Veel meer PFAS in pesticiden: grote zorgen om drinkwater (Argos)

PFAS-houdende pesticiden zijn in Nederland in vier jaar tijd meer dan verdubbeld. Dat blijkt uit onderzoek van Argos. De groei kan doorzetten als een algeheel verbod op PFAS, zoals nu voorligt in Brussel, pesticiden blijft uitzonderen. De PFAS bereiken ook ons grond- en drinkwater. Als er niets verandert, vrezen drinkwaterbedrijven voor ‘onherstelbare verontreinigingen’.

De afgelopen jaren werd steeds meer bekend over de risico’s van ‘forever chemicals’, ofwel PFAS. Dat zijn door mensen gemaakte, nauwelijks afbreekbare stoffen die zich opstapelen in mens en natuur, met ernstige gezondheidsrisico’s zoals kanker. Daarom dient Nederland In februari 2023.samen met Duitsland, Denemarken, Noorwegen en Zweden, een voorstel in bij het Europees agentschap voor chemische stoffen (ECHA). Ze willen een verbod op de productie en het gebruik van vrijwel alle PFAS-stoffen. Het voorstel geldt als een van de meest ambitieuze chemische verbodsprocedures in de geschiedenis van de Europese Unie (EU).  

 Maar in het voorstel staat, mede onder druk van de industrie, vanaf het begin een uitzondering: voor PFAS bij ‘essentieel gebruik’. Daaronder valt de medische wereld, maar ook pesticiden. Volgens de indienende landen zouden pesticiden al op veiligheid worden gecontroleerd door een eigen reguleringssysteem. Het zou onnodige ‘dubbele regulering’ betekenen om ze ook onder het PFAS-verbod te scharen. 

 PFAS zitten in veel verschillende producten. Bekende voorbeelden zijn anti-aanbakpannen en regenjassen, maar ze zitten ook in pesticiden. Op gewassen zorgen PFAS ervoor dat het water afstoot. Daardoor blijven de pesticiden langer op de plant, wat handig is om bijvoorbeeld schimmels te bestrijden.  

Uit onderzoek van Argos blijkt nu dat juist deze groep bestrijdingsmiddelen de afgelopen jaren in Nederland forst groeit. De afzet van PFAS-houdende pesticiden nam toe van 131 ton in 2019 naar 268 ton in 2023. Een verdubbeling in vier jaar tijd.  

Gebruik stijgt ondanks dip

Het is bijzonder dat het gebruik van PFAS-houdende pesticiden toeneemt. De afgelopen jaren schommelt de totale afzet van pesticiden namelijk. In 2023, het meest recente jaar waarover cijfers beschikbaar zijn, is een flinke dip te zien van ongeveer 25%. Boeren gebruikten toen minder pesticiden, vanwege een gunstig oogstjaar met weinig ziekte- en plaagdruk. In weerwil van deze trend werden PFAS-houdende pesticiden juist populairder. 

Ook onderzoeksbureau CLM deed, in opdracht van zeven provincies en de vereniging van waterbedrijven in Nederland Vewin, onderzoek naar PFAS-houdende pesticiden. Het onderzoek wordt volgende week gepresenteerd, maar desgevraagd bevestigt hoofdonderzoeker en milieukundige Peter Leendertse de toename: “Dat komt door een aantal nieuwe pesticiden op de markt, die enorm populair zijn. Daarbij, PFAS-houdende pesticiden kunnen vrij gericht en effectief werken. Daardoor zie je een paradox: je bent bezig met zo goed en effectief mogelijk gebruik te maken van bestrijdingsmiddelen, maar ondertussen zit er wel PFAS in en wordt de bodem vervuild.” 

 Vewin is bezorgd over de gevolgen. “Als de toevoer van PFAS uit verschillende routes niet wordt gestopt, kunnen kwetsbare winningen voor de drinkwaterproductie op den duur onherstelbaar verontreinigd worden.” 

 Ook boeren zelf maken zich zorgen. Hoofdonderzoeker Leendertse: “Zij weten vaak niet dat er PFAS in bestrijdingsmiddelen zit. Ik heb veel boeren gesproken die wilden weten in welke bestrijdingsmiddelen pfas zaten, zij zeiden: ’ik wil mijn bodem niet vervuilen.’”  

Provincies en drinkwaterbedrijven zijn ook bezig meer inzicht te krijgen, omdat pas recent is begonnen met meten van PFAS in het grondwater. 

TFA in grondwater

Een grote boosdoener binnen de groep PFAS-pesticiden is de stof TFA. Trifluorazijnzuur (TFA) is een nieuw soort PFAS. Er worden dan ook pas sinds kort metingen naar gedaan in het grondwater. TFA is een afbraakproduct van verschillende PFAS-houdende pesticiden. Deze ‘kleinste PFAS’ is extreem persistent en mobiel: het spoelt gemakkelijk door naar het grondwater. Een bijkomend probleem: het is zo klein dat het nauwelijks is te verwijderen met de traditionele waterzuiveringstechnieken. 

