Vijftien jaar is Steven als de rebellen voor de deur staan in zijn geboorteland Sierra Leone. Ze willen dat hij mee gaat vechten in hun leger, hij is tenslotte oud genoeg. Stevens oom – die hem opvoedt omdat Steven en zijn zusje wees zijn – weigert en moet dat met zijn leven bekopen: hij wordt neergeschoten door de rebellen. Steven weet te vluchten, als verstekeling op een cruiseschip. Als hij na twee weken aankomt in Nederland, hoopt hij daar een nieuw leven op te kunnen bouwen. De hoop wordt langzaam maar zeker overschaduwd: Steven komt tussen wal en schip terecht van juridisch getouwtrek en bureaucratie.
In de gangen van een oude kerk in west-Utrecht is het rustig. Ik loop achter Jana aan, de begeleider van Steven. Hij zit op haar werkkamer te wachten en geeft me onzeker een hand. Hij wiebelt in zijn stoel heen en weer, maar wordt al snel rustiger. Steven, vertelt Jana, woont inmiddels al 20 jaar in Nederland. Illegaal, dus hij heeft geen vaste woon- of verblijfplaats. Stichting Noodopvang Dakloze Vreemdelingen Utrecht (SNDVU) vangt hem op; hij heeft een slaapplek toegewezen gekregen en krijgt leefgeld.
Als we koffie hebben gekregen, vraag ik Steven naar zijn jeugd in Sierra Leone. Hij begint een beetje te hakkelen, vindt het duidelijk moeilijk om de goede woorden te vinden: “Ik heb niet veel herinneringen meer aan mijn ouders, zij zijn jong gestorven. Samen met mijn jongere zusje woonde ik bij mijn oom in een dorp. We hadden een goed leven. Tot de oorlog begon.”
De burgeroorlog van Sierra Leone begon in 1992, toen de president (Joseph Saidu Mohoh) de macht verloor bij een militaire staatsgreep. Valentine Strasser, de nieuwe leider van het land, vestigde een militair regime. De burgeroorlog had enorme gevolgen voor de bevolking; het geweld was extreem en de helft van de inwoners slaat op de vlucht. Jaren van geweld en oorlog worden afgewisseld met democratische verkiezingen. In 1999 beginnen rebellen van het “Volksleger” een terreuractie onder de naam “Operation No Living Thing” (“Geen Levend Wezen”). In een paar maanden tijd vallen meer doden dan in de jaren burgeroorlog daarvoor. De rebellen hakken ledematen af van hun slachtoffers, vooral kinderen missen een arm of een been. In juli 1999 komt er alsnog een vredesakkoord. Pas in 2002, als de rebellen de wapens neerleggen, is de burgeroorlog echt voorbij.
Het kost Steven duidelijk moeite erover te praten, als ik naar de rebellen vraag. Zijn Nederlands is niet vloeiend dus hij zoekt soms naar de goede woorden. “Toen ze in mijn dorp kwamen, wilden ze alle mannen en jongens meenemen om te vechten. Mijn oom wilde dat niet, maar hij wilde zeker niet dat ik meeging. Kort daarna is hij doodgeschoten en ben ik op de vlucht geslagen.” Steven praat zachtjes verder als ik hem naar zijn zusje vraag: “Mijn zusje… ik weet het niet. Ik weet niet wat er met haar is gebeurd. We hadden geen geld, geen idee waar we naartoe moesten. Het was oorlog, chaos. Iedereen moest voor zichzelf zorgen, zichzelf redden. En we hadden toen geen telefoons, geen sociale media. Ik heb haar nooit meer kunnen vinden, nooit meer iets van haar gehoord. Misschien leeft ze niet meer. Ik denk in elk geval niet dat ze in Europa is.”
Steven wist de haven te bereiken en klom als verstekeling aan boord van een groot schip: “Ik was daar met nog twee andere jongens. We verstopten ons. Ik denk dat de reis wel twee weken duurde. We hadden bijna geen eten, alleen wat noten. We stonden achter machines in de stoomkamer en om niet te worden ontdekt, konden wij bijna niet zitten: dan zouden ze ons kunnen zien. Dus we stonden een groot gedeelte van de reis, maar we waren zo moe. Zo moe. In de nacht was het donker, maar we hoorden steeds mensen praten en waren dus altijd alert. Voordat we aan boord gingen, zag ik een Canadese vlag op het schip, dus ik was ervan overtuigd dat ik in Canada terecht zou komen.” Het werd Nederland.
Na twee weken aan boord, waar hij zich verschuilde in de machinekamer en leefde op noten en water, kwam hij aan wal. Vrijwel direct begrijpt hij dat hij niet in Canada is: “Ik had ooit gehoord dat ze daar Frans spreken, maar hier hoorde ik geen Frans. We werden naar de marechaussee gebracht en een van de agenten vertelde me: “Je bent in Nederland.”
