Wordt de mens een machine of de machine een mens? ‘Ze groeien naar elkaar toe’

Pete Linforth via Pixabay

Kunstmatige intelligentie dringt steeds dieper door in ons dagelijks leven. Waar eindigt de mens en begint de machine?

Uit de nieuwste AI-monitor van marktonderzoeksbureau Newcom blijkt dat het aantal Nederlanders dat AI in het dagelijks leven gebruikt in één jaar tijd is gestegen van circa 5 miljoen naar 7,2 miljoen. Ongeveer een kwart van de gebruikers zou niet meer goed zonder AI kunnen. Ook de AI-barometer van marktonderzoeksbureau MSI-ACI laat een duidelijke verschuiving zien: ChatGPT ontwikkelt zich van ‘zoekmotor 2.0’ naar ‘persoonlijke assistent’ die alsmaar meer verweven raakt met ons dagelijks leven. Leidt de toenemende integratie van AI ertoe dat de mens steeds meer machine wordt, of wordt de machine steeds meer mens?

“De Franse verlichtingsfilosoof Julien Offray de La Mettrie schrijft in de achttiende eeuw al in zijn boek L’Homme machine dat de mens niet wezenlijk van een machine verschilt”, reageert wijsgerig antropoloog Rutger van Eijken. “In die periode ontstond het geloof in een maakbare samenleving. Mensen gingen allerlei automaten bouwen, waarvan de mechanische eend van Jacques de Vaucanson een van de bekendste voorbeelden is.”

“La Mettrie toonde in zijn werk al aan dat we alles kunnen maken wat we willen als we goed nadenken. Daarom denk ik dat er steeds meer aan de mens gesleuteld kan worden. Dus de mens wordt steeds meer machine en de machine wordt steeds meer mens. Ze gaan naar elkaar toegroeien.

Technische optimalisatie van ons leven

“Dat de mens een machine wordt, houdt in dat we ons leven steeds meer optimaliseren aan de hand van techniek. In zekere zin hebben we dat altijd al gedaan. Mensen die niet kunnen lopen zitten in een rolstoel en mensen die slecht zien dragen een bril. Zelfs het aantrekken van een jas wanneer het koud is, kan worden gezien als een vorm van techniek.

“De opkomst van kunstmatige intelligentie heeft deze ontwikkeling versneld. Tot op heden moest alle techniek door de mens worden bedacht, maar nu vindt de techniek zichzelf uit. Het is een zelfstandige ontwikkelstroom geworden. Daarom verwacht ik dat AI steeds meer mensen gaat verdrijven, zoals de lopende band de arbeider voor een deel heeft verdreven.

“Wanneer mensen zich minder in hun werk kunnen uitdrukken, neemt het gevoel van vervreemding toe, een verschijnsel dat de Duitse filosoof Karl Marx al beschreef. Als machines voor ons gaan werken, wat moeten wij dan nog doen? Dat wordt een grote zingevingsvraag.

Machines komen naar ons toe

“Dat machines menselijker worden, betekent dat ze niet langer in fabrieken staan, maar naar ons toe komen. Hierdoor krijgen ze menselijke eigenschappen. Denk aan robots die mensen verzorgen. Tijdens mijn bezoek aan Japan afgelopen zomer kwamen robots bovendien bestellingen opnemen en brengen, waardoor het menselijk contact letterlijk uit restaurants verdwijnt.

“Daarnaast wordt ons contact met robots steeds menselijker. Wanneer je ermee in gesprek gaat, krijg je adequate antwoorden terug. Ik merk zelf ook dat ik steeds menselijker tegen mijn eigen besturingssystemen begin te praten, bijvoorbeeld door Siri in de auto niet te commanderen, maar te vragen om Marco Borsato via Spotify af te spelen. Ik zei zelfs automatisch ‘dankjewel’, totdat iemand me erop wees dat zulke beleefheidswoorden onnodig veel energie kosten. Daarom moeten we uitkijken dat we machines niet te menselijk gaan behandelen.

“Aan de andere kant merk ik vanuit mijn werk als stadsdeelmanager bij de gemeente Eindhoven dat mensen weer meer menselijk contact zoeken. Dat houdt in dat ze samen soep gaan koken en eten, workshops volgen of bij elkaar zitten om te breien, in plaats van een trui te kopen die gemaakt is door een machine. In die zin kunnen mens en machine naast elkaar bestaan en elkaar aanvullen. Tegelijkertijd is er ook een groep mensen die alleen nog via een headset of scherm contact heeft met anderen en niet meer een-op-een, waardoor menselijk contact steeds vaker door technologie wordt bemiddeld.”

