Van tragedie naar komedie: waarom we lachen om erge dingen

In een tijd waarin de wereld lijkt te branden, van Gaza tot Amerika, lijken wij als mensheid nog altijd in staat te zijn om te lachen. Zelfs om de ergste gebeurtenissen. Een onderzoek naar de onvermijdelijke drang om van ellende humor te maken.

Het is avond in Amsterdam, ergens in een klein comedy-café. Op het podium staat een comedian die grappen maakt over de meest recente wereldcrisis. Het publiek lacht ongemakkelijk. Eerst aarzelend, dan voller, alsof ze toestemming krijgen om te doen wat ze eigenlijk al wilden: lachen om het onbespreekbare. In de zaal zitten mensen die dezelfde nieuwsberichten hebben gezien, dezelfde beelden die hen ‘s nachts wakker houden. En toch, of misschien juist daarom, schateren ze om wat eigenlijk niet grappig is.

Die paradox, het vermogen om tegelijkertijd de ernst én de absurditeit van tragedie te zien, is zo oud als de mensheid zelf. Van de oudste Sumerische grappen tot moderne memes over wereldrampen: we lijken gedoemd om zelfs de zwaarste gebeurtenissen uiteindelijk om te zetten naar iets waar we om kunnen lachen. Maar waarom doen we dat? En belangrijker nog: waar ligt de grens van wat acceptabel is?

Grenzen bij comedians

Voordat je leest over de geschiedenis, de maatschappelijke en psychologische aspecten van zwarte humor, luister eerst naar Farbod Moghaddam. Hij vertelt over waar voor hem de grenzen liggen in zijn werk als stand-up comedian.

Van Sumerische grappen tot Romeinse begrafenissen: 4500 jaar zwarte humor

De behoefte om te lachen om het onverteerbare is geen modern fenomeen. Al in 1900 voor Christus circuleerden er in het oude Mesopotamië grappen die we nu als ‘zwarte humor’ zouden bestempelen. De Sumeriërs, die ons de oudst bekende grap ter wereld nalaten, kenden een rijke traditie van humor waarin komische effecten voortkwamen uit ‘paradoxale tegenstellingen’. Precies wat we vandaag nog steeds herkennen in onze donkerste grappen.

Maar het waren de Grieken en Romeinen van de oudheid die humor echt verhieven tot een maatschappelijk fenomeen. De Spartanen, ondanks hun reputatie als harde krijgers, aanbaden zelfs een god van het lachen: Gelos. Voor hen was lachen een van de ‘fundamentele coördinaten van het menselijk bestaan’, naast natuurlijk angst en de dood.

De Romeinen gingen nog verder. Hun begrafenissen waren allesbehalve sombere aangelegenheden. Ingehuurde acteurs maakten tijdens begrafenisstoeten grappen over de overledene, waarbij zelfs keizers niet gespaard bleven van satirische opmerkingen. Deze ‘carnavaleske producties vol leven, vreugde en gelach’ tonen aan dat onze voorouders al begrepen wat wij nu moeizaam herontdekken: dat lachen en rouwen hand in hand kunnen gaan.

Recent archeologisch bewijs onderstreept dit nog maar eens. In Turkije werden 2000 jaar oude mozaïeken ontdekt in een Romeinse latrine, vol met vuile grappen over mythologische figuren. “Badkamerhumor is blijkbaar universeel”, concludeert archeoloog Michael Hoff van de Universiteit van Nebraska. Die eeuwenoude grappen over goden en helden bewijzen dat het bespotten van het heilige diep verankerd ligt in onze cultuur.

De middeleeuwen brachten wat Mikhail Bakhtin de ‘cultuur van populair gelach’ noemde. Tijdens de carnaval keerden gevestigde sociale orden de rollen om: koningen werden narren, armen kregen rijkdom, en zelfs het heilige werd bespot. Deze traditie verhulde op een groteske manier het gebruik dat we nu ‘zwarte humor’ noemen: het omkeren van sociale normen, met het bespotten van macht en autoriteit. 

