De werkzame stoffen in vlooienbanden? Die zijn in de landbouw vaak hartstikke verboden omdat ze zo giftig zijn (Trouw)

Antivlooienmiddelen voor huisdieren zitten vaak vol schadelijke gifstoffen. Zonder dat baasjes het weten verspreiden hun viervoeters stoffen die in de landbouw al jaren verboden zijn.

Ernstig misvormde vlinders, vast in hun eigen cocon, of al gestikt voordat ze überhaupt hun vleugels kunnen uitslaan. Het is een lugubere ontdekking voor fotograaf Marlonneke Willemsen. Ze kweekt harige nachtvlinders en brengt de rupsen groot met paardenbloemen, geplukt in het plaatselijke stadspark in haar woonplaats Nieuwerkerk aan den IJssel. De rupsen groeien ogenschijnlijk normaal, maar bij het ontpoppen tot vlinders komen ze zwaar verwrongen tevoorschijn of sterven ze.

Een analyse van de paardenbloemen uit het plantsoen levert een schokkend beeld op: de bladeren blijken vol te zitten met zwaar gif. Hoe belanden deze middelen in een stadspark, ver weg van intensieve landbouw? Op een plek waar de gemeente zelf geen bestrijdingsmiddelen gebruikt?

Zoektocht

Het raadsel van de misvormde vlinders vormt voor onderzoeker Jelmer Buijs, extern promovendus bij de Nijmeegse Radboud Universiteit, aanleiding voor een onderzoek. Vijftien stadsparken in heel Nederland neemt hij onder de loep. In álle onderzochte stadsparken blijken de paardenbloemen besmet met zeer toxische bestrijdingsmiddelen. De bron van deze gifstoffen hangt in de vrolijke, kleurrijke schappen van iedere plaatselijke dierenwinkel, in de vorm van halsbanden en pipetjes: antiparasitica.

Voor veel baasjes is het de gewoonste zaak van de wereld: een vlooienband om de hals van je viervoeter of een paar druppeltjes antivlooienmiddel in de nek van het huisdier druppelen. Wat niemand lijkt te weten, is dat deze antivlooienmiddelen vol met gif zitten. Gifstoffen die vanwege de gezondheidsrisico’s al jaren verboden zijn in de landbouw.

Ongeboren kind

Met ongeveer 1,7 miljoen honden en 3 miljoen katten in Nederland, moet het gebruik van deze antiparasitica omvangrijk zijn. Exacte cijfers over het aantal antivlooienmiddelen worden door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) echter niet bijgehouden en blijken moeilijk te achterhalen.

Fidin, de vereniging van producenten en importeurs van diergeneesmiddelen in Nederland heeft beperkte cijfers: “Wij hebben alleen de cijfers van middelen die via de dierenarts worden verkocht”, laat de organisatie weten. In 2019 was dat zo’n 4000 kilo. Maar: “De meeste middelen worden voornamelijk via dierenspeciaalzaken en tuincentra verkocht”, laat Fidin weten.

Uit de beschikbare cijfers blijkt dat de verkoop wordt gedomineerd door middelen als permetrine, gevolgd door imidacloprid en fipronil. Permetrine staat te boek als neurotoxisch en schadelijk voor het ongeboren kind. Fipronil is streng verboden in de landbouw; het is schadelijk voor het centrale zenuwstelsel en zeer toxisch voor insecten. Imidacloprid is om diezelfde reden verboden in de landbouw: het is in zeer lage concentraties dodelijk voor bijen. “In één vlooienband voor een middelgrote hond zit in theorie genoeg gif om 100 miljoen bijen te doden”, legt Ad Ragas uit, hoogleraar toxicologie aan de Radboud Universiteit.

De naam Fipronil klinkt misschien nog bekend in de oren. Het middel werd in de zomer van 2017 groot nieuws toen in Nederland miljoenen kippen werden geruimd en nog meer eieren werden vernietigd nadat pluimveestallen illegaal waren behandeld met het insectengif. Datzelfde gif is terug te vinden in veel van de diergeneesmiddelen voor honden en katten.

Binnenshuis

En dus worden die stoffen dagelijks via haren, urine en ontlasting verspreid door huisdieren. De gevolgen beperken zich niet tot het stadspark, de vlinders of de bijen. De gifstoffen komen ook binnenshuis, zegt hoogleraar Ragas. Hij wijst op een rapport van vereniging Velt, waarin huisstof werd gemeten in 112 verschillende slaapkamers in Nederland en Vlaanderen. De onderzoekers vonden liefst 137 verschillende pesticiden in huisstof. Van de tien stoffen die in de hoogste concentraties werden aangetroffen, bleken er maar liefst zes afkomstig uit behandelingsmiddelen voor huisdieren.Quote van Jelmer Buijs – promovendus.

“Het gaat om zeer zorgwekkende hoeveelheden, die ver boven de limiet liggen van wat een mens binnen mag krijgen”, zegt hoogleraar Ragas. Al geldt ook een belangrijke nuance: “Huisstof krijg je niet direct binnen.” Via het aaien en knuffelen van behandelde huisdieren kunnen mensen ook worden blootgesteld: “Vooral baby’s en jonge kinderen lopen risico”, zegt Ragas, “De langetermijngevolgen van deze zenuwgiffen voor mensen zijn niet goed onderzocht.”

De grote hoeveelheden in huisstof, zijn niet verwonderlijk: “De berekende inname van gif voor een hond is duizenden keren groter dan de norm voor mensen. Ook al ga je er in een gunstig scenario vanuit dat een kind of baasje via aaien maar 1 procent van dat middel binnenkrijgt, dan zit je nog steeds duizenden keren boven wat een mens geacht wordt veilig te kunnen verdragen”, zegt onderzoeker Buijs.

Dubbele standaard

“De logica ontbreekt volkomen waarom een zwaar gif wel wordt toegelaten als diergeneesmiddel, maar tegelijkertijd streng verboden is als landbouwmiddel op de akker”, zegt Buijs. Het heeft een beleidsmatige oorzaak: als een gifstof over een akker wordt gespoten, wordt het beoordeeld als bestrijdingsmiddel en gelden strenge milieueisen. Als de fabrikant exact dezelfde stof in een vlooienpipetje verkoopt, valt het onder de wetgeving voor diergeneesmiddelen.

Het middel wordt dan getest op werkzaamheid en veiligheid voor de patiënt. Maar eventuele milieuschade wordt door de Europese toezichthouders niet in kaart gebracht, omdat gevolgen voor het milieu door de antivlooienmiddelen van huisdieren ‘verwaarloosbaar’ wordt geacht.Quote van College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG).

Daar zijn grote stappen in te nemen, ziet dierenarts-microbioloog en parasitoloog Peter Overgaauw van de Universiteit Utrecht: “We weten nog te weinig van de verspreiding en gevolgen voor het milieu. Dat moet nog veel meer worden onderzocht.”

Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG), dat in Nederland de toelating van geneesmiddelen regelt, erkent dat de toelating tekortschiet: “De aanname dat middelen tegen parasieten bij honden en katten tot een geringe milieubelasting leiden klopt niet (meer) en de beoordelingsmethode moet hierop worden aangepast”, laat het weten. Deze bevindingen komen overeen met die van het Europese geneesmiddelenbureau (EMA), dat zegt te werken aan ‘een nieuwe richtlijn voor de milieurisicobeoordeling van diergeneesmiddelen tegen parasieten (vlooien en teken) voor honden en katten’.

Onbedoeld

Gemeenten nemen zelf ook stappen, zoals Amsterdam. Vanaf dit jaar worden in de hoofdstad alleen nog gifvrije planten gebruikt, maar uit het onderzoek naar stadsparken van Buijs blijkt ook dat in het Vondelpark het zeer giftige imidacloprid is terug te vinden.

De gemeente gaat in gesprek met de huisdierenbranche, zegt wethouder Melanie van der Horst. “Het is heel zorgwekkend dat dit soort extreem giftige stoffen in onze parken te vinden zijn. We werken heel hard om het gif de stad uit te krijgen, maar zien helaas toch dat via vlooienbanden gif in onze leefomgeving terechtkomt en dus in het hele ecosysteem. Het verdrietige is dat de meeste mensen zich hier niet van bewust zijn, huisdiereigenaren hebben waarschijnlijk niet de intentie om bijen en andere dieren te vergiftigen.”

