
Soms let ik op de voeten van mensen. Niet bewust, maar onwillekeurig. Hoe iemand loopt, vertelt iets over wat er van binnen gaande is. In de oncologie zie ik dat dagelijks: de lichte tred van wie hoop heeft, de slepende pas van wie op is. Maar sommige voeten herinner ik me beter dan andere. De voeten van Van Loon bijvoorbeeld, de man die me leerde hoe dodelijk afstand kan zijn.
Toen de eerste lockdown kwam, viel de oncologiepoli stil. De stoelen in de wachtkamer stonden keurig te wachten op patiënten, maar bleven leeg. De lucht was doordrenkt van ontsmettingsmiddel, er hing een nerveuze rust. De koffiemachine piepte af en toe, alsof hij vergat dat er niemand meer kwam. Wij zaten verspreid over lege spreekkamers, elk met een telefoon in de hand, onze wereld verkleind tot geluid. Wat we niet konden zien, moesten we maar horen. De zorg was altijd tastbaar geweest, een hand op een schouder, een blik die genoeg zei, maar nu moest ik vertrouwen op woorden. En woorden, dat leerde ik snel, kunnen bedriegen.
Van Loon was een van die stemmen aan de andere kant van de lijn. Vijfenzestig, uitgezaaide darmkanker. Een man met overgewicht, een zachte stem, en een koppige wil om te leven. Hij kreeg chemotherapie in tabletvorm, pillen die hij thuis slikte volgens een strak schema. Iedere drie weken belde ik hem om te beslissen of hij verder mocht. “Hoe gaat het?” vroeg ik. “Goed hoor,” zei hij steevast, elke keer weer. Ik hoorde soms een televisie op de achtergrond, het doffe tikken van bestek, het schrapen van een stoel, de geluiden van een huis waar nog gewoon geleefd werd. “Geen last van misselijkheid?” “Nee, niks.” “En de handen, de voeten?” Dat moest ik vragen, want bij deze behandeling kon de huid openbarsten: het handvoetsyndroom, noemen we dat. “Alles prima,” zei hij. “Geen kloofje te zien.”
Ik geloofde hem. Misschien wilde ik dat ook. In een tijd waarin niemand nog iets wist, klonk zijn zekerheid als iets om aan vast te houden. Meerdere keren schreef ik de pillen telefonisch voor. Zes weken hoorde ik alleen zijn stem. Soms dacht ik zelfs dat ik hem beter kende door de telefoon dan daarbuiten, zijn pauzes, zijn toon, het kleine kuchje dat altijd na het tweede antwoord kwam.
Toen de maatregelen versoepelden, mochten we de patiënten weer ontvangen. Het voelde vreemd, alsof we terugkeerden naar iets dat niet meer helemaal bestond. De gangen waren te licht, de stilte nog niet vergeten. Die ochtend was ik vroeg. De poli rook naar chloor en koffie, en ergens klonk het gedempte piepen van een infuuspomp. Ik controleerde zijn dossier: bloedwaarden goed, gewicht stabiel, behandeling voortzetten. Alles leek in orde, op papier dan.
Ik hoorde hem voordat ik hem zag. Voetstappen in de gang, niet ritmisch maar hortend, alsof iemand de grond niet vertrouwde. Toen ik opkeek, zag ik hem lopen. Zijn lichaam zwaar, zijn armen iets gespreid voor evenwicht. De vloer leek lava; hij bewoog alsof hij elk moment kon verbranden. Eerst dacht ik dat hij verbanden droeg. Maar toen ik beter keek, zag ik het: hij had geen schoenen aan. Alleen sokken, grijs, de randen donker van slijtage. Zijn schouders hingen, zijn ademhaling was hoorbaar, zwaar, alsof elke stap extreem veel moeite koste.
Hij hield zich even vast aan de deur voordat hij binnenkwam. “Gaat wel,” zei hij, zijn stem schor, droger dan ik me herinnerde. Zijn ademhaling vulde de gang, onregelmatig en hoorbaar. Hij liep alsof de grond hem terugduwde. Ik wist niet of ik hem moest helpen of hem zijn waardigheid moest laten behouden, en deed het enige wat ik kon: ik glimlachte en wees naar de stoel. Hij ging zitten, langzaam, alsof zelfs dat een inspanning was. Zijn gezicht was bleek, zijn ogen glansloos. “Hoe gaat het met u?” vroeg ik, automatisch bijna. “Goed,” zei hij, en glimlachte. Een glimlach die trilde, als een dun draadje dat elk moment kon breken.