Nederlandse humor: van rebellie tot rampengrappen

Biografie: Dick Zijp

Dick Zijp (Amstelveen, 1988) is cultuurwetenschapper, universitair docent en humoronderzoeker, gespecialiseerd in Nederlands cabaret, stand-upcomedy en de politieke en maatschappelijke betekenis van humor. Hij promoveerde in 2023 aan de Universiteit Utrecht op een proefschrift over de politiek-esthetische werking van humor in het naoorlogse Nederlandse cabaret en is tegenwoordig verbonden aan het Departement Media- en Cultuurwetenschappen van dezelfde universiteit.

Zijp publiceert regelmatig over humor, cultuur en engagement, geeft les binnen bachelor- en masteropleidingen over media, theater en performance, en trad eerder op als postdoctoraal onderzoeker aan de KU Leuven, waar hij internationaal onderzoek deed naar humorschandalen. Naast zijn academische werk mengt hij zich in het publieke debat als cabaretcriticus en publicist voor onder andere De Groene Amsterdammer, NRC, Theaterkrant en Trouw. Zijn onderzoek werd bekroond met de Christie Davies Award van de International Society for Humor Studies en genomineerd voor de Boekman Dissertatieprijs

Nederland heeft een bijzondere relatie met grensoverschrijdende humor. Cultuurwetenschapper en humoronderzoeker Dick Zijp van de Universiteit van Amsterdam legt uit hoe dit historisch gegroeid is: “In Nederland is er eigenlijk sinds de jaren zestig heel sterk het idee dat het overschrijden van grenzen, en ook het overschrijden van grenzen met behulp van humor, dat dat een soort progressieve kracht is. Een drijvende kracht van maatschappelijke verandering.”

Die revolutie in de jaren zestig heeft onze humorpolitiek blijvend gevormd. “Cabaretiers, maar ook kunstenaars en activisten zijn toen begonnen met het gebruiken van harde grensoverschrijdende humor”, verklaart Zijp. “Dat ging samen met het bespotten van het gezag van de kerk, die toen nog heel veel macht had, van het koningshuis waar je geen grap over mocht maken, maar ook seksualiteit.”

Het waren de drie grote taboes van toen: “seks, het koningshuis en de kerk”, zoals Zijp het samenvat. “Dat soort verzet daartegen met behulp van humor, dat is heel erg deel van onze cultuur geworden. Dat we dat zien als iets wat goed en progressief zou zijn.”

Maar deze traditie botst soms hard met de realiteit van moderne rampenhumor. Na MH17 circuleerden binnen dagen de eerste grappen. Na de coronapandemie volgden memes. En ook nu, terwijl in Gaza een humanitaire ramp zich voltrekt, maken Nederlanders grappen. Soms uit onmacht, soms uit cynisme, maar altijd uit die onvermijdelijke drang om het onbespreekbare bespreekbaar te maken.

Zijp verklaart waarom we überhaupt die drang voelen: “Humor over rampen of ernstige gebeurtenissen; ‘disaster jokes’, zoals ze ook wel genoemd zijn door onderzoekers, dat is natuurlijk heel duidelijk grensoverschrijdend. Daar zit iets spannends in. Want humor is eigenlijk altijd een beetje een balansoefening. Je moet een grens overschrijden, maar je moet ook weer niet te ver gaan. Want dan vinden mensen het niet meer leuk.”

Die balans wordt kernachtig samengevat in de bekende formule: ‘tragedy + time = comedy’. Zijp: “Het idee dat er een beetje tijd overheen moet gaan voor je over een hele ernstige gebeurtenis een grap kunt maken, want anders voelt het nog te dichtbij. Juist bij die rampen is dat natuurlijk vaak heel spannend: wanneer kun je er een grap over maken, en wanneer is het nog te vroeg?”