Dat huisdiereigenaren vaak geen weet hebben van de gevolgen, is niet gek. Wie de plaatselijke dierenwinkel binnenstapt of een tv-reclame bekijkt, wordt meegezogen in de rooskleurige marketing van gelukkige huisdieren. Op de verpakkingen prijken foto’s van vrolijke golden retrievers en spinnende katten. ‘Doodt vlooien en teken razendsnel’ of ‘Werkt onmiddellijk en doeltreffend’, valt er op de doosjes te lezen.

Wie de verpakking omdraait, zoekt vrijwel tevergeefs naar grote waarschuwingstekens voor milieuschade of gezondheidsgevolgen. Geen opvallend doodshoofd, geen symbool van een dode vis naast een dorre boom. De chemische namen op de ingrediëntenlijst op de achterkant doen bij de gemiddelde hondenbezitter geen alarmbellen rinkelen, maar zijn vaak uiterst giftig.

“Mensen lezen vaak de bijsluiter niet”, zegt Julia Hamel van de beroepsorganisatie voor en door dierenartsen in Nederland, de KNMvD. De organisatie wil hier verandering in brengen: zij wil dat de middelen alleen nog verkrijgbaar worden bij dierenartsen, op recept. Ook parasitoloog Overgaauw is hier voorstander van: “Als je gevolgen van de middelen goed onder controle wil houden, en het op de juiste manier wil toedienen, dan moet het via de dierenarts.” Toxicoloog Ad Ragas is stelliger: “Deze middelen zijn met een reden verboden in de landbouw, die stoffen moet je niet in huis willen halen.”

Geen macho’s of haantjes op het hockeyveld van de Pink Lions

‘Heb je de stick van je zus mee?’

In de sportwereld vormen de machocultuur en homofobe kleedkamerhumor nog altijd een drempel voor veel LHBTI+’ers. De Amsterdamse hockeyclub Pink Lions biedt al ruim twintig jaar een alternatief: niet de prestatiedrang of onderlinge rivaliteit staat voorop, maar een veilige sportomgeving waar spelers van elk niveau volledig zichzelf kunnen zijn.

De winterkou heeft de straten rondom de Amsterdamse Zuidas in zijn greep, maar op het nabijgelegen kunstgrasveld dampt het. Omringd door de donkere silhouetten van torenflats, op nog geen tien minuten fietsen van het financiële hart van Nederland, branden felle stadionlampen. Witte ademwolkjes stijgen op in de avondlucht, vermengd met de doffe, ritmische tikken van harde plastic ballen tegen houten sticks.

Het is acht uur ’s avonds wanneer de één na de ander het hockeyveld opstapt. Er wordt halt gehouden. Negenentwintig keer schud ik een hand. Na speler tien ben ik de namen al kwijt, maar de toon voor de avond is direct gezet: je bent hier zeer welkom.

“Een enorme opkomst voor de winter,” oordeelt Will, zijn wangen rood van de kou. Hij is vanavond de officieuze aanvoerder van de Pink Lions, al dekt die term de lading niet op een plek waar rangen er niet toe doen. Will fungeert meer als bindmiddel van de groep. Hij vertelt over de WhatsApp-groep van ruim honderd leden, waarvan er zo’n veertig de actieve kern vormen. In de zomer, als de avonden lang en warm zijn, puilt het veld uit. Vanavond staan er negenentwintig mannen. Studenten in strakke thermoshirts rennen naast vijftigers in ruimere trainingsbroeken. 

Zonder pardon voor de leeuwen
De warming-up begint niet met een strak gefloten signaal of militaire looplijnen, maar ontstaat organisch. De sfeer is losbandig. Er wordt gedold en er klinkt een schaterlach. Tussen de doorgewinterde hockeyers, die de bal achteloos aan hun stick lijken te kleven, staan Mike en Kevin. Twee nieuwkomers. Mike heeft voor vanavond nog nooit een hockeystick vastgehouden. Kevin heeft exact één eerdere training in de benen.

In plaats van hen aan de zijlijn te parkeren met een pionnetje, krijgen de twee in een hoekje van het veld een razendsnelle stoomcursus. Een lesje basistechniek: zo houd je de stick vast, en vooral: zo stop je een bal zónder je enkels te breken. Nadat de basis is uitgelegd, worden ze zonder pardon voor de leeuwen gegooid.  Ze mogen direct meedoen met de partijtjes.

Wanneer de groep in vier teams wordt verdeeld voor partijtjes op een half veld, trekt nieuweling Kevin een sprint om een bal te halen die over de zijlijn is gerold. Hij is technisch onbeholpen, maar zijn inzet is tomeloos. Hij puft als hij weer in positie staat. “Het is mooi dat je hier direct zo wordt betrokken,” zegt hij even later, terwijl hij het zweet van zijn voorhoofd veegt. “Ze spelen me gewoon aan. Vaak raak ik die bal dan vrijwel meteen weer kwijt. Maar dat weerhoudt ze er niet van om de bal later gewoon wéér naar mij te spelen. Ook als ik de bal weer verspeel.”

Aan de rand van het veld staat Hein. Hij is 61 jaar oud, de senior van het gezelschap, maar onder zijn sportpetje fonkelen scherpe ogen. Zijn fitte bouw verraadt een leven lang sporten, en over het veld beweegt hij moeiteloos mee met veel twintigers. Hein is een van de oprichters van Pink Lions. Terwijl hij de jonge honden over het veld ziet razen, blikt hij terug op 2002. Toen nog onder de naam van Pink Hockey, reisde een kleine groep Nederlanders af naar een Lhbti-toernooi in het Australische Sydney.

Het concurreren tegen internationale teams was prachtig, maar dat was niet het enige. Er ontstond een wens om dat gevoel – hockeyen in een omgeving waar je voor de volle honderd procent jezelf kon zijn – mee te nemen naar huis. Een gemeenschap onder het mom van sport. 

De stick van je zus
Lu weet daar alles van. Hij is een begenadigd hockeyer die jarenlang in de Nederlandse subtop heeft gespeeld. Daar voelde hij zich ondanks zijn talent echter nooit echt thuis.

“We hebben hier niet echt haantjes rondlopen,” zegt Lu. “Ik denk dat die constante geldingsdrang, die overdreven alfamannetjes-cultuur, echt iets is voor reguliere heteroteams.” Hij pauzeert even en leunt op zijn hockeystick. Het handvat is stevig ingepakt met knalroze tape. Het is een subtiel detail, dat buiten de hekken van dit veld vaak een ongewild doelwit blijkt te zijn.

Lu glimlacht schamper als hij erover vertelt: “‘Heb je de stick van je zus meegenomen?’, kreeg ik weleens naar mijn hoofd geslingerd tijdens een wedstrijd tegen een heteroteam.” Hij haalt zijn schouders op, alsof hij het van zich af laat glijden. Het zijn precies die opmerkingen verpakt als ‘kleedkamerhumor’ die maken dat de segregatie zoals bij Pink Lions plaatsvindt. “Dat is de reden,” zegt hij, “dat veel jongens zich hier gewoon veel fijner voelen. Je hoeft niet constant op je hoede te zijn.”

“Je hoeft hier niet constant op je hoede te zijn.”

Warme chocomel
Na anderhalf uur rennen in de vrieskou stopt de partijvorm. De schaterlachen zijn nog altijd even luid als bij de warming-up. Geen woede over een verloren oefenpotje, geen gefrustreerde blikken richting de onervaren nieuwkomers. De stadionlampen doven met een harde klik.

Dat de snelle stoomcursus over het heelhouden van je ledematen aan het begin van de avond overigens geen overbodige luxe was, blijkt als het team het veld afloopt. Mike hinkelt met een pijnlijk gezicht richting de kantine. Hij heeft daadwerkelijk een harde bal vol op zijn enkel gekregen. Al lacht hij de pijn vakkundig weg.

In het sportcafé naast het veld staan dampende bekers warme chocomel op de tafel. Er wordt nagepraat over het werk, over de blunders op het veld en de plannen voor het weekend. Er klinken nog wat bezorgde en plagerige grappen over de pijnlijke enkel van Mike, gevolgd door een reeks schouderkloppen.

Na een klein uurtje waaieren de meeste Pink Lions tussen de donkere silhouetten van torenflats langzaamaan uit over de fietspaden terug naar huis. Met de geruststellende wetenschap dat er tenminste één plek is waar zij altijd ongegeneerd de bal mogen kwijtraken.

Veel meer PFAS in pesticiden: grote zorgen om drinkwater (Argos)

PFAS-houdende pesticiden zijn in Nederland in vier jaar tijd meer dan verdubbeld. Dat blijkt uit onderzoek van Argos. De groei kan doorzetten als een algeheel verbod op PFAS, zoals nu voorligt in Brussel, pesticiden blijft uitzonderen. De PFAS bereiken ook ons grond- en drinkwater. Als er niets verandert, vrezen drinkwaterbedrijven voor ‘onherstelbare verontreinigingen’.