Opeens zag ik het bloed. Eerst één vlekje, dan nog een. Donkerrood lag er een spoor, verspreid in een lijn van de deur naar zijn stoel. Ik volgde de druppels met mijn blik en voelde mijn maag samentrekken. “Volgens mij niet,” zei ik. “U draagt geen schoenen.” Hij keek naar beneden, alsof hij het zelf pas zag. “Klein wondje,” mompelde hij. Ik vroeg of ik mocht kijken. Hij aarzelde even, trok toen zijn sokken uit. De geur van zalf en bloed hing meteen in de kamer. Onder het slordig vastgeplakte verband kwam de huid tevoorschijn: open, rauw, rood. De voetzolen waren kapotgescheurd, alsof elke stap hem langzaam had uitgehold. Ik zag hoe hij het zelf had proberen te verzorgen: pleisters, watten, tape, haastwerk, wanhopig. “Hoe lang is dit al zo?” vroeg ik. “Een tijdje,” zei hij. “Ik wilde u niet lastigvallen. Als u denkt dat ik niet meer tegen de chemo kan, dan stopt u ermee, toch?”
Daar zat hij, met open voeten en een gesloten blik. Hij had gezwegen uit angst. De pillen waren zijn redding, zijn enige zekerheid. En ik moest hem vertellen dat het niet meer kon. Met chemo kon ik hem misschien redden, maar ik kon hem er ook mee doden. Wonden als deze genezen niet. Ze worden poorten voor wat dodelijker is dan de ziekte zelf. En zonder behandeling zou de kanker groeien. Er was geen juiste keuze. Alleen een verkeerde, die iets langer duurde.
Na overleg met de oncoloog besloot ik dat we moesten stoppen. Ik legde het hem uit, zo rustig mogelijk, maar de woorden kwamen niet binnen. “Ik wil niet doodgaan,” zei hij. Niet smekend, maar vastbesloten, alsof het een beslissing was die hij kon weigeren. “Ik weet het,” zei ik, maar mijn stem klonk vreemd. Alsof ik iemand anders hoorde spreken. Hij keek naar zijn voeten, naar wat ervan over was, en knikte langzaam. De stilte die volgde was zwaarder dan woorden.
We verwezen hem naar de wondverpleegkundige. Zij zou de wonden behandelen tot ze genezen waren.
Een paar dagen later hoorde ik van haar hoe het met hem ging. Ze had hem nog maar net gezien. “Hij zei dat het allemaal wel meeviel,” vertelde ze, “maar toen ik de verbanden losmaakte, trok de huid zowat mee. De wonden lagen open tot in de diepte.” Ze zweeg even, alsof ze het beeld nog voor zich zag. “Wat me bijbleef,” zei ze toen, “is dat hij lachte. Zelfs toen ik de zalf aanbracht, zei hij dat het wel weer goed zou komen.” Haar woorden bleven hangen, zwaarder dan ik wilde toegeven. Ze gaven me een beeld van wat ik in die weken had gemist: wat er gebeurde achter de telefoon, in een kamer waar niemand keek.
Een paar dagen later belde ik haar opnieuw. “Hoe erg is het?” vroeg ze. “Erg,” zei ze. “Tot in de diepte open. Dit gaat lang duren.” De weken gingen voorbij. De wond bleef ontstoken. Soms sprak ze hem nog. “Het komt wel goed,” zei hij. “Ik smeer, ik verbind.”
Na drie maanden kreeg hij weer pijn. We maakten een scan. De ziekte was terug, groter dan voorheen. Tijdens het gesprek over de uitslag zat hij tegenover ons, zijn blik op de grond gericht. “Dus het is klaar?” vroeg hij. Ik knikte. “Dan had ik toch liever die pillen gehad,” zei hij. Daarna keek hij me aan, en voor het eerst leek hij niet boos of bang, maar gewoon moe. Een paar weken later las ik het bericht van de huisarts: Patiënt overleden. Thuis, rustig ingeslapen. Ik bleef er nog even naar kijken, alsof de letters konden veranderen als ik maar lang genoeg wachtte.
Het werk ging door. Nieuwe namen, nieuwe stemmen, nieuwe hoop. Maar het beeld bleef hangen: de man zonder schoenen, de bloedvlek op de vloer, de geur van zalf. Soms denk ik dat ik zijn voetstappen nog hoor, zacht en slepend in de gang, alsof hij nog één keer probeert vooruit te komen. Tijdens een overleg zei de wondverpleegkundige eens: “Als we hem hadden kunnen zien, was het anders gelopen.” En elke keer als ik dat geluid meen te horen, weet ik weer wie hij was, de man die me leerde hoe dodelijk afstand kan zijn.
Verantwoording
Deze reportage is gebaseerd op gesprekken met de hoofdpersoon, een verpleegkundig specialist oncologie, en op een reconstructie van de gebeurtenissen op locatie. De wondverpleegkundige, die destijds bij de behandeling betrokken was, werd als tweede bron geïnterviewd. De namen en persoonlijke details zijn gewijzigd ter bescherming van privacy.