Ook provincies beginnen zich dat te realiseren. De Provincie Utrecht publiceert eind 2023 een document waaruit een verontrustend beeld over het drinkwater naar voren komt: ‘TFA wordt aangetroffen in concentraties die duizend keer hoger liggen dan andere PFAS-stoffen’. Opvallend daarbij is dat TFA voornamelijk rondom landbouwgrond wordt aangetroffen. ‘Deze PFAS-stof vertoont een duidelijk ander patroon dan de overige PFAS-stoffen. De stof is namelijk sterk verhoogd in met name akkerbouwgrond en boomgaarden, wat suggereert dat deze samenhangt met gebruik van bestrijdingsmiddelen.’  

Uit gesprekken met meerdere provincies blijkt dat Utrecht niet de enige provincie is waar TFA wordt aangetroffen. Drenthe, Overijssel en Noord-Brabant melden soortgelijke patronen.  

Nog geen streep door PFAS

Drinkwaterbedrijven zijn stellig: “Er moet zo snel mogelijk een PFAS-verbod komen dat pesticiden niet langer uitzondert.”, aldus de vereniging van drinkwaterbedrijven Vewin.  

Provincies, verantwoordelijk voor de grondwaterkwaliteit, stellen zich terughoudender op. In september 2024 schrijven de gezamenlijke provincies in een zogenoemd ‘position paper’ dat zij dan wel een “zo snel en zo volledig mogelijk Europees PFAS restrictievoorstel” willen, maar “uitzonderingen waar dat strikt noodzakelijk is en echt niet anders kan (zoals enkele medische toepassingen)” willen behouden. Of PFAS-houdende pesticiden hieronder vallen, laten de provincies in het midden. Zo blijft de deur op een kier voor deze groep pesticiden. 

Emeritus hoogleraar milieuchemie en toxicologie Jacob de Boer, gespecialiseerd in PFAS, twijfelt niet: “Ik ben absoluut voorstander van een algeheel PFAS-verbod, inclusief pesticiden. Het zorgt voor vervuiling van het grond- en drinkwater. En er zijn voor pesticiden makkelijk alternatieven te vinden.”  

De grote vraag is of het verbod er überhaupt komt, door de intensieve lobby en verdeeldheid binnen de EU. “De lobby in Brussel is zeer machtig”, zegt De Boer. “Politici in Brussel zijn veel te gevoelig voor de lobby van de chemische industrie.” 

Denemarken grijpt in

Denemarken is kennelijk ongevoelig voor die lobby: de Deense overheid heeft recent 23 PFAS-houdende pesticiden die afbreken in TFA verboden. Ook daar waren verhoogde TFA-concentraties in het grondwater te zien. Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen (Ctgb), dat in Nederland gaat over de toelating van pesticiden, bestudeert momenteel de beslissing van hun Deense collega’s. 

Registratie van pesticiden rammelt aan alle kanten (Trouw)

Boeren en telers zijn verplicht het gebruik van pesticiden zelf bij te houden, maar de gegevens worden nergens centraal opgeslagen. Dit belemmert wetenschappelijk onderzoek, waarschuwt het RIVM. Gevaren voor de volksgezondheid zijn niet goed in kaart te brengen.

Op een grijze herfstochtend regent het onophoudelijk in Andijk, een klein dorp aan het IJsselmeer in West-Friesland. Hier staan de akkers vol bloembollen, in het voorjaar exploderen de bloemen in felle kleuren. Niels Kreuk (50) is er al tientallen jaren bloembollenteler en maakt volop gebruik van pesticiden om zijn oogst te beschermen tegen plagen en ongedierte. Maar wie houdt er toezicht op dergelijk gebruik?

Kreuk: “Als teler ben ik verplicht om mijn gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zelf te registreren. Wat ik ervan vind? Ik snap het wel, maar het is veel administratie en het is de vraag wat het oplevert als de inkoophoeveelheden toch al bekend zijn.”

Kreuk toont een pdf-document dat gedetailleerd inzicht geeft in het pesticidengebruik op zijn akkers. Tot en met de windsnelheid houdt hij nauwkeurig bij. Kreuk is echter de enige die hier inzage in heeft. Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) verplicht telers als Kreuk deze administratie vijf jaar te bewaren.

Met de verplichte zelfrapportage probeert het ministerie toezicht te houden op het gebruik van bestrijdingsmiddelen. De gegevens worden echter niet in een centraal registratiesysteem opgeslagen, waardoor adequate monitoring ontbreekt. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) constateert al jaren dat de registratie bij veel boeren en telers niet op orde is, maar heeft onvoldoende capaciteit om regelmatig te controleren.


Zorgen bij omwonenden
De zorgen over het gebruik van pesticiden nemen de laatste jaren toe, vooral bij omwonenden van bloemen- en bollenvelden. Bestrijdingsmiddelen worden steeds vaker in verband gebracht met parkinson, ALS en kanker. “Het is gerechtvaardigd om bezorgd te zijn over de gevolgen voor de volksgezondheid”, stelt Roel Vermeulen, hoogleraar milieu-epidemiologie aan de Universiteit Utrecht. Vermeulen is een van de onderzoeksleiders van Onderzoek Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden (OBO-2), dat inzicht geeft in de gevolgen die pesticiden hebben voor omwonenden van land- en tuinbouwgronden. Het RIVM coördineert dit onderzoek in opdracht van de ministeries van LVVN en VWS (Volksgezondheid, Welzijn en Sport).