De afgelopen jaren werd steeds meer bekend over de risico’s van ‘forever chemicals’, ofwel PFAS. Dat zijn door mensen gemaakte, nauwelijks afbreekbare stoffen die zich opstapelen in mens en natuur, met ernstige gezondheidsrisico’s zoals kanker. Daarom dient Nederland In februari 2023.samen met Duitsland, Denemarken, Noorwegen en Zweden, een voorstel in bij het Europees agentschap voor chemische stoffen (ECHA). Ze willen een verbod op de productie en het gebruik van vrijwel alle PFAS-stoffen. Het voorstel geldt als een van de meest ambitieuze chemische verbodsprocedures in de geschiedenis van de Europese Unie (EU).  

 Maar in het voorstel staat, mede onder druk van de industrie, vanaf het begin een uitzondering: voor PFAS bij ‘essentieel gebruik’. Daaronder valt de medische wereld, maar ook pesticiden. Volgens de indienende landen zouden pesticiden al op veiligheid worden gecontroleerd door een eigen reguleringssysteem. Het zou onnodige ‘dubbele regulering’ betekenen om ze ook onder het PFAS-verbod te scharen. 

 PFAS zitten in veel verschillende producten. Bekende voorbeelden zijn anti-aanbakpannen en regenjassen, maar ze zitten ook in pesticiden. Op gewassen zorgen PFAS ervoor dat het water afstoot. Daardoor blijven de pesticiden langer op de plant, wat handig is om bijvoorbeeld schimmels te bestrijden.  

Uit onderzoek van Argos blijkt nu dat juist deze groep bestrijdingsmiddelen de afgelopen jaren in Nederland forst groeit. De afzet van PFAS-houdende pesticiden nam toe van 131 ton in 2019 naar 268 ton in 2023. Een verdubbeling in vier jaar tijd.  

Gebruik stijgt ondanks dip

Het is bijzonder dat het gebruik van PFAS-houdende pesticiden toeneemt. De afgelopen jaren schommelt de totale afzet van pesticiden namelijk. In 2023, het meest recente jaar waarover cijfers beschikbaar zijn, is een flinke dip te zien van ongeveer 25%. Boeren gebruikten toen minder pesticiden, vanwege een gunstig oogstjaar met weinig ziekte- en plaagdruk. In weerwil van deze trend werden PFAS-houdende pesticiden juist populairder. 

Ook onderzoeksbureau CLM deed, in opdracht van zeven provincies en de vereniging van waterbedrijven in Nederland Vewin, onderzoek naar PFAS-houdende pesticiden. Het onderzoek wordt volgende week gepresenteerd, maar desgevraagd bevestigt hoofdonderzoeker en milieukundige Peter Leendertse de toename: “Dat komt door een aantal nieuwe pesticiden op de markt, die enorm populair zijn. Daarbij, PFAS-houdende pesticiden kunnen vrij gericht en effectief werken. Daardoor zie je een paradox: je bent bezig met zo goed en effectief mogelijk gebruik te maken van bestrijdingsmiddelen, maar ondertussen zit er wel PFAS in en wordt de bodem vervuild.” 

 Vewin is bezorgd over de gevolgen. “Als de toevoer van PFAS uit verschillende routes niet wordt gestopt, kunnen kwetsbare winningen voor de drinkwaterproductie op den duur onherstelbaar verontreinigd worden.” 

 Ook boeren zelf maken zich zorgen. Hoofdonderzoeker Leendertse: “Zij weten vaak niet dat er PFAS in bestrijdingsmiddelen zit. Ik heb veel boeren gesproken die wilden weten in welke bestrijdingsmiddelen pfas zaten, zij zeiden: ’ik wil mijn bodem niet vervuilen.’”  

Provincies en drinkwaterbedrijven zijn ook bezig meer inzicht te krijgen, omdat pas recent is begonnen met meten van PFAS in het grondwater. 

TFA in grondwater

Een grote boosdoener binnen de groep PFAS-pesticiden is de stof TFA. Trifluorazijnzuur (TFA) is een nieuw soort PFAS. Er worden dan ook pas sinds kort metingen naar gedaan in het grondwater. TFA is een afbraakproduct van verschillende PFAS-houdende pesticiden. Deze ‘kleinste PFAS’ is extreem persistent en mobiel: het spoelt gemakkelijk door naar het grondwater. Een bijkomend probleem: het is zo klein dat het nauwelijks is te verwijderen met de traditionele waterzuiveringstechnieken. 

Ook provincies beginnen zich dat te realiseren. De Provincie Utrecht publiceert eind 2023 een document waaruit een verontrustend beeld over het drinkwater naar voren komt: ‘TFA wordt aangetroffen in concentraties die duizend keer hoger liggen dan andere PFAS-stoffen’. Opvallend daarbij is dat TFA voornamelijk rondom landbouwgrond wordt aangetroffen. ‘Deze PFAS-stof vertoont een duidelijk ander patroon dan de overige PFAS-stoffen. De stof is namelijk sterk verhoogd in met name akkerbouwgrond en boomgaarden, wat suggereert dat deze samenhangt met gebruik van bestrijdingsmiddelen.’  

Uit gesprekken met meerdere provincies blijkt dat Utrecht niet de enige provincie is waar TFA wordt aangetroffen. Drenthe, Overijssel en Noord-Brabant melden soortgelijke patronen.  

Nog geen streep door PFAS

Drinkwaterbedrijven zijn stellig: “Er moet zo snel mogelijk een PFAS-verbod komen dat pesticiden niet langer uitzondert.”, aldus de vereniging van drinkwaterbedrijven Vewin.  

Provincies, verantwoordelijk voor de grondwaterkwaliteit, stellen zich terughoudender op. In september 2024 schrijven de gezamenlijke provincies in een zogenoemd ‘position paper’ dat zij dan wel een “zo snel en zo volledig mogelijk Europees PFAS restrictievoorstel” willen, maar “uitzonderingen waar dat strikt noodzakelijk is en echt niet anders kan (zoals enkele medische toepassingen)” willen behouden. Of PFAS-houdende pesticiden hieronder vallen, laten de provincies in het midden. Zo blijft de deur op een kier voor deze groep pesticiden. 

Emeritus hoogleraar milieuchemie en toxicologie Jacob de Boer, gespecialiseerd in PFAS, twijfelt niet: “Ik ben absoluut voorstander van een algeheel PFAS-verbod, inclusief pesticiden. Het zorgt voor vervuiling van het grond- en drinkwater. En er zijn voor pesticiden makkelijk alternatieven te vinden.”  

De grote vraag is of het verbod er überhaupt komt, door de intensieve lobby en verdeeldheid binnen de EU. “De lobby in Brussel is zeer machtig”, zegt De Boer. “Politici in Brussel zijn veel te gevoelig voor de lobby van de chemische industrie.” 

Denemarken grijpt in

Denemarken is kennelijk ongevoelig voor die lobby: de Deense overheid heeft recent 23 PFAS-houdende pesticiden die afbreken in TFA verboden. Ook daar waren verhoogde TFA-concentraties in het grondwater te zien. Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen (Ctgb), dat in Nederland gaat over de toelating van pesticiden, bestudeert momenteel de beslissing van hun Deense collega’s. 

Voor de aarde sterft Henk Baptist met liefde in het harnas (Trouw)

Jurist en ecoloog Henk Baptist kan niet stoppen. Als adviseur van het Drentse burgerinitiatief Meten=Weten voert hij meerdere zaken tegen overlast van pesticiden in de lelieteelt. Woensdag deed de Raad van State daarin een belangrijke uitspraak.

Tien jaar geleden ging Henk Baptist (77) met pensioen. Hij kocht een camper, zette koers naar Spanje en ging van zijn vrije tijd genieten. Verder dan Luxemburg kwam hij niet. Te druk. Met het voeren van rechtszaken tegen overheidsinstanties. Saillant detail: Baptist werkte zelf dertig jaar voor de overheid, als ecoloog bij Rijkswaterstaat. “Ik wil de natuur goed achterlaten. Niet voor de mens. Voor de natuur zelf.”

Woensdagmorgen boekte hij zijn grootste overwinning toen de Raad van State oordeelde dat een lelieteler voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen een natuurvergunning nodig heeft. De Raad legt de nadruk op voorzorg bij het spuiten met pesticiden: als negatieve gevolgen voor beschermde natuur mogelijk zijn, is nader onderzoek nodig en zolang dat ontbreekt moet de teler een vergunning aanvragen.

