Interview

Aurélie Carlier: ‘Vrouwen moeten een plek hebben aan de tafel waar beslissingen worden genomen.’

 Aurélie Carlier (Universiteit Maastricht) met een borduurwerk van Female Empowerment Maastricht.

Als Universitair Hoofddocent in Computational Biology, weet Aurélie Carlier (38) als geen ander hoe het is om een vrouwelijke bètawetenschapper te zijn. Hoewel ze vroeger te horen kreeg dat ze als vrouw niet binnen de sector hoorde, zit ze nu in de top. Daarnaast zet ze zich in om vrouwen te vertegenwoordigen binnen de sector. Mede daarom kan Aurélie zich ook nog winnares van de Athena Award noemen, een prijs voor uitblinkende vrouwelijke onderzoekers. Carlier: ‘Vrouwen moeten een plek hebben aan de tafel waar beslissingen worden genomen.’

Aurélie Carlier (Universiteit Maastricht) met een 
borduurwerk van Female Empowerment Maastricht

‘Toen ik begon met studeren, merkte ik direct al dat ik een minderheid was. Er heerste een groot stereotype rondom vrouwen in de bètawetenschappen. Ik heb professoren gehad die in de aula verkondigden dat je hier als vrouw niet hoorde te zitten. Over het algemeen waren er ook een stuk minder vrouwelijke professoren’, vertelt Aurélie Carlier, hedendaags universitair hoofddocent aan de Universiteit van Maastricht. Het stereotype komt voort uit sociale en culturele normen en waarden, waarop de klassieke genderrollen gebaseerd zijn. Binnen deze klassieke genderrollen wordt de man gezien als een werkende en hoogopgeleide persoon. Het gevolg van dit stereotype is dat vrouwen zichzelf als niet in staat zien om een carrière in de bètawetenschappen te krijgen. Terwijl vrouwen aangetoond invloed hebben op de bètawetenschappen zelf. 

Dat toont onder andere onderzoek van Colorado University aan. Diversiteit bij wetenschappelijk onderzoek zorgt namelijk voor meer creativiteit en innovatie. Door een team te hebben dat bestaat uit zowel mannen als vrouwen, kunnen er door verschillende perspectieven andere problemen worden opgelost. ‘Er worden simpelweg andere vragen gesteld als er een team met genderdiversiteit is’, bevestigt Aurélie Carlier. Het vrouwelijke perspectief wordt namelijk niet altijd meegenomen in wetenschappelijke onderzoeken, waardoor bepaalde technische innovaties niet geschikt zijn voor vrouwen. Dit kan hevige gevolgen hebben. ‘De dummy’s die gebruikt worden in autotesten, zijn nog lang niet allemaal aangepast aan de vrouwenmaten. Hierdoor lopen wij een veel groter risico op zware verwondingen bij ongelukken.’

‘PROFESSOREN ZEIDEN DAT JE HIER ALS VROUW NIET HOORDE’

Vanuit haar positie als vrouwelijke bètawetenschapper is Carlier langzamerhand zelf ook een rolmodel geworden voor de nieuwe generatie. ‘Er is sprake van een positieve evolutie, dat houdt in dat het thema vrouwen in de wetenschap nu veel meer wordt besproken’, legt ze uit. Zo is er bijvoorbeeld ook in de politiek aandacht voor het onderwerp. In het regeerakkoord wordt namelijk duidelijk dat ook de regering gaat inzetten op het creëren van vrouwelijke rolmodellen. En juist deze groei in zichtbare rolmodellen is van belang voor de volgende generatie vrouwelijke bètawetenschappers, zo wordt duidelijk in onderzoek naar wetenschappelijk onderwijs. Niet alleen zorgen rolmodellen voor zelfvertrouwen, maar ook voor prestatiegerichtheid, doelstellingen, motivatie, een saamhorigheidsgevoel en een groei in zelfvertrouwen. Ook Aurélie erkent dit: ‘Over het algemeen hebben vrouwen minder zelfvertrouwen. Juist daarom is de zichtbaarheid van vrouwelijke bètawetenschappers belangrijk. Het laat zien dat het wel mogelijk is om hoger in functie te komen. Want; you cannot be what you cannot see.’

