De Nederlandse Joost van Houten (34) wordt op 6 december 2022 rond vier uur ’s nachts wakker in zijn appartement in Brussel van wat gerommel buiten. Met zijn net geopende ogen kijkt hij vanuit zijn raam naar beneden. Daar ziet hij een stuk of tien mannen in het zwart gekleed die zijn witte Volkswagen bus aan het inspecteren zijn. Dan wordt er geklopt op de deur. Joost doet open. Een man verteld hem dat hij voor de volgende 48 uur in handen van de politie is. Als Joost vraagt wat er aan de hand is, kan de man niets zeggen. De komende uren zou Joost als verdachte van het verkopen en produceren van synthetische drugs worden verhoord. Het zal voor heel even het leven van Joost op zijn kop zetten. Hij is zelf van geen kwaad bewust, maar gaat toch aan zichzelf twijfelen. Hoe is het om nietsvermoedend verdachte te zijn in een groot drugsonderzoek?
De uit Haarlem afkomstige Joost van Houten werkt destijds als verkoper van vloeitjes in België. Hij woont sinds twee jaar Elsenen, een buurt in Brussel samen met zijn vriendin Floor en goede vriend Bob. Zijn echte naam wil hij liever niet gepubliceerd hebben: “Mensen kunnen toch gaan denken; waar rook is, is vuur.” Door zijn werk rijdt hij soms tot in de nachtelijke uren door de meest louche straten van Brussel en de rest van België. Dit doet hij in zijn witte Volkswagen Transporter busje met Belgisch kenteken, die hij helemaal op eigen hand heeft omgebouwd tot camper. Uitgevoerd met volledig tweepersoonsbed, koffiezetapparaat en zelfs stromend water om mee te douchen reist hij door heel Europa. Wanneer Joost naar Nederland reist om familie te bezoeken krijgt hij al genoeg nieuwsgierige blikken van mensen op straat die een wit busje met Belgisch kenteken zien rijden. “Vooral na de aanslagen in Brussel (toen terroristen gebruik hadden gemaakt van een wit busje) leek ik heel verdacht in mijn bus.” Maar deze keer zal Joost nog nooit eerder zó verdacht zijn geleken.
“Ik werd vaag wakker, midden in de nacht. Buiten hoorde ik gestommel. Vanuit mijn appartement op de derde verdieping keek ik naar beneden. Er stond een stuk of tien man mijn auto te bekijken. Wordt mijn auto nu gestolen? Ik wist niet zo goed wat er aan de hand was. Opeens wordt er op de deur geklopt. Ik loop naar beneden en doe deur open.” “Bent u meneer Van Houten?”, vraagt de man. “Ja”, zegt Joost. “Oké, u bent de komende 48 uur van uw vrijheid berooft”, zegt de man. Joost ziet aan de band om de arm van de man dat hij van de politie is. Op dat moment lopen tien mannen zijn appartement binnen. Ze gaan door alles heen. Joost moet op zijn kamer zijn garderobe laten zien. Waarom hij zijn kleding moet laten zien werd hem later duidelijk. Ook werden zijn computer en telefoon onmiddellijk in beslag genomen.
Joost weet op dat moment nog steeds niet wat de toedracht was van de huiszoeking. “Ik dacht echt, what the fuck gebeurt hier allemaal?” Als hij aan de agenten probeert te vragen waar het voor is, mogen zij daar niks over zeggen. Joosts huisgenoten worden ook wakker van de chaos en komen er bij. Floor, Joosts vriendin, vraagt wat er aan de hand is. Joost weet het ook niet. “Het enige wat ik kon zeggen, is dat ik zweerde dat ik van helemaal niets wist.” Floor en Bob kennen Joost goed, ze wonen daar al twee jaar met z’n drieën. “Maar je gaat op dat moment aan alles twijfelen, heeft mijn partner een dubbelleven geleid?” Zegt Floor achteraf. Joost kijkt zijn huisgenoten met angst in zijn ogen aan; “ik heb echt niks gedaan”. Maar toch ging hij ook aan zichzelf twijfelen. “Wat heb ik de afgelopen tijd uitgespookt?”
Na een paar korte vragen van de agenten aan Joost vraagt hij aan de agenten of hij mee moet naar het bureau. “Zeker”, zegt de agent. “Met handboeien?” vraagt Joost. Met handboeien om zijn polsen wordt Joost in het politiebusje gegooid. Door de duistere verlaten straten van Brussel wordt hij naar het federale hoofdbureau gebracht. Eenmaal aangekomen wordt hij gefouilleerd en moet hij zijn kleren uit doen. Hij wordt in een kleine cel gestopt. Na een paar uur wordt hij verhoord. Voordat de vragen worden gesteld, krijgt Joost een briefje voorgeschoteld waar zijn rechten als verdachte op vermeld staan. Of hij zijn advocaat wil inschakelen, wordt hem gevraagd. “Ik heb niks gedaan, dus waarom zou ik een advocaat inschakelen?”, vraagt Joost. Hij wordt toch geadviseerd dit te doen, en dus belt hij met een advocaat. De advocaat, die net begint aan zijn dag (het is inmiddels zeven uur), vertelt Joost dat hij er naar heeft gekeken. “Ik zie op dit moment niets waar ze je mee kunnen pakken”, zegt de advocaat. Joost geeft de advocaat gelijk. Na het korte telefoongesprek loopt Joost terug de verhoorkamer in. “Zo zo, dat is snel. Zo snel hebben we nog nooit meegemaakt”, merkt een van de agenten op. “Tja mannen, ik heb ook niet zoveel te melden, want ik heb niks gedaan”, zegt Joost. De agenten hebben het cliché in hun hoofd al ingevuld. “Dat zeggen ze allemaal”.