Bestrijdingsmiddelen in natuurgebieden

De uitspraak kan vergaande gevolgen hebben voor pesticidengebruik in de landbouw, waarin lelieteelt vaak een tijdelijk gewas is en dezelfde middelen ook voor andere gewassen worden gebruikt.

De zaak was aangespannen door Milieudefensie tegen de provincie Drenthe, die niet wilde optreden tegen het spuitgebruik van een lelieteler. Baptist sloot zich daar als jurist van burgerinitiatief Meten=Weten bij aan. Meten=Weten toonde eerder al aan dat bestrijdingsmiddelen ver in beschermde natuurgebieden terechtkomen, zonder dat de gevolgen daarvan bekend zijn.

‘Wij verstoren het ecosysteem’

Saillant detail: Baptist werkte zelf dertig jaar voor de overheid, als ecoloog bij Rijkswaterstaat. “Ik wil de natuur goed achterlaten. Niet voor de mens. Voor de natuur zelf.”

Op zijn sandalen en met een kaki overhemd staat hij in de rechtbank. Hij oogt als een verdwaalde boswachter in deze omgeving, maar zelf lijkt hij zich hier als een vis in het water te voelen. Baptist voert al bijna 25 jaar rechtszaken voor natuurorganisaties, zoals Meten=Weten en Milieudefensie. Gedreven, maar altijd een baken van rust. Rode draad: het ecosysteem. “Dat verstoren wij als mens, met óns systeem.”

Baptist vecht daartegen. Ironisch genoeg alleen maar door een spiegel voor te houden: “De overheid handhaaft haar eigen wetten simpelweg niet. Ik zorg alleen maar dat ze zich aan haar eigen wetten houdt.”

Bij zijn strijd komt zijn liefde voor het ecosysteem samen met zijn juridische kennis en achtergrond. En voor beide ligt de oorsprong bij zijn sociaal bewogen vader, die jurist was en voor de reclassering werkte. “Het gebeurde geregeld dat mensen die net uit de gevangenis kwamen, eerst een paar weken bij ons thuis logeerden.”

In zijn jonge jaren deed Baptist zijn eerste juridische kennis op als opsporingsambtenaar bij het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. Hij legde zich toe op natuurovertredingen en bekwaamde zich in de jaren daarna in deze materie: “Ik mag mezelf inmiddels wel specialist noemen in de natuurrichtlijnen van de Europese Unie, ja.”

Naast zijn juridische kennis was het vooral de liefde voor de natuur die Baptist van zijn vader meekreeg. “Ik groeide op aan zee, in Scheveningen. Ik weet nog dat ik in de winter van 1956 eropuit trok met mijn vader. Alles was met ijs bedekt, op zee dreven duizenden eenden tussen de ijsschotsen. Dat was magisch. Dat heeft een bepaald gevoel aangewakkerd, een zekere nieuwsgierigheid: hoe zit dit allemaal in elkaar?”

“Ik verzamelde zeebeestjes, onderzocht vlinders en dook in de bosbodem op zoek naar alles wat leeft. Het woord ecosysteem kende ik nog niet, maar de samenloop van de natuur fascineerde mij al op zeer jonge leeftijd.” Vanaf dat moment begreep Baptist dat er een ingenieus systeem achter de natuur zit. Dat alles in elkaar grijpt. En als klein ventje wilde hij dat al doorgronden.

De zee is nu troebel

Hij bracht eindeloze uren door aan zee, zwemmend, observerend, ontdekkend. “In de zomer liep ik het water in en keek ik wat er allemaal voor mijn voeten wegsprong”, vertelt hij. “Ik kon het zo oppakken, bestuderen en in mijn zeewateraquaria leggen. Dat was voor mij de mooiste manier om de natuur te begrijpen.”

Die heldere, levendige zee uit zijn jeugd bestaat niet meer. “Als ik nu in Scheveningen naar het water kijk, heb ik nauwelijks zicht. Het zeewater is zo verschrikkelijk troebel geworden.” Die verandering is geen toeval, maar een direct gevolg van menselijke ingrepen, legt hij uit. “Dat troebele water komt door de manier waarop we de Rijn en de Maas in zee laten stromen. De Deltawerken hebben de dynamiek van het zeewater volledig veranderd.”

‘De vijand beheert nu de natuur’

Het was een van de eerste grote inzichten die hij kreeg tijdens zijn werk bij Rijkswaterstaat; grootschalige infrastructuurprojecten, zoals de afsluiting van waterwegen en de aanleg van havens, hebben grote effecten tot ver op zee. “Mensen denken vaak dat een dam of een sluissysteem alleen invloed heeft op het gebied eromheen, maar de gevolgen van de Deltawerken strekken zich uit tot in Denemarken. Zo wordt ons rivierwater minder goed gemengd met zeewater, nu het niet meer via meerdere uitmondingen de zee instroomt. Daardoor ontstaat bijvoorbeeld algenbloei langs de kust, helemaal tot aan de Duitse Bocht.”

“In 1982 is de natuur in Nederland letterlijk ingekwartierd bij de vijand”, zegt Baptist stellig. “In dat jaar werd natuurbeheer, dat tot dan toe onder het ministerie van CRM viel, overgeheveld naar het ministerie van Landbouw en Visserij. Vanaf dat moment is het natuurbeleid op subtiele wijze voortdurend geremd. Natuur wordt door de landbouw immers als een belemmering beschouwd. Terwijl bij Rijkswaterstaat juist sprake was van een zeer vooruitstrevend natuurbeleid.”

Hij verwijst naar het programma Ruimte voor de Rivier uit 2006. In plaats van dijken alleen te verhogen, kreeg de rivier meer ruimte door uiterwaarden uit te graven. “Dat zorgde niet alleen voor meer waterveiligheid, maar ook voor natuurontwikkeling.”

“De landbouwsector had echter maar één doel: groei, groei en nog eens groei”, aldus Baptist. “De sector wilde geen beperkingen en verzette zich fel tegen elke vorm van natuurbescherming.” Dat verzet botste steeds vaker met de Europese wetgeving, die juist gericht is op de bescherming van mens, dier en milieu.

“Op papier is dat allemaal keurig vastgelegd”, zegt hij, “maar in de praktijk legde de landbouwsector de nadruk op het economische belang. De sector wilde en wil zich niet conformeren aan natuurbeschermingsregels, want dat zou betekenen dat de landbouw een stapje terug moet doen. Dat wil men niet tot op de dag van vandaag. En al helemaal niet nu we een BBB-minister voor Landbouw hebben.”

Droomvrouw

Van leven als een pensionado is het nooit gekomen. Baptist heeft immers een missie. Zelfs wanneer dat ten koste gaat van zijn privéleven. Liever praat hij er niet over, maar hij geeft ruiterlijk toe dat het zijn eerste huwelijk kostte: “Ik was constant met natuur bezig, zeven dagen in de week. Werkweken van minder dan zestig uur waren zeldzaam. Dat ging ten koste van mijn relatie, mijn eerste huwelijk is na vijftien jaar gestrand.”

Na zijn scheiding vond hij in Vera zijn nieuwe liefde. De docente biologie had haar afstudeerstage bij hem gedaan en begreep zijn drive als geen ander. Ze trouwden en reisden samen 25 jaar de wereld over, op zoek naar voor hen nog onbekende natuur: “We waren allebei knettergek. We kochten spontaan een ticket ergens naartoe, huurden een auto en dan zeiden we: gaan we links- of rechtsaf? Dagenlang brachten we samen door in de natuur. Met haar voelde ik me volkomen vrij. Ze was mijn droomvrouw.”

Zijn stem stokt. Na een stilte vervolgt hij: “Die droom kwam onverwacht ten einde.” Vera kreeg borstkanker, waarvan ze in eerste instantie herstelde door een borstamputatie. Maar bij de reconstructie van de borst werd eierstokkanker ontdekt. Ze overleed binnen een jaar. Een verlies dat hij nooit helemaal te boven is gekomen.

Baptist ziet de mens als de schadelijkste diersoort, die zichzelf ten gronde zal richten. “De mens heeft geen al te lang leven meer. De gemiddelde leeftijd voor een diersoort is maar twee à drie miljoen jaar. Het gaat hard achteruit, onder andere door klimaatverandering. Misschien wel erg, maar misschien ook niet erg. Dat is een persoonlijke invulling. Waar ik vooral mee bezig ben, is met het leggen van een voedingsbodem voor de natuur als wij er straks niet meer zijn.” Het is illustratief voor hoe Baptist naar het leven kijkt: individuen zijn onbelangrijk, het gaat om het ecosysteem en wat een ieder daaraan toevoegt. Met een nuchtere blik voegt hij eraan toe: “De natuur kent geen beloningen of straffen. Alleen maar gevolgen.”

