
‘’Ik laat het los, maar ik laat het niet achter’’
15 november 2025 door Lieke Queens
Daar staan we dan op het vliegveld van Cochabamba in Bolivia. Een klein vliegveld, een galmende ontvangsthal met de lichte chaos van koffers en reizigers. Op de achtergrond klinkt muziek van een bandje dat net iets te vals speelt om charmant te zijn. De lucht ruikt naar een mix van benzine en verse broodjes.
Op zoek naar een kleine, blonde vrouw tussen alle Bolivianen lijkt ons niet de moeilijkste opdracht ooit. Daar staat ze, Anna Haarman, met een brede lach op haar gezicht naar ons te zwaaien. ‘’Kom, we gaan snel naar huis.’’ De komende nachten mogen we bij haar slapen. We stappen in het busje dat kraakt aan alle kanten en ook het schakelen gaat erg stroef. De auto’s onderweg snijden elkaar af, geven geen richting aan en denken overal voorrang te hebben. ‘’Je went eraan’’, vertelt Anna terwijl ze lacht om hoe wij onze ogen uitkijken.
Terwijl we de bergen inrijden vertelt ze over wat we allemaal gaan doen komende dagen. De poort schuift langzaam open en Anna rijdt naar haar huis. Ze woont in een bewaakte wijk, omdat het voor haar anders niet veilig is om in zo’n stad te wonen.
Aangekomen bij haar huis voelt het alsof we binnenstappen bij onze oma. Het ruikt naar verse koffie en er staat al een heel ontbijt voor ons klaar. Het interieur is sober, maar door de persoonlijke foto’s van Anna en haar positiviteit voelt het heel warm. Het is zo’n gek gevoel om jezelf aan de andere kant van de wereld zo snel thuis te kunnen voelen.
Anna vraagt hoe onze reis tot nu toe is en Annely kan haar enthousiasme niet onderdrukken. ‘’Geweldig’’, benadrukt ze dan ook en ze vertelt hoeveel we al hebben gezien en gedaan. Veel tijd om te praten is er niet. Nog geen uur later rijden we weer door de stoffige en hobbelige wegen van Cochabamba.
Een telefoontje dat alles veranderde
Via haar zwager is Anna in Bolivia terecht gekomen. Ze zegt het alsof het de normaalste zaak van de wereld is. “Ik wilde niet langer zo doorleven in Nederland”, vertelt ze. Even is het stil. “Ik wilde wat beters doen in mijn leven dan alleen maar werken. Ik was 35 en ik had een vaste baan, ik was die zo zat. Ik had altijd al het idee dat ik dat niet mijn hele leven wilde blijven doen. Mijn zwager vroeg toen waarom ik zijn tante niet op zou bellen. ‘Waarom jouw tante?’, zei ik toen. Zij werkte dus in een kindertehuis in Bolivia, Salomon Klein.’’
Als Anna in Salomon Klein aankomt, is de impact overweldigend. Ze vertelt het alsof ze het moment weer opnieuw beleefd. “Ik stapte daarbinnen en ik wist het direct: dit is het”, zucht ze. “Ik was helemaal gegrepen. Die kinderen. Zoveel kinderen en ook die baby’s. Och Jezus. Het greep me helemaal.” Ik hoor in haar stem dat het haar nog steeds wat doet. In het weeshuis Salomon Klein verblijven de kinderen maximaal tot hun zesde, in afwachting van adoptie, met enkele oudere gehandicapte kinderen als uitzondering.
‘’Het is zo raar om te beseffen dat deze kinderen allemaal geen ouders hebben en eigenlijk wachten totdat ze worden geadopteerd’’, zegt Annely terwijl ze rondkijkt, ze is onder de indruk. De kinderen nemen ons meteen mee naar de tuin, waar we bladeren gaan zoeken. Hoe deze kinderen zo fanatiek bladeren gaan zoeken, zo vrolijk rondhuppelen en ons hand in hand overal mee naartoe nemen, zorgt ook bij ons voor een lach op onze gezichten.
Tegelijkertijd vindt Annely het ook heel interessant. Als basisschool juf vindt ze het leuk om te zien hoe de kinderen daar les krijgen. In de Montessorischool krijgen de kinderen les, dit is allemaal binnen dezelfde muren. De kinderen komen eigenlijk nooit buiten deze muren.
De groei van projecten
De armoede die Anna ziet als ze in Bolivia aankomt, is schrijnend. Het contrast met Nederland kan niet groter zijn. Na een aantal jaar op en neer reizen tussen Nederland en Bolivia besluit Anna in Cochabamba te blijven. De projecten beginnen zich al snel op te stapelen. Samen met de Nederlandse stichting Aity pakt ze verschillende projecten op.
Ze ontmoet een Spaanse priester en lacht bij het terugdenken aan hun ontmoeting. ‘’Hij zei: ‘Jij komt uit Nederland, dus je weet heel veel van tuinbouw af.’ Ik zei: ’Nou helemaal niet! Ik weet helemaal niks van tuinbouw af!’’ Voor dit project dient Anna een aanvraag in bij een Nederlandse organisatie voor een tuinbouwproject. Met dat geld hebben ze de kassen gebouwd.
De geur van Plátanos
We gaan ook langs een van haar andere projecten. Het is vakantie en dus is het wat rustiger op de Comedor. Het is een kleurrijke plek waar kinderen na school opgevangen worden. Ze krijgen hier bijles en mogen hier eten. De eetzaal is gebouwd met hulp van een school uit Utrecht.
Na een rondleiding zegt Anna: ‘’En nu aan het werk’’. Ze wees naar buiten. “Ties, jij hebt geluk. Voor jou heb ik een zwaarder klusje buiten in de tuin, er moet wat gesjouwd worden.” Ze kijkt naar ons. “Jullie mogen naar Marianne. Tijd om het eten voor te bereiden.”
De klamme lucht in de keuken vult zich met de zoete geur van een fruitsoort die we niet helemaal kunnen plaatsen. Marianne staat geconcentreerd fruit te wassen. Ons Spaanse vocabulaire voelt plots even dun als de pannenkoek die Marianne even later aan het bakken is.
Annely gebaart wanhopig met haar armen, een halve maan vormend. “Dónde están … uhm … Bananas?” Marianne kijkt ons met een vragende blik aan. Ze antwoordt in een vloed van Spaanse woorden in de hoop dat we hier en daar wat kunnen begrijpen. Met een streepje bereik proberen we het woord bananen op te zoeken. Plátanos is het woord dat we zoeken. ‘’Aahhh los Plátanos!’’, eindelijk snapt Marianne wat we bedoelen.
We moeten ook een mes hebben. Hoe vragen we waar de mesjes liggen? Ik steek mijn hand uit en begin wild een snijbeweging in de lucht te maken. Annely en ik komen niet meer bij van het lachen, dit heeft niets meer met koken te maken. Het lijkt eerder op een improvisatieshow. Marianne lacht vrolijk met ons mee. Ook met de meest rare verzonnen Spaanse woorden, de maaltijd moet er komen.
Spelen zonder woorden
De kinderen zijn klaar met hun les en rennen naar beneden naar de eetzaal. Gillend, kletsend en lachend rennen ze op Anna af. Hun ogen glanzen als muntjes in de zon. Ze begroet de kinderen een voor een en hoewel het ene kind minder verlegen is dan het andere kind, merken we meteen dat ze zich bij Anna allemaal op hun gemak voelen. Dan ineens is het stil. Aan de lange tafels eten de kinderen hun borden snel leeg.
Ties kan wel een beetje Spaans en vraagt aan een jongetje dat naast hem zit hoe hij heet. Annely en ik doen ook ons best, maar daar is dan ook alles mee gezegd. Gelukkig kan spelen zonder met elkaar te praten. En met een bal overgooien? Dat moet ook nog wel lukken. De lach op het gezicht van het jongetje die de bal teruggooit, zegt meer dan duizend woorden.
De weg omhoog
Voordat Anna in de Comedor aan de slag gaat, krijgt ze ruzie met de zusters in Salomon Klein. Ze is veel te druk met alle projecten en ook al is het een moeilijke beslissing, ze moet stoppen bij het weeshuis. Anna besluit een blauw busje te kopen en ze gaat helpen bij de Campo, de bergdorpen. ‘’Het werk ging vanzelf, er kwamen mensen op mijn pad, de hulp stroomde toe en de projecten werden groter. We kregen veel geld van Stichting Hand om internaten te bouwen in de bergdorpen.’’
De kleine, blauwe bus overleeft het zware werk niet lang. “Op een gegeven moment schoot er een wiel af en hij kreeg mankementen”, zegt Anna. Ze vraagt de inmiddels overleden Nederlandse pater Theo Raaijmakers om hulp. “Hij had contact met de organisatie MIVA, van de kerk uit, in Brabant. Hij zei: ‘Schrijf maar een verhaal over wat je doet, dan stuur ik het wel door met een aanbeveling erbij.’ Het werd gehonoreerd!”
De MIVA schenkt een Toyota busje, later ingeruild voor een Nissan busje. “Daar was ik heel erg blij mee, want daardoor kan ik veel makkelijker de bergen inrijden en de mensen helpen. Je kan geen rammelbakken hebben daarboven, stel je voor dat in één keer de boel begint te haperen of er vliegt een wiel van de auto af.’’
De volgende dag is het tijd voor een roadtrip door deze bergen. Ties neemt het stuur over en achter ons wordt de stad Cochabamba steeds kleiner. De stad verdwijnt als een vlek in de verte. De brede wegen veranderen in dunne bergpaden. De wind snijdt langs de kale grond en op het puntje van een berg tussen de gletsjers en de grassen van het toendraklimaat lunchen we. Voor Anna is het een zeldzaam moment van rust, het voelt voor haar als een vakantiedagje, zeker nu Ties rijdt.