“Ik wist van koningin Beatrix, van Kluivert, Overmars: van voetbal wist ik een beetje”, zegt Steven lachend. “Ik had ook wel eens gehoord dat marihuana legaal was, maar wat maakte het uit: Canada of Nederland? Als ik maar veilig was.”
Steven wordt lang ondervraagd door de marechaussee. Lichamelijk onderzoek moet uitwijzen of hij minderjarig is. Als dat inderdaad de uitkomst van het onderzoek is, hoort hij dat hij mag blijven. Hij gaat naar een azc in Limburg. Steven: “Ik was blij en hoopte op een toekomst hier. Werken, een leven opbouwen, een gezin stichten.”
Het loopt anders. Wanneer ik Steven vraag naar die eerste weken in Nederland, probeert hij uit te leggen hoe hij zich voelde: “Je wordt in een systeem gedrukt. Je kan er niet uit. Alles moet volgens het systeem. De eerste stap: oké. Dan de tweede stap: die is ook oké. En zo ga je door. Je vraagt een verblijfsvergunning aan en ik mocht naar school in Maastricht. Maar nadat ik 18 was geworden, moest ik zelf een kamer zoeken. En ik mocht niet veder leren omdat ik geen verblijfsvergunning had.”
Het is inmiddels vier jaar geleden dat Steven in Nederland aankwam. Op een dag krijgt hij te horen dat hij zich moet melden op het politiebureau. Steven krijgt te horen dat ze hem terug willen sturen naar Sierra Leone. Hij wordt vastgehouden in een detentiecentrum, zes maanden lang. Maar zijn geboorteland werkt niet mee aan terugnameverzoeken. Als hij uiteindelijk terugkomt op zijn kamer, zijn alle spullen verdwenen en woont er iemand anders.
Vanaf dat moment begint zijn zwervende bestaan. Wanneer Steven vertelt hoe dat leven eruit zag, toont hij nauwelijks emotie: “Ik sliep meestal onder een brug, maar ik was vaak bang dat de politie me zou vinden, me zou aanhouden. Als ik dacht dat het te gevaarlijk was, ging ik naar het bos om daar te slapen. Ik bedelde om geld en kon daar eten van kopen.”
Toch lijkt het tij te keren als Steven een meisje ontmoet en een relatie met haar krijgt. Omdat hij dakloos is, probeert het meisje te regelen dat Steven bij haar thuis kan wonen, maar haar vader wil daar niets van weten: “Uiteindelijk wilde haar vader me wel zien, toen hij begreep hoe belangrijk het voor haar was. Ik heb met hem gepraat, de situatie uitgelegd en ik mocht blijven.” Steven bleef negen maanden bij de familie van zijn vriendin Jane. Hij glimlacht als hij over haar vertelt: “Voor mij was ze een vice-God. Geen vice-president of vice-premier, maar een vice-God. Ze deed alles voor me.”
Uit zijn verhaal is op te maken dat de negen maanden bij Jane Stevens laatste onbezorgde tijd was in Nederland. Daarna gaat het bergafwaarts. Maar zijn verhaal wordt ook onduidelijker. Jaartallen, de chronologie: hij probeert af en toe in zijn geheugen te graven.
Ik begrijp dat hij ziek werd, tuberculose krijgt. Een opname volgt en als hij daarna thuiskomt, ontdekt hij al snel dat zijn vriendin verliefd is op een ander. Zijn wereld stort in. Het is nog steeds een open wond: “Jane is nu nog altjd met die man waar ze verliefd op werd. Ze heeft nu vier kinderen. Ja, daarover heb ik veel pijn. Heel veel pijn.”
Verstopt in een vrachtwagen, probeert Steven naar Italië te gaan. Hij zwerft ook daar, bedelt en slaapt op straat. Na een paar maanden wordt hij echter aangehouden met marihuana op zak. Hij zit een nacht in de cel en wordt teruggezet op de trein naar Nederland. Daar blijkt hij een verblijfsvergunning te kunnen krijgen, op medische gronden. De eerste opluchting maakt alleen snel weer plaats voor wanhoop, als blijkt dat de vergunning tijdelijk is. Hij mag niet werken, heeft geen huis en slaapt weer op straat: alles lijkt van voren af aan te beginnen.
Steven moet verlenging aanvragen van zijn vergunning, maar is er te laat mee.
Na een lange juridische strijd met het IND, volgt binnenkort de definitieve uitspraak van de rechter of Steven mag blijven. Na meer dan twintig jaar in Nederland gewoond te hebben, is zijn toekomst nog onzeker. Steven: “Regels zijn regels, daar verander ik niets aan en dat hoort bij een democratie. Ik moet de regels accepteren.”