“Mijn privéleven ís rechtszaken voeren tegen overheden”

Zorgen over de toekomst van de aarde hebben hem er altijd toe aangezet om zijn kinderen een diep respect voor de natuur bij te brengen. “Waar andere kinderen het woord ‘vogel’ leerden, kenden die van mij iedere vogel bij naam.” Die liefde voor de natuur heeft zich voortgezet in de volgende generaties Baptist: een van zijn zoons is bioloog en zijn kleindochters studeren alle drie een natuurgerichte opleiding aan de Wageningen Universiteit. “Natuurlijk is het mooi om te zien dat ze het oppakken, maar het is ook noodzakelijk”, zegt hij. “Zij zullen straks leven met de gevolgen van wat wij nu doen.”

Op de vraag of zijn privéleven nog lijdt onder zijn drukke bestaan, haalt Baptist zijn schouders op: “Mijn huidige vriendin, overigens ook biologieleraar, begrijpt me volledig en steunt mijn werk. Want mijn privéleven is wat ik doe: rechtszaken voeren tegen overheden. Juist op die manier kan ik genieten van mijn pensioen, omdat ik geen geld meer hoef te verdienen. Ik zie het als onbetaald genieten.”

De baanbrekende uitspraak van de Raad van State ziet hij niet als kers op de taart van zijn lange carrière, sterker nog: “Nu begint het pas. Om de implementatie van de uitspraak daadwerkelijk voor elkaar te krijgen, moet ik nog flink aan de bak.” Of hij met zijn camper ooit nog naar Spanje gaat? “Ik ben bang van niet. Mijn gevecht is nog niet klaar. Ik sterf in het harnas.”

Omwonenden eisen inzicht in pesticidengebruik ‘Waarom mag ik niet weten wat ik inadem?’ (Trouw)

Voor omwonenden is inzicht verkrijgen in pesticidengebruik van bollenboeren haast onmogelijk. De wet schrijft maximale transparantie voor, maar het ministerie en toezichthouder NVWA vragen geen spuitgegevens op bij boeren. Een gang naar de rechter vergt een lange adem.

Zuchtend zet Joke Kolthoff een kop thee op tafel in haar woonkamer. Ze kijkt uit op een enorme akker, pal naast haar huis in het Drentse Lhee, gemeente Westerveld. Op het perceel worden geregeld lelies geteeld, berucht om het hoge pesticidengebruik. Het is voor Joke een grote bron van zorg. De bloementeler weigert inzicht te geven in zijn pesticidengebruik en verzoeken aan de gemeente Westerveld en andere overheidsinstanties worden keer op keer afgewezen. “Het voelt zo oneerlijk”, zegt Kolthoff. “Waarom mag ik niet weten wat ik inadem?”

Kolthoff is samen met andere omwonenden al bijna tien jaar bezig om erachter te komen welke middelen de boer op zijn perceel spuit. De ongerustheid is groot. Wetenschappelijke onderzoeken brengen pesticiden steeds vaker in verband met onder meer kanker en neurologische aandoeningen als de ziekte van Parkinson en ALS. Via de lucht komen bestrijdingsmiddelen makkelijk in de tuinen van omwonenden terecht. Vlaams en Nederlands onderzoek trof pesticiden zelfs in slaapkamers aan, tot in babyluiers aan toe.

Kopie van spuitgegevens
“Ik weet tot op de dag van vandaag niet welke middelen er naast mijn huis worden gebruikt”, zegt Kolthoff. “Eén keer heb ik een kopie van de spuitgegevens gezien, toen we een procedure voerden bij Provinciale Staten, maar verder zijn alle verzoeken om transparantie afgewezen door de overheid. Ik weet dus ook niet wannéér er pesticiden wordt gespoten, zodat ik mijn ramen en deuren dicht zou kunnen doen zoals het officiële GGD-advies voorschrijft.”

Inmiddels heeft Kolthoff zich verenigd met andere omwonenden en is er een rechtszaak aangespannen tegen de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) om inzicht in de spuitgegevens af te dwingen.

Ook op andere plekken in Nederland klopten omwonenden de afgelopen jaren aan bij autoriteiten met de vraag welke pesticiden in hun directe omgeving worden gebruikt. Steeds krijgen ze nul op het rekest. De reden? De Nederlandse overheid beschikt simpelweg niet over deze gegevens: boeren zijn verplicht hun pesticidengebruik bij te houden, maar de registratie valt onder hun eigen verantwoordelijkheid. Door het ontbreken van een centraal registratiesysteem blijft essentiële informatie daardoor buiten het bereik van burgers die zich zorgen maken over hun gezondheid.

Maatschappelijke verandering
Het aantal toegenomen rechtszaken tussen omwonenden en telers betreft met name handhavingsverzoeken om het gebruik van bestrijdingsmiddelen te beperken of volledig te doen stoppen. Het wantrouwen jegens bestrijdingsmiddelengebruik groeit.

“Bij omwonenden ontstaat steeds meer bewustzijn over landbouwgif en de gevolgen daarvan”, zegt Donna Stolwijk van Urgenda. Stolwijk ondersteunt Aardige Buren, een initiatief dat omwonenden bijstaat in het contact met de gemeente, provincie en telers. “Als dat niets oplevert, is de laatste stap dat we omwonenden ondersteunen om naar de rechter te gaan.”

Het opvragen van spuitgegevens is bij dit proces standaard, maar doorgaans zonder succes. De rechtszaak tegen een lelieteler uit Boterveen in 2023 zorgde volgens Stolwijk echter voor een doorbraak. De rechter besloot in die zaak het gebruik van pesticiden volledig te verbieden. In hoger beroep werd uiteindelijk bepaald dat de betreffende teler vier van de 33 middelen mocht gebruiken.

“Omwonenden eisen vooral dat de overheid strenger handhaaft en hen actief informeert over wanneer welke middelen worden gebruikt”, zegt Stolwijk. “Als de teler geen inzage geeft, tasten omwonenden namelijk in het duister.”

‘Het belast je leven’
Zowel Stolwijk als Kolthoff zien dat het een zware wissel trekt op omwonenden. “Niet weten welke pesticiden rondom je woning worden gebruikt, geeft zoveel onzekerheid dat mensen er soms zelfs voor kiezen om te verhuizen”, zegt Kolthoff. “Het belast je leven, het veroorzaakt enorm veel stress.”

Vooral bij bloembollen maken telers op grote schaal gebruik van bestrijdingsmiddelen: slechts iets meer dan één procent van de landbouwgrond is voor bloembollen, maar de bollenteelt is goed voor 21 procent van het totale pesticidengebruik. En de telers zijn allesbehalve transparant over wat en hoeveel ze gebruiken. Gevraagd naar een reactie zegt voorzitter Hester Maij van de KAVB, de branchevereniging van bloembollentelers: “De KAVB en haar leden staan voor een open gesprek met respect voor elkaar.”

Ze verwijst vervolgens naar twee folders van de vereniging over transparantie en meldt per mail: ‘Ik hoop dat het artikel objectief wordt. Wij merken dat er veel onzin wordt verkondigd en de nuance over het nut en noodzaak van gewasbeschermingsmiddelen ver te zoeken is’. In de folders waarnaar Maij verwijst, wordt met geen woord gerept over spuitgegevens. Maij reageert ook niet op meerdere verzoeken van Trouw om inhoudelijk op vragen in te gaan.

Krakkemikkige wetgeving
In het Europese recht is vastgelegd dat boeren een spuitregister moeten bijhouden. Burgers kunnen deze informatie opvragen bij de overheid. “Maar dit is wel krakkemikkige wetgeving”, zegt Anne de Vries, milieujurist bij de organisatie Natuur & Milieu. “Omwonenden kunnen spuitgegevens opvragen als die informatie in het bezit is van de overheid. Aan dat recht heb je alleen niks als autoriteiten die gegevens niet bij boeren opvragen. Er staat in de wet ook niet dat derde partijen een autoriteit kunnen dwingen om die informatie op te vragen. Dus hebben omwonenden meestal geen inzicht in wat er om hen heen gespoten wordt.”

