Afstandsmoeders
Vanaf 1956 tot 1984 hebben ongeveer 13 tot 14 duizend vrouwen kort na de geboorte, afstand gedaan van hun kind. Deze vrouwen zijn afstandsmoeders, of de term die bij voorkeur door Merapi wordt gebruikt: geboortemoeders. De overheid heeft hier een rol in gehad en biedt daarom op 2 juli hun excuses aan.
Het proces van afstand doen werd geleid door de heersende normen en waarden in de maatschappij van die tijd. Er was een heersend ideaal van het huwelijk en de vrouw als huisvrouw. Ongehuwde en ongewenst zwangere vrouwen hoorden niet bij deze sociale norm en werden daarom gezien als gevallen vrouwen. Ze hadden seksueel contact gehad, terwijl dit niet toegestaan was. Ook werden ongehuwde vrouwen als ongeschikt gezien om alleen een kind op te voeden.
Daarnaast stond, volgens het onderzoek Schade door Schande, gehoorzaamheid centraal als waarde. Dit houdt in dat er werd verwacht dat de samenleving de leefwijze van het gezinsideaal waarborgde. Een zwangerschap van ongehuwde vrouwen werd gezien als enorme schande. Mede daarom heerste er een groot taboe rondom het afstand doen van een kind, het gebeurde vaak in het geheim en een echte keuze was er niet. Ook niet voor Merapi Obermayer.

De route van zwangerschap naar afstand
‘Ik kreeg geen keuze.’
Wanneer er sprake was van een onbedoelde zwangerschap, doorliepen de vrouwen volgens onderzoek van de Radboud Universiteit een ‘formeel traject’. Hieronder vertelt Merapi over haar ervaringen, haar route van zwangerschap naar het doen van afstand.
Merapi’s traject van zwangerschap naar afstand

14 duizend afstandsmoeders, 12 duizend afstandskinderen
In Nederland begon vanaf 1956 de Adoptiewet. Deze wet heeft ervoor gezorgd dat het wettelijk is vastgelegd om een kind te adopteren, ook in het binnenland. Sinds de Adoptiewet was het mogelijk voor echtparen om de wettige ouders te worden van een niet-biologisch kind. De banden met de biologische ouders werden verbroken en het kind werd gezien als kind van de adoptieouders.
Bovendien is sinds de inwerkingtreding van de Adoptiewet een stijging te zien in het aantal binnenlandse adopties. In totaal zijn in de periode 1957-1984 meer dan 15 duizend kinderen geadopteerd. Desondanks gaat het niet bij alle kinderen om afstandskinderen. Uit het onderzoek Schade door Schande blijkt uit een steekproef dat het bij ongeveer 77% om afstandskinderen gaat. Dit zijn ruim 12 duizend kinderen.
Kern van de Adoptiewet 1956
In de Adoptiewet stond het volgende centraal, aldus onderzoek van de Radboud Universiteit: ‘Het kind dient beschermd en waar nodig gered te worden wanneer de ouders het kind pedagogisch en/of fysiek verwaarloosden. Op last van de rechter konden kinderen uit huis worden geplaatst en (tijdelijk) in een tehuis of een pleeggezin worden ondergebracht.’ Het gevolg was dat de Adoptiewet het ook gemakkelijker maakte voor pleeggezinnen om het kind dat al wordt ondergebracht daar, te adopteren.
Wat zijn ‘Afstandskinderen’?
Afstandskinderen zijn kinderen waarvan de biologische moeder (bijna) direct na de geboorte afstand heeft gedaan van het kind.