Contact en intimiteit aan inflatie onderhevig

“We gebruiken technologie ook deels om fysieke afstand te overbruggen”, zegt politiek filosoof Remko van Broekhoven. “Toch is het fenomeen contact en intimiteit zelf aan inflatie onderhevig. Mijn dochter van zestien is verslingerd aan haar telefoon. Dat leidt meestal niet tot een nadrukkelijker contact met ons of met andere jongeren. Integendeel, het verwatert.”

“Volgens de Canadese mediafilosoof Marshall McLuhan zijn media, waartoe we in de huidige context ook machines, robots, AI-systemen en taalmodellen kunnen rekenen, verlengstukken waardoor we contact met elkaar en met de wereld maken. Op een gegeven moment kun je je echter afvragen of wij door ons voortdurende schermgebruik niet de verlengstukken van machines worden.

Een spier die je moet blijven trainen

“Ik weet niet of mens en machine ooit helemaal in elkaar overgaan, maar ze gaan steeds meer op elkaar lijken. Als we menselijk contact, ten goede en ten kwade, als iets puur virtueels gaan beschouwen dat achter een scherm kan plaatsvinden in plaats van in levenden lijven, dan zullen we er achtelozer in worden. Intimiteit is als een spier die je moet blijven trainen, anders wordt hij slap. In die zin gaan we dus meer op machines lijken die geen werkelijke intimiteit, liefde of fysiek contact in zich hebben.

“Tegelijkertijd kunnen machines, zeker in robotvorm, de indruk wekken dat je met een mens te maken hebt. In de serie Black Mirror worden scenario’s geschetst waarin robots nauwelijks van mensen te onderscheiden zijn. In de praktijk is deze ontwikkeling al zichtbaar, bijvoorbeeld bij telefoongesprekken met bedrijven en organisaties, waar kunstmatige intelligentie steeds vaker wordt gebruikt. Het is daarom niet ondenkbaar dat we ook in de openbare ruimte met robots te maken zullen krijgen die voor mensen worden aangezien.

“Je zou je kunnen afvragen wat dat uitmaakt, maar persoonlijk heb ik niet het gevoel dat we daarmee vooruitgaan. Om Martin Luther King te parafraseren: ofwel we leren als broeders samen te leven, ofwel we gaan ten onder als dwazen. Wat we doen met de machines die we ontwerpen en de manier waarop we mensen eraan onderwerpen, neigt naar dat laatste.”

We krijgen vanzelf een tegenbeweging

Van Eijken: “Gelukkig blijven mensen kritisch naar hun leefomgeving. Niet iedereen doet dat, maar de meesten wel. Er zijn bijvoorbeeld mensen die technologie helemaal omarmen, maar er zijn ook mensen die hun telefoon wegdoen omdat ze een natuurwezen willen blijven. Anderen kiezen voor een eenvoudig exemplaar, zoals een Nokia 3210, zonder apps die hen afleiden. Zo krijgen we vanzelf een tegenbeweging van mensen die zich niet op de kop laten zitten door AI, maar bewust kiezen om er niet in mee te gaan. Dat is hoopvol.”

Van Broekhoven: “Onder wetenschappers op universiteiten en hogescholen ontstaat inderdaad verzet. Maar het zou een veel publieker debat moeten zijn, want dit is gewoon een van de grote vraagstukken van de toekomst.

“Er is een langetermijnvisie nodig om het nog in goede banen te leiden. Dat bekent dat we, naar aanleiding van een goed geïnformeerde discussie met standpunten van alle verschillende kanten, samen in een democratie gaan uitmaken wat de scenario’s zijn en wat we willen. Daaruit horen vervolgens beslissingen voort te komen die de wil van de meerderheid van de bevolking weerspiegelen.

“Nu wordt het eigenlijk achter onze rug om bepaald door mensen die er creatief gezien heel opgewonden van raken en er veel geld aan verdienen, samen met machthebbers als Donald Trump die kunstmatige intelligentie graag willen inzetten. Het is bijna een militair-industrieel complex.”

Luister ook: