Een kwestie van teruggeven?

Erfgoedmuseum Allard Pierson heeft aangegeven zijn gehele collectie te willen doorlichten. Van de in totaal 19.000 objecten wilt het de herkomst weten. Het museum wil de hoogste ethische standaarden hanteren. Sinds het advies van de commissie Gonçalves in 2020 tonen steeds meer musea bereidheid om de herkomst van voornamelijk koloniale objecten te onderzoeken. Hoe verloopt zo’n onderzoek eigenlijk en is het reëel om te stellen om 19.000 objecten te onderzoeken?

In Nederland zijn er verschillende musea die een groot aantal objecten bezitten uit de koloniale tijd. De grootste collecties zijn te vinden in Museum Bronbeek in Arnhem waar objecten uit de tijd van Nederlands-Indië liggen, het Rijksmuseum in Amsterdam en het Nationaal Museum van Wereldculturen, wat zich onder meer in Amsterdam, Rotterdam, Leiden en Berg en Dal bevindt. Het is echter moeilijk te achterhalen hoeveel objecten er precies in Nederlandse musea hier onrechtmatig terecht zijn gekomen. Ook is het zo dat veel objecten uit die tijd zich in privécollecties bevinden, wat het dus moeilijker maakt om het te onderzoeken. Een andere lastige kwestie kan voorkomen als een object ooit is gegeven als cadeau, bijvoorbeeld van een plaatselijke heerser die iets geeft aan zijn bezitter.

Het proces

Herkomstonderzoek naar koloniale roofkunst is een complex proces dat niet alleen specialistische kennis vereist, maar ook zorgvuldige afwegingen over hoe dit onderzoek moet worden uitgevoerd. Mirjam Shatanawi, docente erfgoedtheorie aan de Reinwardt Academie, benadrukt het belang van een holistische benadering: “In mijn ervaring krijg je het rijkste beeld als je alle bronnen bekijkt.” Voor haar is gelijkwaardige samenwerking tussen herkomstlanden en ontvangende landen essentieel, waarbij beide partijen zeggenschap hebben in het proces. Pieter ter Keurs, hoogleraar Musea, Collecties en Samenleving bij de Universiteit Leiden en directeur van het LDE Centre for Global Heritage and Development, heeft een iets andere kijk en vindt dat hoewel het idee van gelijkheid sympathiek is, het niet altijd noodzakelijk is. Volgens hem is het belangrijker dat herkomstonderzoek wordt uitgevoerd door deskundigen die toegang hebben tot de juiste informatie en archieven.

Wat betreft het besluitvormingsproces over teruggave, stelt Shatanawi dat dialoog tussen de betrokken landen van groot belang is. Dit zou ervoor moeten zorgen dat beide partijen gelijkwaardig betrokken worden en dat een beleid wordt opgesteld dat hun gedeelde belangen weerspiegelt. Ter Keurs sluit zich hierbij aan, maar voegt toe dat er in de huidige discussie te weinig aandacht is voor de gemeenschappen van wie de voorwerpen oorspronkelijk afkomstig zijn. “Waarom gaan teruggegeven voorwerpen vaak naar een nationaal museum en niet naar de nazaten van de vroegere eigenaren?” Hij wijst erop dat nationale overheden vaak geen goede relatie hebben met minderheden binnen hun eigen land, waardoor de teruggave niet altijd de juiste bestemming bereikt. Ook Shatanawi vindt dat er vaker aandacht moet zijn voor het teruggeven aan personen, in plaats van landen: “Over families wordt nog weinig nagedacht. Die kunnen zonder te weten opeens familiestukken terugzien in een museum in de hoofdstad.”

Wat betreft de vraag of teruggave altijd het einddoel moet zijn, zijn beide experts het erover eens dat dit niet per se het geval is. Ter Keurs wijst erop dat zelfs voormalige eigenaren vaak tevreden zijn als de voorwerpen in Europa blijven, zolang ze maar met respect worden behandeld. Dit creëert ruimte voor andere vormen van samenwerking, waarbij uitwisseling van voorwerpen kan bijdragen aan de opbouw van een band tussen culturen. Shatanawi beaamt dit, en benadrukt dat het belangrijk is dat musea in ontvangende landen op een transparante manier communiceren over de herkomst van objecten, zelfs als die niet worden teruggegeven.

De kritiek dat herkomstlanden vaak niet de middelen of infrastructuur hebben om kunstobjecten goed te conserveren, wordt door beiden als paternalistisch en neokoloniaal gezien. Ter Keurs verwerpt dit argument volledig en stelt dat het onterecht is om te suggereren dat herkomstlanden niet voor hun erfgoed kunnen zorgen. “Veel landen hebben nu goede musea, en zelfs als een voorwerp ritueel vernietigd moet worden, is dat hun beslissing. Het is niet aan ons om op te leggen hoe ze met hun erfgoed omgaan.”

Volgens Shatanawi klopt het argument dat sommige musea de infrastructuur niet bezitten om objecten goed te kunnen conserveren. Echter vindt zij dat het aan de landen zelf is om te bepalen of zij dat kunnen. “Misschien dat Nederland zelfs ondersteuning kan bieden bij het verbeteren van de infrastructuur.”

Teruggave kan ook bijdragen aan het helen van oude wonden, zowel tussen landen als binnen gemeenschappen. Ter Keurs noemt als voorbeeld de teruggave van veel Maori-objecten aan Nieuw-Zeeland, wat heeft geleid tot wereldwijde samenwerkingsprojecten. Of zulke acties altijd leiden tot volledige verzoening, blijft echter een open vraag.

Shatanawi werpt een kritische blik op de haalbaarheid van het onderzoeken van grote museale collecties. Het Allard Pierson Museum heeft aangekondigd haar collectie van 19.000 objecten te willen onderzoeken, maar volgens haar hangt de diepgang van het onderzoek af van wie de verzamelaars waren en welke bronnen worden gebruikt. Ter Keurs voegt toe dat het niet altijd mogelijk is om elk object grondig te onderzoeken, en dat er prioriteiten gesteld moeten worden om een evenwichtige en diepgaande analyse te maken van het erfgoed dat in de collecties aanwezig is.

Allard Pierson

Het erfgoedmuseum Allard Pierson in Amsterdam gaf in februari 2023 aan onderzoek te willen doen naar de herkomst van alle objecten in hun collectie. De aanleiding betrok meerdere teruggaveverzoeken vanuit Italië. Het betrof archeologische vondsten waaronder een Siciliaanse pyxis (te zien op de foto), waar tijdelijk een kleine tentoonstelling over werd gehouden. De gehele collectie van het Allard Pierson bedraagt maar liefst 19.000 objecten. Shatanawi werpt een kritische blik op de haalbaarheid van het onderzoeken van grote museale collecties. Volgens haar hangt de diepgang van het onderzoek af van wie de verzamelaars waren en welke bronnen worden gebruikt. Ter Keurs voegt toe dat het niet altijd mogelijk is om elk object grondig te onderzoeken, en dat er prioriteiten gesteld moeten worden om een evenwichtige en diepgaande analyse te maken van het erfgoed dat in de collecties aanwezig is.

Het Allard Pierson zegt in de periode 2023-2027 onderzoek te willen doen naar de herkomstgeschiedenis van de archeologische collecties. Het museum wil over zoveel mogelijk van de 19.000 objecten te weten komen over de herkomst, maar over veel van deze objecten is niets of weinig bekend. Om deze reden is het leidend voor een onderzoek dat het object een traceerbare herkomstgeschiedenis heeft. De onderzoeken gaan plaatsvinden dankzij samenwerking met de Universiteit van Amsterdam. Ook wordt er gewerkt aan een samenwerkingsovereenkomst met het Italiaanse Ministerie voor Cultuur. Dit is een unieke overeenkomst, omdat het weinig voorkomt dat er naast teruggaven ook wordt gewerkt met bruiklenen en samenwerking op gebied van onderzoek en presentatie, aldus het museum.

Andere musea

Niet alleen het Allard Pierson zegt ‘schoon schip te willen maken’ als het gaat om teruggaven. Musea in Nederland zijn al langer bezig met onderzoeken naar objecten en de herkomst ervan. Het grootste deel daarvan bestaat uit objecten met een koloniale geschiedenis. Nederland heeft in het verleden koloniën en handelsposten over de halve wereld gehad, het is dus niet gek dat er nog steeds duizenden objecten uit die gebieden zich in Nederland bevinden. Zo zegt het Rijksmuseum ongeveer 4500 objecten met koloniale herkomst te bezitten (de totale collectie bedraagt ongeveer een miljoen objecten). Nederlandse musea krijgen de laatste jaren meer verzoeken om teruggaven uit onder meer Indonesië, Nigeria en India. Het advies van de commissie Gonçalves in 2020 zei dan ook dat Nederland er goed aan zou doen om koloniale kunst terug te geven.

Nederlandse musea met koloniale kunst binnen de muren geven hier gehoor aan door onderzoeken te starten naar objecten. Musea geven echter ook aan dat de vraag van herkomstlanden om onderzoek te doen laag is. In deze landen is er meestal weinig bekend over welke spullen überhaupt weg zijn.

Hoe dan ook wacht een tijd waarin we steeds meer gaan zien dat musea bewuster om willen gaan met het verleden door te kijken wat binnen de muren staat, daadwerkelijk hier op de juiste plek is. Het kan voor een voormalige koloniale grootmacht als Nederland goed zijn om te spreken met voormalige koloniën over teruggaven. Niet alleen vanwege de moraliteit, maar ook om banden te herstellen die ooit op een pijnlijke manier zijn verwoest.

https://public.flourish.studio/story/1879887/