Het verhoor begint met vragen over Joosts inkomen. De zomer van het vorige jaar had Joost namelijk geen geregistreerd inkomen. Dit kwam volgens Joost doordat hij die zomer op een surfkamp had gewerkt in Spanje. Dat inkomen werd op zijn Nederlandse rekening gestort. De Belgische politie kon daar geen inzage van krijgen.
Nog steeds weet Joost op dit moment niet waarvoor hij nu precies wordt verhoord. Eindelijk kreeg hij antwoord op die vraag. Hij zou verdachte zijn in het produceren en verkopen van synthetische drugs.
“Op dat moment kon ik pas een beetje kalmeren van binnen.” Joost weet nu zeker dat hij van iets wordt verdacht waar hij volledig niets mee te maken heeft.
Maar de agenten geven niet op. De Vlaamse politie weet te melden dat hij meerdere keren in zijn busje is gezien door een vrouw in Vlaams Limburg. De vrouw was eigenaar van een lokaal hondenasiel in hetzelfde dorp waar Joost destijds zijn busje had gekocht. De vrouw vertelde dat zij naast een andere verdachte, genaamd Yilmaz, een zekere ‘witte blonde Hollander’ in nette kleding had gezien (Daarom wilde de politie zo graag de garderobe van Joost zien). Toen zij verschillende foto’s voorgeschoteld kreeg van de politie, wees zij tot twee keer aan toe Joost aan. Dat was niet het enige. Joost heeft voor onderhoud een keer zijn busje naar de lokale garage in het kleine Limburgse dorpje gebracht. Blijkbaar hebben de daadwerkelijke daders in die garage de auto van Joost ‘gekloond’, door de kentekenplaat van de bus te kopiëren en die te plaatsen op een witte Volkswagen Transporter waarmee wél criminele activiteiten werden gepleegd.
Joost krijgt ook verschillende foto’s voorgelegd van andere verdachten. Of hij ze kent. Op alle foto’s zegt Joost; “nee”. Dan krijgt hij een foto te zien van wat zijn busje lijkt te zijn. “Dit is toch wel echt jouw busje”, zeggen de agenten. “Ja, dat is inderdaad mijn busje. Ik weet ook niet hoe dat kan”, zegt Joost. Maar als Joost een tweede keer kijkt ziet hij dat de achterdeur van het busje op de foto anders is dan die van zijn busje. Zijn busje heeft namelijk twee losse deuren, geen klep. Een van de agenten kijkt nu ook zijn collega’s aan met een blik van erkenning.
Joost begint de situatie nu ook steeds meer door te hebben. “In het begin overheerste het gevoel van onwetendheid, bangheid en spanning. Je gaat echt over alles nadenken. Waar ben ik geweest? Ben ik in aanraking met iets gekomen zonder dat ik het weet? Je gaat bijna je eigen waarheid verloochenen. Op een gegeven moment kwam de realisatie voor mij wel dat ze echt de verkeerde te pakken hadden, maar toch, ze waren waarschijnlijk al meer dan een jaar bezig met deze zaak. Het lab waar de drugs werden gemaakt was al lang opgerold. Dus ik zat er wel voor een rede.”
Joost wordt door de realisatie wat relaxter en begint te grappen met de agenten. Na in totaal zeven uur te zijn vastgehouden wordt Joost vrijgelaten. Thuis verteld hij zijn verhaal aan Bob en Floor, die ook ontzettend waren geschrokken. In de tijd dat Joost op het bureau zat werd zijn busje voor zijn huis weggesleept. Die was hij twee weken kwijt, net als zijn telefoon.
Omdat hij geen telefoon had kon Joost in die twee weken niet werken. “Dat was eigenlijk wel relaxt”. Toen hij zijn busje weer op ging halen, stonden dezelfde twee agenten van het verhoor hem op te wachten.
“We hebben toch nog een paar vragen voor je, meneer Van Houten”, zeiden de agenten. De rechter-commissaris van de rechtbank in Tongeren was nog niet akkoord met het verhaal van Joost. “We weten nog steeds niet wat je vorig jaar in de zomer heb gedaan. Daarom gaan we je nog een keer verhoren in Limburg, en krijg je een confrontatie met de vrouw die jou heeft aangewezen.” Op dat moment wordt Joost woest: “Sorry, ik vond het een tijdje iets om over te lachen, maar voor mij is het nu echt klaar. Ik kom niet.” Helaas voor Joost had de politie daar geen boodschap aan. Het was nu eenmaal verplicht om mee te werken.
Twee weken later werd Joost voor de tweede keer urenlang ondervraagt over de zomer van het jaar daarvoor. Joost kon haarfijn uitleggen waar hij op welke dag was geweest , dus er was niet zoveel aan de hand. Maar na het verhoor moest Joost oog in oog met de vrouw die tot twee keer aan toe hem had aangewezen als degene die zij destijds had gezien. Joost wist, als zij hem aanwees, was hij de lul. Joost zit in de verhoorkamer met de twee agenten. De vrouw komt binnen gelopen… “Dat is hem niet”, zegt de vrouw.
De vrouw, die eigenaar was van een hondenasiel heeft destijds een man ingehuurd om het asiel te verbouwen. In die tijd is het drugslab opgezet in het asiel. De vrouw heeft altijd gezegd hier niets van af te hebben geweten. Wat is waar en wat is niet waar? Joost mag het weten…