De eerste stappen richting het verbeteren van de zichtbaarheid zijn volgens Aurélie al gezet. Uit de Monitor Vrouwelijke Hoogleraren 2025 blijkt namelijk dat niet alleen het aandeel vrouwelijke hoogleraren stijgt, maar ook het aandeel promovendi en universitair hoofddocenten. Er is dus een groei in mogelijke representatie van vrouwelijke bètawetenschappers, toch is het opvallend dat veel vrouwen niet doorstromen naar de topfuncties. Carlier spreekt over een ‘leaking pipeline’. Dit is een metafoor die vaker wordt toegepast in de bètawetenschappen. Het komt erop neer dat hoe hoger de academische positie is, hoe minder vrouwen zich bevinden op deze plek. Volgens Aurélie zijn er diverse redenen waarom er sprake is van dit verschijnsel, maar aan talent ligt het in ieder geval niet: ‘Het punt van doorstromen is een competitieve fase: er wordt gekeken naar het aantal wetenschappelijke publicaties, eventuele geldbeurzen die zijn binnengehaald en het CV. In theorie is dit geen probleem, maar voor vrouwen valt dit precies samen met het moment dat ze kinderen willen krijgen. Daar ligt de barrière.’ De combinatie tussen het gezinsleven en een carrière in de wetenschap blijkt dus een obstakel om de ladder verder op te klimmen.

Bovendien zijn vrouwelijke perspectieven juist nodig binnen de organisatorische top van de wetenschap om deze obstakels te identificeren. ‘Hoe hoger je zit op de ladder, hoe belangrijker de plekken zijn waar je komt. Vrouwen moeten een plek hebben aan de tafel waar beslissingen worden genomen. Dan kunnen de interne procedures aangepast worden’, aldus Carlier. Deze aanpassingen zijn nodig om een inclusieve werkvloer te vormen om zo dus ook de barrières van het beklimmen van de ladder binnen de bètawetenschappen te verlagen. De struggles waar vrouwen binnen de sector mee te maken hebben kunnen dan aangekaart worden en voor aanpassingen zorgen. Alhoewel Aurélie wel benadrukt dat dit ook anders opgelost had kunnen worden: ‘Eigenlijk zouden mannen onze perspectieven ook kunnen hebben. Ze hebben zelf ook moeders, vrouwen en dochters. Dus zij weten ook met welke drempels ze te maken hebben.’ Toch merkt ze dat vrouwen andere structurele dingen opmerken, zoals moeilijkheden rondom zwangerschap.

‘MIJN IDEEËN WERDEN IN GROEPSPROJECTEN NIET SERIEUS GENOMEN’

Echter is het opvallend dat voornamelijk de bètawetenschappen een klein aandeel vrouwen in topposities hebben. Zo blijkt uit onderzoek van het Rathenau Instituut dat het aandeel vrouwelijke hoogleraren in de sector natuur in Nederland ongeveer 21% bedraagt. Terwijl het percentage op Europees niveau iets hoger ligt, daar ligt het aandeel volgens het She Figures report op ongeveer 24%. Naast dat dus het heersende stereotype een rol speelt bij het lage aantal vrouwen bij de faculteit, is er ook sprake van intern seksisme. Amerikaans onderzoek toont bijvoorbeeld aan dat vrouwelijke geleerden in de bètawetenschappen de meeste seksuele intimidatie ervaren. Ook Carlier geeft toe te maken te hebben gehad met seksistische opmerkingen: ‘Er waren openlijke uitspraken dat meisjes niet op de faculteit hoorden. Ook merkte ik tijdens mijn opleiding dat als ik een idee had tijdens groepsprojecten, die pas serieus werden genomen wanneer een mannelijke teamgenoot het herhaalde.’ Toch erkent ze dat het nu verbeterd is in de afgelopen jaren, er is nu een duidelijkere grens tussen wat gezegd kan worden en wat niet.

Desondanks zijn er niet enkel externe factoren die ervoor zorgen dat er een ondervertegenwoordiging is van vrouwen in de bètawetenschappen, de intrinsieke motivatie van vrouwen speelt volgens Aurélie Carlier ook een rol. ‘Uit onderzoek is gebleken dat vrouwen iets willen bijdragen aan de samenleving,’ legt de universitair hoofddocent uit, ‘We moeten dus duidelijk maken dat ze ook binnen de harde wetenschappen een enorme bijdrage kunnen leveren. Dus naast rolmodellen, moet ook de impact van het werk zichtbaar gemaakt worden.’

Oftewel, vrouwen die uiteindelijk hoger de ladder opklimmen voor een functie binnen de bètawetenschappen hebben niet alleen een bijdrage aan de wetenschap, maar ook aan de organisatie daarvan. Door een inclusieve werkvloer stijgt zowel de kwaliteit van de wetenschap, maar komen ook structurele barrières aan bod die vrouwen ervan weerhouden om de top te betreden. Desondanks adviseert universitair hoofddocent Aurélie Carlier dat de toekomstige generatie voornamelijk vertrouwen in zichzelf moet hebben, ze gebruikt hiervoor de term ‘lean in’. Dit is een feministische quote die vrouwen aanmoedigt om de ladder te beklimmen en zo naar een inclusieve en diverse werkvloer te streven. ‘Heb er vertrouwen in dat je de problemen kunt oplossen wanneer deze zich voordoen. Sluit niet bepaalde deuren uit, omdat je denkt dat het moeilijk zal zijn.’