Onderweg komen we veel mensen tegen, velen leven in armoede, diep in de bergen. Ze wonen in huizen die nauwelijks beschermen tegen de koude lucht. We delen dekens, speelgoed en bananen uit. Een warme deken wordt dankbaar aangenomen. Als we stoppen bij een moeder met haar zoontje, pakt Anna een plastic dinosaurus uit de bus. Zijn gezicht verandert meteen. Het neutrale gezicht maakt plaats voor een lach van oor tot oor. Het is een heel puur moment en het bewijs van hoe zoiets kleins, zoveel met deze mensen doet.
Tussen vertrouwen en teleurstelling
Na al die jaren voelt Cochabamba nog steeds niet helemaal als thuis. “Ik voel me wel altijd een buitenlander en ik heb soms ook het gevoel dat ik altijd extra gepakt wordt als buitenlander”, geeft Anna toe. “Oh, dat is een gringa, die kan wel wat betalen.” Anna heeft veel gegeven, maar daar wordt soms ook misbruik van gemaakt.
Voor het eten moeten we nog snel medicijnen afgeven bij een ernstig zieke jongen. Het huis waar hij in woont, is nauwelijks een huis te noemen. ‘’Het is meer een kiphokachtige toestand.’’ De jongen zit in een rolstoel, maar komt amper vooruit op de hobbelige, niet-verharde wegen rondom zijn ‘huis’. Met een neergeslagen hoofd bedankte hij Anna voor de medicijnen.
‘’Zijn familie zei dat hij longkanker had. Longkanker! Dat hij naar een speciale kliniek ging en een dure behandeling nodig had. Toen heb ik de social worker gebeld en bleek het niet waar te zijn. Hij was gewoon thuis in dat kippenhok en de familie had dat opgezet om geld te krijgen. Ze hadden eerder ook al een gedoneerde rolstoel verkocht, toen heb ik een nieuwe gebracht. Nu heb ik er afstand van genomen. Ik kan die mensen niet meer helpen, want ze bedriegen mij. Dat is het ergste.’’ De frustratie van het werk is voelbaar. Het is een echte teleurstelling, juist omdat haar eerste reactie altijd is om te helpen, wie het ook is.
Na bijna 30 jaar lang zorgen voor iedereen, is het tijd om voor zichzelf te gaan zorgen. Haar lichaam begint tegen te werken. Ze valt van de trap, één verkeerde stap, waarmee ze een paar wervels breekt. Van die val merkt ze nog steeds de gevolgen. Bovendien loopt ze steeds moeilijker, omdat ze meer last heeft van haar knieën. Ze zucht en vraagt: ‘’Wat als ik een operatie nodig hebt?’’ Anna is hier niet goed verzekerd en ze wordt over een paar jaar 67, de AOW-leeftijd. “Ik vind dat mijn project af is”, besluit ze, maar het moet absoluut blijven zoals het is benadrukt ze.
Een project dat blijft leven
De school Bolivia Holanda ziet dit jaar de eerste groep studenten afstuderen van de middelbare school, dat is echt een ‘happening’. “Ik denk dat ik wel een steentje bij heb gedragen”, reflecteert ze. Soms komen mensen naar haar toe, herkennen haar en omhelzen haar. “Een man kwam naar me toe, hij zei: ‘Jij hebt mij vroeger heel veel geholpen. Je hebt ons alles gegeven.’ Ik kon het me niet herinneren, maar ik moest bijna huilen. Wat fijn dat iemand mij zo kan herinneren op zo’n mooie manier.” Haar stem breekt een beetje. Het ontroert haar het meest wanneer ze hoort van jonge mensen uit moeilijke situaties die goed terecht zijn gekomen. “Dat je fysiek voelt: goh, iemand die heeft daarvan geprofiteerd en die is er goed uitgekomen. Mooi, goed gedaan, denk ik bij mezelf.”
Terug naar waar het begon
Het afscheid valt zwaar. “Het moeilijkste zijn de mensen die ik elke dag help, die het gewoon echt heel arm hebben. Die elke dag komen. Dat vind ik het moeilijkste”, zegt ze gevolgd door een moment van stilte. Ze heeft het personeel ingelicht, die geschrokken reageerden. ‘’Tegen veel mensen vind ik het echt nog te moeilijk om het te vertellen’’, legt Anna uit. “Er is niemand die het over gaat nemen als hoe ik het deed, niemand is zo gek is als ik”, lacht ze toch wel een beetje trots.
In Nederland wil ze terug naar de boerderij waar ze opgroeide om daar een containerwoning te bouwen met het geld dat ze uit haar Boliviaanse huis haalt. “Ik vond fietsen leuk en de steden prettig. Alles is zo mooi en zo mooi groen allemaal.”
Na een etentje en een laatste stop bij de Cristo, het enorme standbeeld van Cochabamba, brengt Anna ons naar het vliegveld. Het chaotische vliegveld met dit keer het ontbrekende bandje, dat eigenlijk toch wel voor sfeer zorgde. Het kleine vliegveld waar Anna over een tijdje ook het vliegtuig naar Nederland pakt. ‘’Maar als het kan, kom ik terug hier. Ik laat het los, maar ik laat het niet achter.’’