De digitale revolutie heeft deze dynamiek drastisch veranderd. “Het voordeel van memes, en eigenlijk gebeurt er nu met memes wat er twintig jaar geleden gebeurde met moppen”, observeert Zijp. Vroeger circuleerden bijvoorbeeld na Princess Diana’s dood ‘heel veel harde grappen’ online. “Memes zijn daar eigenlijk een beetje de hedendaagse variant van.”

Het verschil zit hem in de anonimiteit: “Het is vaak heel moeilijk om de oorsprong ervan te achterhalen. En dat betekent ook dat je op een bepaalde manier misschien de verantwoordelijkheid een beetje kunt ontlopen voor wat je zegt.” Dit staat in schril contrast met cabaretiers ‘die op een podium gaan staan en een bekendheid zijn, en daardoor ook vaak wat meer onder een vergrootglas liggen’.

Een recente mondiale maar ook Nederlandse casus illustreert dit perfect: het Coldplay-incident waarbij een CEO tijdens een concert onbewust zijn eigen ontslag veroorzaakte. “Hier voltrok de ramp zich eigenlijk juist door al die publieke zichtbaarheid die er was”, analyseert Zijp. “Juist doordat al die beelden gedeeld werden en doordat er dan grapjes over gemaakt worden, werden ze toch nog meer gedeeld. Vroeger was het zo: eerst gebeurt er een ramp, dan worden er grappen over gemaakt. Maar hier was het andersom: de ramp ontstond door de grappen en de zichtbaarheid.”

De psychologie van het lachen ondanks de tranen

Waarom doen we het? Waarom voelen we die onweerstaanbare drang om te lachen om wat ons eigenlijk zou moeten doen huilen?

Biografie: Sibe Doosje

Sibe Doosje (Bilthoven, 1956) is psycholoog, voormalig universitair docent aan de Universiteit Utrecht en eigenaar van het Humorlab. Hij promoveerde in 2010 op een proefschrift getiteld ‘Sense of humor at work: Assessment and Associations with Health’ over de relatie tussen humor en gezondheid.

Doosje bleef actief tot zijn pensioen in augustus 2022 als universitair hoofddocent aan de Afdeling Klinische en Gezondheidspsychologie van de Universiteit Utrecht, gespecialiseerd in positieve psychologie en humorstudies. In 2010 richtte hij het Humorlab op, waarin hij zijn kennis over de psychologie van humor en positieve eigenschappen beschikbaar stelt via lezingen, workshops en trainingssessies.

“Humor kan eigenlijk niet zonder tragedie”, legt psycholoog en tevens humoronderzoeker Sibe Doosje van de Universiteit Utrecht uit. “Er zijn eigenlijk heel weinig humoristische uitingen die niet te maken hebben met iets wat misgaat. Het heeft altijd te maken met iets wat niet goed gaat.”

Die observatie raakt de kern van onze relatie met zwarte humor. Een klassiek voorbeeld: iemand glijdt uit over een bananenschil en valt. “Dat is grappig, dat is onverwacht. Die persoon staat hopelijk ook weer op. Als die persoon niet opstaat, dan ligt daar natuurlijk wel een grens.”

Doosje wijst op een psychologisch mechanisme: relativering. “Als we dat niet zouden hebben, zou je alles ernstig opvatten. Dan zou je vrij snel in een depressie raken.” Het vermogen om te lachen, vooral om moeilijke omstandigheden, is volgens hem essentieel voor geestelijke gezondheid. “Ik ken niet zoveel mensen die alleen maar serieus zijn, dat komt maar heel weinig voor.”

Het vermogen tot relativering lijken dictators niet te hebben volgens Doosje: “Ik denk dat dictators heel weinig gevoel voor humor hebben. Je moet ook wel, anders kun je geen dictator zijn. Wat belangrijk is, is relativeren. Dat is eigenlijk het psychologische mechanisme. Zelfspot hebben ze niet. Die vinden zichzelf zo belangrijk, grapjes over zichzelf nemen ze altijd heel ernstig op.”

De groepsdynamiek van humor is minstens zo fascinerend. Doosje beschrijft hoe lachen ‘heel aanstekelijk’ is: “Als mensen lachen, werkt het heel snel bij mij om mee te gaan lachen en ook om datgene waar om gelachen wordt leuk te gaan vinden. Dat is zeker groepsdruk. Het is best lastig om te zeggen, terwijl iedereen zit te lachen: ‘Ik ben het hier helemaal niet mee eens’ of ‘Ik vind dit verschrikkelijk’.”

Een verrassend inzicht kwam uit zijn onderzoek naar leeftijdsverschillen. Toen hij kinderen en volwassenen dezelfde ‘funniest home videos’ liet zien, waarin mensen simpelweg vallen of zich bezeren, lachten volwassenen meer dan kinderen. “De kinderen vonden het erger dan de volwassenen. Kinderen zaten meer aan de tragediekant en volwassenen meer aan de humorkant.”

Maar waarom lachen we eigenlijk? “Ik weet niet zo goed waarom dingen leuk zijn”, bekent Doosje eerlijk. “Ik lach er wel om, maar dat vind ik best een mysterie. Ik zie wel dat iedereen het doet, en dat ik het zelf ook doe. Ik heb geen idee wat het evolutionaire nut ervan is.”

Wel benadrukt hij het belang ervan: “Het is een natuurlijke reflex. Lachen speelt een belangrijke rol vanaf dat je heel jong bent. Als een baby na een maand of drie begint te lachen, is dat een heel belangrijk moment voor ouders. Het betekent dat het goed gaat met de baby.”

Waar ligt de grens?

De digitale revolutie heeft niet alleen de verspreiding van humor versneld, maar ook de intensiteit van de reacties erop. Cultuurhistoricus Zijp onderzoekt op dit moment ‘humor-schandalen’. Hij ziet daarin een dramatische stijging sinds de jaren negentig. “In Nederland hebben we gekeken naar de periode van 1990 tot 2024. In de jaren negentig waren er eigenlijk bijna geen schandalen rondom humor, in elk geval geen schandalen die echt groot werden. Dat is in de afgelopen tien, vijftien jaar enorm toegenomen.”

Deze toename heeft alles te maken met het veranderde medialandschap. “Het aantal schandalen dat op social media begint en dan door kranten wordt overgenomen, dat is heel erg toegenomen”, legt Zijp uit. “Dat heeft te maken met commercialisering in het medialandschap, waardoor clickbait een genre geworden is. En schandalen, dat is natuurlijk waar mensen graag op klikken.”

Volgens Zijp speelt de media een grote rol hierin: “Het is niet zo dat publieke schandalen rondom humor zich spontaan ontvouwen. Journalisten zijn eigenlijk mede-eigenaren en makers van die schandalen.” Hij introduceert het concept van ‘scandal entrepreneurs’ : “Mensen die op de een of andere manier bij dat schandaal betrokken zijn. Soms zijn dat de grappenmakers zelf, maar soms zijn het ook mediamakers of politici die op de een of andere manier proberen zo’n schandaal naar hun hand te zetten en daar een slaatje uit te slaan.”

Juridisch zijn de grenzen in Nederland relatief duidelijk. Grappen mogen niet aanzetten tot haat, discriminatie of geweld. Belediging van groepen op basis van ras, religie of seksuele geaardheid is strafbaar. Maar tussen de juridische grens en de maatschappelijke grens ligt een grijs gebied dat voortdurend verschuift.

Psycholoog Doosje heeft hiervoor een praktische richtlijn: “Voor mij zit het in het kwetsen van anderen. Je weet nooit precies of jouw humor kwetsend is voor anderen. Als je aan de veilige kant wilt zitten, moet je grappen maken over jezelf. Dat kan altijd.”

Tijdens een les verhalen vertellen kwam Doosje tot een waardevol inzicht: “Het mag best zijn dat je iets hebt meegemaakt dat heel vervelend was, maar het moet wel een litteken zijn en geen open wond. Als het een open wond is, dus als het nog heel vers is, dan word je zelf te emotioneel om het verhaal te kunnen vertellen, laat staan een grap erover maken.”