Werkelijkheid van Adoptie
‘Er werd gedaan alsof mijn afkomst niet bestond.’
Marisse is een geadopteerde. Vanwege omstandigheden waren haar biologische ouders niet in staat om voor haar te zorgen, waardoor ze in een pleeggezin terechtkwam als baby. De pleegouders werden in de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming als positief beoordeeld, met een luxe uitstraling en vriendelijke mensen. Dit bevestigt hoe het volgens het onderzoek Adoptie in de praktijk, bij meerdere pleegouders is gegaan om de adoptie te verantwoorden. Maar in de praktijk was dit anders.
Marisse: ‘Ik heb mij altijd heel erg moeten aanpassen, ik kon niet goed zijn wie ik was. Ze zeiden altijd dat ik het zonnetje in huis was, maar in de werkelijkheid was ik meer een buffer tussen mijn adoptiemoeder en mijn adoptiebroer. Er was bijna dagelijks gedoe en om dat te voorkomen paste ik mij maar aan. Ook was ik een moeder voor mijn adoptiemoeder. Ze kon niet alleen zijn en ik vulde die positie in, want ik was ondanks alles toch positief en vrolijk.’
‘Er werd gedaan alsof mijn afkomst niet bestond. Mijn adoptiemoeder deed alsof wij haar echte kinderen waren en dan kromp ik wel een soort van in elkaar. Het is een stuk van mij en dat mocht er niet zijn, er werd niet over gesproken.’
Luister hieronder naar Marisse haar ervaring.
Wachtlijsten
Daarnaast blijkt ook uit de NPO documentaire Dossier Afgestaan, dat er lange wachtlijsten zijn in die periode om een kind te kunnen adopteren. Beluister hieronder wat Merapi haar visie is over de wachtlijsten.

Verlies van een onbekende
‘Het is geen alledaags rouwproces.’
Zowel Merapi als Marisse hebben het verlies door afstand moeten verwerken.


‘Ik ging voor het eerst bloemen voor mijn moeder kopen.’
Als onderdeel van het verwerkingsproces dat haar biologische ouders overleden waren, heeft Marisse het graf van haar biologische moeder bezocht.
Hieronder vertelt ze over deze ervaring.
Winst in het heden
‘Kunst is eens soort uitlaatklep.’

Kunst als uitlaatklep
Merapi: ‘Ik knutselde eigenlijk mijn leven in elkaar en het resultaat daarvan zijn toch ook mijn kunstwerken. Het maken van kunst is een soort uitlaatklep, zal ik maar zeggen. Zeker de eerste kunstwerken.’
‘Tuurlijk ben ik nog bezig met het verleden, maar vooral met de dingen die ik daaruit geleerd heb. Want er zijn dingen die ik door mijn ervaringen kan en andere mensen niet: de manier waarop ik dingen verwerk, mijn manier van schrijven en denken. Het leren van dingen op allerlei manieren wil ik doorgeven aan mensen.’

Van overleven naar leven
Marisse: ‘Ik wilde gewoon leven, maar ik had het gevoel dat ik alleen maar aan het overleven was. Op een bepaald moment kwam het besef dat wat er ook is gebeurd in mijn leven: ik ben de moeite waard.’
‘Hoe jij ook bent afgestaan, hoe jij ook bent weggezet, wat er ook allemaal over jou is gezegd: jij bent belangrijk. Ik moest er 59 jaar voor worden, maar nu gaat het echt om mij. Het is genoeg geweest, ik ben uitgeknokt.’
‘Wel heb ik voor altijd als grootste wens om voor een keer in de ogen van mijn biologische moeder te kijken.’
Dataverantwoording
De gebruikte dataset is afkomstig van het CBS. Aangezien de adopties juridisch geregeld zijn, zijn de cijfers gebaseerd op gegevens van de arrondissementsrechtbanken, gerechtshoven en de Hoge Raad.
Daarnaast is er gekozen om de nadruk te leggen op de periode 1957 tot 1984. Dat is omdat vanaf 1957 het eerste volledige jaar is waarbinnen de Adoptiewet van toepassing was, waardoor de gevolgen vanaf dat jaar zichtbaar zouden kunnen zijn. Daarnaast is 1984 als eindjaar gekozen, omdat vanaf dit jaar de Abortuswet kwam. Dit houdt in dat vrouwen die ongewenst zwanger waren een andere mogelijkheid hadden dan afstand doen. Dit heeft gevolgen gehad voor de cijfers over afstand.
Bovendien is er een berekening gemaakt over het aantal afstandskinderen in die periode. Deze berekening is tot stand gekomen op basis van een steekproef uit het onderzoek Schade door Schande. Hieruit bleek dat 76,9% van de dossiers uit de steekproef om afstandskinderen ging. Desondanks is het van belang te realiseren dat dit aantal een schatting is. ‘Niet alle afstandskinderen zijn uiteindelijk geadopteerd. Sommigen bleven pleegkind of woonden tot hun volwassenheid in een instelling,’ aldus het onderzoek, ‘De overige onderzochte adoptiedossiers gingen over stiefouderadoptie of adoptie van kinderen van uit de ouderlijke macht ontzette ouders.’

