebeuren? Carl Mureau, woordvoerder van de Koninklijke Nederlandse Schaats Bond (KNSB), denkt van niet. “Daar zijn nu zulke strakke protocollen voor, die goed georganiseerd zijn door een onafhankelijk instituut, namelijk de Dopingautoriteit. Wij vertrouwen erop dat het netjes gebeurt.”

De schaatssport is een van de sporten waar het aantal dopingcontroles erg hoog ligt. Uit het jaarverslag van de Dopingautoriteit uit 2020 blijkt dat schaatsen plek nummer drie inneemt als het gaat om het aantal dopingcontroles. In het coronajaar zijn er in totaal alsnog 424 dopingcontroles uitgevoerd. Het wielrennen staat op nummer 1 met 489 dopingcontroles.

Bij een wedstrijd of toernooi moet eigenlijk elke deelnemer uitgaan van een controle, met name de winnaars. “De winnaars komen automatisch op de lijst voor een controle en daarnaast controleert de Dopingautoriteit ook steekproefsgewijs de andere deelnemers”, aldus Mureau.

En dat zijn niet de enige controles. Er wordt ook ‘out-of-competition’ gecontroleerd. Dat wil zeggen dat dopingcontroleurs in aanloop naar een toernooi of wedstrijd, of gewoon midden in het seizoen, onaangekondigd bij schaatsers op de stoep kunnen staan voor een controle. Dit worden ook wel de ‘whereabouts’ genoemd. De echte topschaatsers moeten vrijwel dagelijks hun contactgegevens en verblijfplaats aangeven voor een mogelijke controle, vertelt Mureau. Schaatsers hebben daarin eigenlijk geen keus, want wanneer zij dit niet doen, kan het hun carrière kosten. “Als je drie controles mist, loop je het risico dat je een straf krijgt”, aldus de KNSB.

Het gebruiken van doping in de Nederlandse schaatssport wordt dus heel moeilijk gemaakt en is daarom ook niet populair. De KNSB durft daarom te beweren dat schaatsen een ‘schone sport’ is. “Als je het aantal positieve gevallen afzet tegen het aantal controles, dan durven wij wel te beweren dat schaatsen een schone sport is,” zegt Mureau. De KNSB gaat dan ook volledig mee in de uitspraak van Poltavets: “doping kun je echt niet verbergen.”

Over de auteur

Laat een antwoord achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.