De toekomst van trivialisering

Voor de toekomst waarschuwt Zijp voor een belangrijk gevaar: trivialiserende humor die macht onderschat. Hij wijst naar een patroon dat hij zag na de Nederlandse verkiezingen: “Veel linkse mensen en mensen uit het middenveld riepen: ‘Dit kabinet gaat het nooit lang uithouden’. Daar hebben ze op zich gelijk in gehad, maar ook een beetje vanuit het idee van: ze kunnen eigenlijk geen schade aanrichten, want ze zijn te incapabel.”

“Dat vonden wij een heel schadelijk idee, omdat dat natuurlijk juist precies deel is van de tactiek. Chaos creëren en dingen vertragen zijn  onderdelen van de tactiek. Dus ik denk dat je radicaalrechtse politici wel heel serieus moet nemen, ook al lijken ze soms misschien op cartoonfiguren die niet serieus te nemen zijn.”

Zijp maakt onderscheid tussen verschillende soorten humor: “Er is een verschil tussen een soort trivialiserende humor en humor die hen wel serieus neemt maar nog steeds bespot. Je kunt iemand belachelijk maken maar toch ook hun macht niet onderschatten.”

Hij illustreert dit met een historische parallel: “Er zijn journalisten en onderzoekers die parallellen hebben gewezen met het Derde Rijk en met de opkomst van Hitler. Die eigenlijk ook een redelijk komische stijl had en ook eigenlijk een beetje als een soort raar cartoon-figuur gezien werd, maar misschien juist daardoor ook niet op tijd serieus genoeg genomen is.”

Lachen als overleving

Generaties onderzoekers hebben geprobeerd te achterhalen waarom we lachen om tragedie. Evolutionair lijkt het een overlevingsmechanisme: spanning ontladen, groepen verbinden, hiërarchieën ondermijnen. Maar misschien is de eenvoudigste verklaring ook de beste: we lachen omdat we moeten.

“Ik weet niet zo goed waarom dingen leuk zijn”, bekent psycholoog Doosje eerlijk. “Ik lach er wel om, maar dat vind ik best een mysterie. Ik zie wel dat iedereen het doet, en dat ik het zelf ook doe.”

Die eerlijkheid raakt de kern van dit onderwerp. We begrijpen niet volledig waarom we lachen om tragedie, maar we doen het wel. Het is zo fundamenteel menselijk dat zelfs dictators het vrezen en verbieden. Misschien het sterkste bewijs van humor’s ondermijnende kracht.

Zijp’s waarschuwing is dan misschien terecht: “Ik denk dat we extreem- en radicaalrechtse politiek heel serieus moeten nemen. Wat niet betekent dat we ze niet kunnen bespotten, maar misschien wel dat we hun macht niet moeten trivialiseren door grappen te maken over hoe incapabel ze zijn.”

In een tijd van toenemende polarisatie en crisis wordt de balans tussen lachen en serieus nemen crucialer dan ooit. Humor kan verbinden, maar ook verdelen. Het kan helend werken, maar ook kwetsen. Het kan ook iets verhullen of zelfs ondergraven.

Het complexe van de balans zoeken ligt tussen respect en oneerbiedigheid, verbinding en uitsluiting. Of we het nu leuk vinden of niet, het lachen om tragedie is altijd iets wat blijft.

Het is niet zozeer een keuze als wel een eigenschap. Even essentieel en problematisch als onze menselijkheid zelf.

De vraag is niet óf we grappen maken over erge dingen, maar hóe we dat doen. En in die ‘hoe’ ligt misschien wel het verschil tussen humor die geneest en humor die vernietigt.

Dit artikel is gebaseerd op interviews met cultuurwetenschapper Dick Zijp (UvA) en psycholoog Sibe Doosje (UU), evenals historisch en actueel onderzoek naar de rol van humor in tijden van crisis.

Waar ligt voor jou de grens?

Geef via onderstaande link je mening. Wat vind jij te ver gaan? Kom aan het eind van artikel erachter wat anderen vinden.

View Survey