Het transparantie-principe is ook verankerd in het zogenoemde Verdrag van Aarhus, een door alle EU-landen ondertekend milieurechtverdrag om burgers meer invloed te geven op milieubeleid en milieubescherming. Het verdrag stelt dat iedere burger informatie over milieu-emissies mag opvragen. “En als er íets tot milieu-emissie leidt, is dat pesticidegebruik”, zegt De Vries. “Hiervoor geldt alleen hetzelfde als voor de Europese verordening: autoriteiten kunnen voorkomen dat informatie in hun bezit komt door het gewoon niet op te vragen.”

Kastje naar de muur
Uit gesprekken met omwonenden blijkt dat het lastig is om de juiste overheidsinstantie te vinden voor het opvragen van spuitgegevens. “Het is een klassiek kastje-naar-de-muur-verhaal”, zegt de Drentse Joke Kolthoff. “Allereerst zijn we als omwonenden naar de provincie gegaan, die ons weer verwees naar het ministerie van Landbouw. Het ministerie speelde de bal door naar de NVWA en stelde dat dit de gezaghebbende instantie was.”

De voedsel- en warenautoriteit, verantwoordelijk voor toezicht op pesticidengebruik van telers, is de enige instantie die de gegevens kan opvragen. Echter, “alleen in een toezichthoudende rol”, laat de NVWA weten: “Omwonenden kunnen spuitgegevens opvragen bij de NVWA via een verzoek aan de minister van Landbouw, volgens Europese en Nederlandse wetgeving. De NVWA kan echter alleen informatie verstrekken die zij zelf in bezit heeft en mag geen extra gegevens opvragen op verzoek van derden, tenzij dit nodig is voor haar toezichtstaken.”

Het NVWA voert een paar honderd inspecties per jaar uit bij telers. “Bij de uitvoering van een inspectie kan de NVWA de ondernemer vragen om de registratie te verstrekken. De spuitregistratie maakt echter niet van elke inspectie onderdeel uit”, aldus de autoriteit.

Principiële kwestie
De zaak in Westerveld is inmiddels binnen de rechtbank Noord-Nederland verwezen naar de meervoudige kamer, omdat de rechter het in eerste aanleg als een “ingewikkelde en zeer principiële kwestie” beschouwde. Volgens ecoloog en jurist Henk Baptist, die Joke Kolthoff en de andere omwonenden in Westerveld bijstaat, is de situatie juridisch onhoudbaar. “Nederland is verplicht om de spuitgegevens openbaar te maken. Dat de overheid deze gegevens niet heeft, betekent niet dat burgers hun recht verliezen.”

Of de rechtszaak in Westerveld daar verandering in brengt, zal nog blijken. Vermoedelijk zal de meervoudige kamer voor de zomer oordelen of de overheid zich moet houden aan de Europese transparantieregels en spuitgegevens moet verstrekken. Dat zou grote gevolgen kunnen hebben voor het Nederlandse pesticidenbeleid.

Tot die tijd heeft de minister van Landbouw in elk geval geen plannen om meer transparantie voor omwonenden te bewerkstelligen. Gevraagd naar haar standpunt, laat ze via haar woordvoerder weten: “Overheden kunnen spuitgegevens bij boeren opvragen als dat nodig is voor een specifiek doel. Hoewel de overheid erkent dat er wensen bestaan bij derden, zoals omwonenden, om zo gedetailleerd mogelijke informatie te ontvangen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, verwachten professionele gebruikers andersom dat hun privacy wordt gewaarborgd.”

Omwonende Joke Kolthoff reageert teleurgesteld. “Deze afweging van het ministerie is geen argument. Ik vraag niet naar de pincode of bankgegevens van mijn buurman. Ik wil weten welke pesticiden hij gebruikt omdat het gif op mijn grond en in mijn huis terechtkomt. En dat kan ernstige consequenties hebben voor mijn gezondheid. Ik lees in de reactie van de minister opnieuw grote weerstand om omwonenden het recht te geven op werkelijke transparantie. De overheid kiest ervoor om de belangen van de sector boven de belangen van de inwoners te stellen. Dat is zeer kwalijk.”

Lelietelers mogen niet zomaar meer met gif spuiten, oordeelt Raad van State (Trouw)

Zolang lelietelers niet kunnen aantonen dat het gebruik van pesticiden ongevaarlijk is voor de natuur, moeten ze een natuurvergunning aanvragen, oordeelt de Raad van State.

De provincie Drenthe had een vergunning moeten eisen voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen bij de teelt van lelies in de buurt van het Holtingerveld, een Europees beschermd Natura 2000-gebied. Zo oordeelt de Raad van State woensdagochtend, in een zaak tegen die provincie, in 2018 aangespannen door Milieudefensie.

De uitspraak kan vergaande gevolgen hebben voor pesticidengebruik in de landbouw, waarin lelies vaak een wisselteelt vormen, om de bodem luchtiger te maken. Voor andere gewassen worden dezelfde bestrijdingsmiddelen als in de lelieteelt gebruikt.

De provincie Drenthe meende dat een afstand van minstens 250 meter tussen een lelieveld en een natuurgebied voldoende waarborg biedt om negatieve gevolgen van pesticiden voor de natuur uit te sluiten. De Raad van State ziet dat anders: die afstand is niet wetenschappelijk onderbouwd.

Negatieve gevolgen

Dat betekent dat iedere lelieteler in Nederland, op welke afstand van een natuurgebied deze ook teelt, voortaan een natuurvergunning nodig heeft. Die vergunning is nog geen enkele keer verstrekt voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen.

‘Wanneer onzeker is welke gevolgen een activiteit heeft voor een Natura 2000-gebied’, zo schrijft de Raad van State in een toelichting, ‘maar er wel aanwijzingen zijn voor negatieve gevolgen, is nader onderzoek noodzakelijk. Zolang dat ontbreekt, moet uit voorzorg worden aangenomen dat een natuurvergunning nodig is.’

Henk Baptist, ecoloog en jurist, die de zaak voert namens Milieudefensie: “De overheid is aan zet. Spuiten zonder vergunning is een overtreding van de natuurwetgeving.”

Insecten en andere beschermde soorten

De Raad schrijft ook: ‘Er is nog veel onbekend over de mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen in de lelieteelt voor Natura-200 gebieden. Maar uit wat Milieudefensie in deze zaak naar voren heeft gebracht, wordt wel duidelijk dat er effecten kunnen zijn.’

Er zijn concentraties van meerdere pesticiden gevonden in het Holtingerveld, die mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben voor insecten en andere in dit gebied beschermde soorten. ‘Aan zulke mogelijke negatieve effecten mag niet worden voorbijgegaan’, stelt de Raad.

Dat de gebruikte pesticiden zijn toegelaten door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) speelt hier geen rol, blijkt uit de uitspraak. De provincie moet namelijk een afweging maken op grond van de Wet natuurbescherming, die veel strenger is dan de toelatingsnormen van het Ctgb.

Natuurvergunning is niet makkelijk te krijgen

Een natuurvergunning is daarom niet zo makkelijk te krijgen, legt Anne de Vries, jurist bij Natuur & Milieu en docent aan de Tilburg Universiteit uit. “Er mogen geen alternatieven zijn waar kan worden geteeld, er moet een dwingende reden van maatschappelijk belang zijn waarom de teelt nodig is – maak dat maar eens hard bij bollen – en de potentiële schade moet worden gecompenseerd, bijvoorbeeld met natuurherstelmaatregelen.”

Milieudefensie had Drenthe in 2018 verzocht om handhavend op te treden tegen het gebruik van pesticiden door een lelieteler in Vledder. De provincie wees het verzoek af, waarna de rechtbank Noord-Nederland dat besluit vernietigde. De provincie ging in hoger beroep bij de Raad van State.

Die geeft de provincie wel gelijk in de vervolgstap die is genomen: de teler krijgt een waarschuwing. Zo dwingt de provincie de teler om aan te tonen dat het pesticidengebryuik geen negatieve gevolgen heeft voor de beschermde natuur. “Een teler kan dat helemaal niet aantonen”, zegt jurist Baptist. “Bovendien moet het probleem niet bij de teler liggen, maar bij de overheid.”

De Vries noemt het “kwalijk dat de overheid de natuurwetgeving en de uitspraak van de rechtbank uit 2021 niet uitvoert zonder dat de Raad van State er aan te pas komt”.

Drenthe wil een landelijk onderzoek naar de gevolgen van pesticidengebruik voor beschermde natuur. De provincie legt zich er nog niet op vast dat zij ook daadwerkelijk gaat handhaven. Het provinciebestuur gaat zich beraden op de uitspraak, die volgens een woordvoerder “van meerdere kanten uit te leggen is”. Of een natuurvergunning daadwerkelijk nodig is, is volgens de provincie “nog maar de vraag”.

LTO laat op haar website weten dat de uitspraak onuitvoerbaar is voor telers. Die zouden dus moeten aantonen dat het gebruik van pesticiden geen negatieve gevolgen heeft voor beschermde gebieden. ‘Hoe onderbouwt een ondernemer dat ieder denkbaar, theoretisch risico uitgesloten kan worden?’ Voorzitter Hester Maij van belangenorganisatie voor de bollensector KAVB zegt: “Een door het Ctgb toegelaten middel dat volgens voorschrift wordt gebruikt, is aantoonbaar veilig. Die lijn zou niet bij het grofvuil gezet moeten worden.”

Lees het volledige artikel bij Trouw

Registratie van pesticiden rammelt aan alle kanten (Trouw)

Boeren en telers zijn verplicht het gebruik van pesticiden zelf bij te houden, maar de gegevens worden nergens centraal opgeslagen. Dit belemmert wetenschappelijk onderzoek, waarschuwt het RIVM. Gevaren voor de volksgezondheid zijn niet goed in kaart te brengen.

Op een grijze herfstochtend regent het onophoudelijk in Andijk, een klein dorp aan het IJsselmeer in West-Friesland. Hier staan de akkers vol bloembollen, in het voorjaar exploderen de bloemen in felle kleuren. Niels Kreuk (50) is er al tientallen jaren bloembollenteler en maakt volop gebruik van pesticiden om zijn oogst te beschermen tegen plagen en ongedierte. Maar wie houdt er toezicht op dergelijk gebruik?

Kreuk: “Als teler ben ik verplicht om mijn gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zelf te registreren. Wat ik ervan vind? Ik snap het wel, maar het is veel administratie en het is de vraag wat het oplevert als de inkoophoeveelheden toch al bekend zijn.”

Kreuk toont een pdf-document dat gedetailleerd inzicht geeft in het pesticidengebruik op zijn akkers. Tot en met de windsnelheid houdt hij nauwkeurig bij. Kreuk is echter de enige die hier inzage in heeft. Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) verplicht telers als Kreuk deze administratie vijf jaar te bewaren.

Met de verplichte zelfrapportage probeert het ministerie toezicht te houden op het gebruik van bestrijdingsmiddelen. De gegevens worden echter niet in een centraal registratiesysteem opgeslagen, waardoor adequate monitoring ontbreekt. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) constateert al jaren dat de registratie bij veel boeren en telers niet op orde is, maar heeft onvoldoende capaciteit om regelmatig te controleren.


Zorgen bij omwonenden
De zorgen over het gebruik van pesticiden nemen de laatste jaren toe, vooral bij omwonenden van bloemen- en bollenvelden. Bestrijdingsmiddelen worden steeds vaker in verband gebracht met parkinson, ALS en kanker. “Het is gerechtvaardigd om bezorgd te zijn over de gevolgen voor de volksgezondheid”, stelt Roel Vermeulen, hoogleraar milieu-epidemiologie aan de Universiteit Utrecht. Vermeulen is een van de onderzoeksleiders van Onderzoek Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden (OBO-2), dat inzicht geeft in de gevolgen die pesticiden hebben voor omwonenden van land- en tuinbouwgronden. Het RIVM coördineert dit onderzoek in opdracht van de ministeries van LVVN en VWS (Volksgezondheid, Welzijn en Sport).

Bestrijdingsmiddelen worden in Nederland goedgekeurd door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). De NVWA monitort het pesticidengebruik en ziet toe op de naleving van de regels. Het in kaart brengen van de gevaren voor volksgezondheid is echter lastig met het huidige, diffuse registratiesysteem. “Er is te weinig bekend over hoe veel en hoe vaak mensen worden blootgesteld aan pesticiden. Dat komt onder meer doordat we niet routinematig monitoren”, aldus Vermeulen.

“Meerdere kwesties baren mij zorgen”, zegt de hoogleraar. “Allereerst is er discussie of de risico’s van alle pesticiden wel adequaat zijn beoordeeld door het Ctgb. Het gaat daarbij vooral om de neurotoxische risico’s die momenteel niet standaard worden meegenomen als een bestrijdingsmiddel wordt getest.”

Daarnaast zijn er mogelijke stapelingseffecten. Nu wordt er per pesticide getest wat de gevolgen zijn, maar in de praktijk wordt er nooit één bestrijdingsmiddel gebruikt. Vermeulen: “Het risico is dat meerdere pesticiden samen een opstapelend of zelfs synergistisch effect (versterkend effect door de combinatie van pesticiden, red.) hebben wanneer mensen eraan worden blootgesteld.” Juist daarom is goede monitoring belangrijk, stelt Vermeulen.

Grootschalig onderzoek
Het RIVM doet sinds 2015 grootschalig landelijk onderzoek via het zogenoemde OBO-1 (Onderzoek Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden) en met Gezondheidsverkenning omwonenden van landbouwpercelen in 2018. Daaruit blijkt dat er aanwijzingen zijn voor een verhoogd risico. Zo rept het eindrapport over de ziekte van Parkinson bij fruitteelt en van leukemie bij afwisselende granen-bieten-aardappelteelt. Een causaal verband, zo meldt het onderzoek, kan niet worden aangetoond, maar moet zeker niet worden uitgesloten.

De Gezondheidsraad pleit in 2020 voor een nieuw en uitgebreider onderzoek en benoemt het ontbreken van een centraal registratiesysteem voor pesticiden als knelpunt. Het advies is om te komen tot ‘betrouwbare, uniforme en landelijke registratie van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op perceelsniveau’. Dit zou goed epidemiologisch onderzoek naar eventuele gezondheidseffecten mogelijk maken.

Aan het advies voor het optuigen van een centraal registratiesysteem geeft het ministerie van LNV in eerste instantie ook gehoor. Onder leiding van minister Piet Adema (ChristenUnie) zijn er in april 2023 vergevorderde plannen voor een digitale gewasbeschermingsmonitor. In februari dit jaar trekt de Europese Commissie echter de stekker uit de Europese pesticidenwet vanwege gebrek aan steun van de lidstaten. De wet zou naast 50 procent reductie van pesticidengebruik in 2030, ook centrale registratie van pesticiden verplichten. Adema laat de beslissing over een digitale gewasbeschermingsmonitor over aan zijn opvolger, Femke Wiersma (BBB).

De koers van minister Wiersma is inmiddels helder. Ze geeft geen opvolging aan de plannen van Adema. Onlangs stemde zij bovendien tegen een motie voor betere monitoring in de Europese Unie. Wiersma wil de verantwoordelijkheid bij de sector leggen door middel van vrijwillige benchmarking.

Dat Wiersma niets doet met de plannen van haar voorganger, betreurt hoogleraar en RIVM-onderzoeker Vermeulen. Hij pleit voor een centraal en openbaar registratiesysteem waarin boeren en telers de aankoop en het gebruik van pesticiden vastleggen. “Om de gezondheidsrisico’s in kaart te brengen, is dat echt noodzakelijk.”

Structurele problemen
Het gebruik van bestrijdingsmiddelen in Nederland lijkt met de Wet gewasbeschermingsmiddelen aan strenge voorschriften gebonden. Maar de praktijk is weerbarstiger. De NVWA constateert al jaren dat er bij de registratie en naleving van gebruiksvoorschriften veel misgaat; een derde van de boeren en telers overtreedt de regels. “Wij constateren al jaren een lage naleving op het gebied van gewasbescherming, wat duidt op een structureel probleem”, meldt de NVWA-website.

Minister Femke Wiersma ziet geen reden tot strengere controles. Tijdens een debat met de Kamercommissie voor Landbouw op 27 november zegt ze: “Het blijft de verantwoordelijkheid van de telers om de wet na te leven.” En ze wijst vervolgens naar de NVWA: “Toezicht is aan het NVWA, niet aan mij.” Het NVWA werkt in opdracht van het ministerie van Landbouw.

Dat het toezicht niet waterdicht is, illustreert bloementeler Kreuk in Andijk. Op de vraag of de registratie van tien liter glyfosaat in een maand niet net zo goed twintig liter kan zijn, zegt hij: “Tsja, dat is haast niet te controleren. Behalve als je alles zou vergelijken met de inkoop die een boer doet. De enige manier waarop je dat passend krijgt, is door de facturen van de groothandel erbij te pakken. Op papier zou je kunnen liegen.” De NVWA is nog nooit langs geweest bij Kreuk.

Tweede Kamerlid Laura Bromet (GroenLinks-PvdA) is daarover niet verbaasd. “De afgelopen jaren is er veel bezuinigd op de NVWA, juist door partijen die pro-landbouw zijn. Dat is ook niet voor niks, want dat is omdat ze vinden dat ze dan te veel last hebben van die controles.

Structureel verschil
Registratie van de afzet en gebruik van pesticiden, zoals teler Kreuk suggereert, wordt in Nederland alleen gedaan op nationaal niveau. In 2020 bracht het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) het verschil tussen de verkoop en het gebruik van pesticiden in Nederland in beeld. Middels een enquête onder boeren en telers berekent het CBS iedere vier jaar het pesticidengebruik. De verkoopcijfers komen uit een centraal systeem van alle fabrikanten die pesticiden op de Nederlandse markt brengen en geven een bijzonder beeld; jaarlijks wordt rond de tien miljoen kilo pesticiden verkocht in Nederland. Maar slechts de helft, vijf miljoen kilo, wordt door boeren en telers geregistreerd als gebruik.

De eerste reden die het CBS geeft om dit enorme verschil te verklaren is dat er ‘geen centraal register voor gebruik in de landbouwsector beschikbaar is’. De verschillen tussen de hoeveelheid verkochte pesticiden en het gebruik zijn structureel rond de 50 procent. Een klein deel daarvan, niet meer dan 5 procent, is te verklaren doordat het in het verleden ook andere sectoren pesticiden gebruikten, zoals de industrie en vervoerders. Er is dus een groot deel dat niet volledig is te traceren, erkent het CBS.


Benchmarking
Ondanks deze verschillen in verkoop- en gebruikscijfers, blijft minister Wiersma van mening dat de sector zelf verantwoordelijk moet blijven voor de registratie. Om de monitoring te verbeteren, steunt de minister wel het benchmarking-initiatief van de sector. Daarmee kunnen boeren en telers elkaars gebruik van bestrijdingsmiddelen bekijken. “Leren van anderen stimuleert om minder bestrijdingsmiddelen te gebruiken”, stelt de minister.

Voor Kamerlid Ines Kostić (Partij van de Dieren) is dat volstrekt onvoldoende. “Je moet het zo transparant mogelijk maken: wat wordt er precies gebruikt en wat wordt er precies ingekocht? Dit is nu echt een groot knelpunt. Je kunt nu niet zomaar te weten komen hoeveel landbouwgif agrariërs in een bepaald gebied gebruiken. De huidige manier van werken is niet volledig en niet transparant. Dat is heel kwalijk.”

Geert Pinxterhuis is projectleider van het Actieplan Plantgezondheid bij brancheorganisatie BO Akkerbouw (vertegenwoordiger van veertien brancheorganisaties, waaronder LTO). Hij stelt dat er tussen telers grote verschillen zijn in het pesticidengebruik. “Met benchmarking willen we die verschillen in beeld brengen en duiden. Dat moet uiteindelijk resulteren in een gericht advies om het beter te doen. Het ministerie weet dat wij voorstander zijn van een digitale gewasbeschermingsmonitor, zoals voormalig minister Adema wilde ontwikkelen.”

Noodzaak
Hoogleraar Vermeulen: “De registratie van pesticiden gebeurt dus niet consistent. Ook hoeven boeren en telers gegevens niet langer dan vijf jaar te bewaren. Veel chronische aandoeningen, waaronder de ziekte van Parkinson, hebben hun oorsprong echter in het verleden. Historische gegevens van pesticidengebruik zijn dus van groot belang.”

Pinxterhuis van BO Akkerbouw voegt hieraan toe: “Het is voor iedereen goed als we de consequenties van het pesticidengebruik scherp in beeld hebben. De boer en zijn gezin zijn ook omwonenden, die hebben daar ook baat bij.”

In een reactie zegt landbouwminister Wiersma niet bekend te zijn met het landelijke OBO-2-omwonenden-onderzoek dat door het RIVM ook in haar opdracht wordt uitgevoerd. “Ik ben geen lopende encyclopedie”, reageert ze in de hal van de Tweede Kamer. Gevraagd naar de gebrekkige monitoring en de gevolgen voor de volksgezondheid, zegt Wiersma: “Wat betreft monitoring van volksgezondheid moet u bij de minister van Volksgezondheid zijn.”

Lees het artikel op de website van Trouw

Ontvoeringen houden Keniaanse jongeren niet tegen (De Groene Amsterdammer)

Nairobi – Er is geen formele organisatie, ze hebben geen woordvoerder of leider, toch houdt Generatie Z Kenia al weken in de greep. Jongeren vinden elkaar via sociale media en gaan massaal de straat op. Ze protesteren tegen de aangekondigde belastingverhogingen en laten daarbij zien hoe vindingrijk ze zijn.

De onrust begint in mei als president Ruto een wetsvoorstel indient voor belastingverhogingen. Met zijn Finance Bill worden alledaagse producten als bakolie, maandverband en brood fors duurder. Ruto heeft het geld hard nodig om Kenia’s staatsleningen af te lossen en het begrotingstekort te dichten. Vooral jongeren komen in verzet. Kenia kampt met een enorme werkloosheid; van de jongeren is een derde na hun studie werkloos. Leger en politie reageren gewelddadig en schieten met scherp op de demonstranten. Meer dan twintig Kenianen komen om.

‘Jongeren in Kenia zijn naam-, gezichts- en partijloos. Maar wat we gemeen hebben is onze leeftijd en de hoop op een betere toekomst’, zegt rechtenstudente Nyawanga Owuor (20) die viraal gaat als ze op Instagram uitleg geeft over de belastingverhogingen. ‘Door mijn studie ben ik in staat om de ingewikkelde, 160 pagina’s tellende Finance Bill uit te leggen aan mijn leeftijdsgenoten. Natuurlijk was ik verrast dat mijn filmpje zo vaak werd bekeken, maar ik begrijp het ook; het aantal afgestudeerde studenten neemt toe en het aantal beschikbare banen blijft achter. Er zijn zoveel Gen-Z’ers die geen werk en geen geld hebben. Ze kunnen hun huur nu al niet betalen, hoe moet het dan als de eerste levensbehoeften ook nog eens vele malen duurder worden?’

Ook anderen geven online in filmpjes uiting aan hun paniek. Het leidt tot de groeiende protesten die spontaan lijken te ontstaan. Jongeren weten elkaar op diverse sociale kanalen te vinden. Zo starten ze een crowdfunding om gearresteerde demonstranten te helpen aan een advocaat. Tijdens de protesten rijden auto’s rond die water uitdelen en zijn er tal van medische posten waar eerste hulp wordt gegeven.

De regering zet inmiddels een nieuw middel in om de protesten te stoppen; het ontvoeren van jonge influencers met groot bereik op sociale media. ‘Ze willen de angel uit onze protesten halen, maar we hebben niet één leider. We zijn een beweging van een hele generatie’, reageert Owuor.

Lees hier het artikel op de website van de Groene Amsterdammer

Kenianen in opstand tegen hoge belastingen (Radio1, NOS Met het Oog op Morgen)

Ook vandaag weer betogingen en keihard politie-ingrijpen in Nairobi, de hoofdstad van Kenia. Er heerst grote woede onder de bevolking omdat de regering de belastingen flink heeft verhoogd waardoor het dagelijks levensonderhoud een stuk duurder is geworden. De Nederlandse journalist Leon Zantinge was vanmiddag bij de demonstraties.

Luister het fragment op de website van Radio1

(Be)strijdbaar

Jobien (60), een krachtige vrouw die sinds 2015 strijdt tegen een onverwachte tegenstander: de ziekte van Parkinson. Ze ontdekte dat dit vermoedelijk is ontstaan door haar werk met bestrijdingsmiddelen. Als beleidsmedewerker bij de Parkinson Vereniging zet Jobien zich onvermoeibaar in voor bewustwording en verandering van het gebruik van pesticiden. In een poging de toelating van de omstreden pesticide glyfosaat in de Europese Unie te stoppen, stuit ze op obstakels, maar haar vastberadenheid blijft ongebroken. Ondanks het teleurstellende besluit (november 2023) van de EU om het gebruik van Glyfosaat voor nog eens tien jaar goed te keuren, blijft Jobien vastbesloten om een betere wereld achter te laten. Ontdek haar inspirerende verhaal in deze mini-docu, waarin ze haar persoonlijke strijd deelt: een toekomst zonder onnodige gezondheidsrisico’s.