Bestrijdingsmiddelen worden in Nederland goedgekeurd door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). De NVWA monitort het pesticidengebruik en ziet toe op de naleving van de regels. Het in kaart brengen van de gevaren voor volksgezondheid is echter lastig met het huidige, diffuse registratiesysteem. “Er is te weinig bekend over hoe veel en hoe vaak mensen worden blootgesteld aan pesticiden. Dat komt onder meer doordat we niet routinematig monitoren”, aldus Vermeulen.

“Meerdere kwesties baren mij zorgen”, zegt de hoogleraar. “Allereerst is er discussie of de risico’s van alle pesticiden wel adequaat zijn beoordeeld door het Ctgb. Het gaat daarbij vooral om de neurotoxische risico’s die momenteel niet standaard worden meegenomen als een bestrijdingsmiddel wordt getest.”

Daarnaast zijn er mogelijke stapelingseffecten. Nu wordt er per pesticide getest wat de gevolgen zijn, maar in de praktijk wordt er nooit één bestrijdingsmiddel gebruikt. Vermeulen: “Het risico is dat meerdere pesticiden samen een opstapelend of zelfs synergistisch effect (versterkend effect door de combinatie van pesticiden, red.) hebben wanneer mensen eraan worden blootgesteld.” Juist daarom is goede monitoring belangrijk, stelt Vermeulen.

Grootschalig onderzoek
Het RIVM doet sinds 2015 grootschalig landelijk onderzoek via het zogenoemde OBO-1 (Onderzoek Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden) en met Gezondheidsverkenning omwonenden van landbouwpercelen in 2018. Daaruit blijkt dat er aanwijzingen zijn voor een verhoogd risico. Zo rept het eindrapport over de ziekte van Parkinson bij fruitteelt en van leukemie bij afwisselende granen-bieten-aardappelteelt. Een causaal verband, zo meldt het onderzoek, kan niet worden aangetoond, maar moet zeker niet worden uitgesloten.

De Gezondheidsraad pleit in 2020 voor een nieuw en uitgebreider onderzoek en benoemt het ontbreken van een centraal registratiesysteem voor pesticiden als knelpunt. Het advies is om te komen tot ‘betrouwbare, uniforme en landelijke registratie van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op perceelsniveau’. Dit zou goed epidemiologisch onderzoek naar eventuele gezondheidseffecten mogelijk maken.

Aan het advies voor het optuigen van een centraal registratiesysteem geeft het ministerie van LNV in eerste instantie ook gehoor. Onder leiding van minister Piet Adema (ChristenUnie) zijn er in april 2023 vergevorderde plannen voor een digitale gewasbeschermingsmonitor. In februari dit jaar trekt de Europese Commissie echter de stekker uit de Europese pesticidenwet vanwege gebrek aan steun van de lidstaten. De wet zou naast 50 procent reductie van pesticidengebruik in 2030, ook centrale registratie van pesticiden verplichten. Adema laat de beslissing over een digitale gewasbeschermingsmonitor over aan zijn opvolger, Femke Wiersma (BBB).

De koers van minister Wiersma is inmiddels helder. Ze geeft geen opvolging aan de plannen van Adema. Onlangs stemde zij bovendien tegen een motie voor betere monitoring in de Europese Unie. Wiersma wil de verantwoordelijkheid bij de sector leggen door middel van vrijwillige benchmarking.

Dat Wiersma niets doet met de plannen van haar voorganger, betreurt hoogleraar en RIVM-onderzoeker Vermeulen. Hij pleit voor een centraal en openbaar registratiesysteem waarin boeren en telers de aankoop en het gebruik van pesticiden vastleggen. “Om de gezondheidsrisico’s in kaart te brengen, is dat echt noodzakelijk.”

Structurele problemen
Het gebruik van bestrijdingsmiddelen in Nederland lijkt met de Wet gewasbeschermingsmiddelen aan strenge voorschriften gebonden. Maar de praktijk is weerbarstiger. De NVWA constateert al jaren dat er bij de registratie en naleving van gebruiksvoorschriften veel misgaat; een derde van de boeren en telers overtreedt de regels. “Wij constateren al jaren een lage naleving op het gebied van gewasbescherming, wat duidt op een structureel probleem”, meldt de NVWA-website.

Minister Femke Wiersma ziet geen reden tot strengere controles. Tijdens een debat met de Kamercommissie voor Landbouw op 27 november zegt ze: “Het blijft de verantwoordelijkheid van de telers om de wet na te leven.” En ze wijst vervolgens naar de NVWA: “Toezicht is aan het NVWA, niet aan mij.” Het NVWA werkt in opdracht van het ministerie van Landbouw.

Dat het toezicht niet waterdicht is, illustreert bloementeler Kreuk in Andijk. Op de vraag of de registratie van tien liter glyfosaat in een maand niet net zo goed twintig liter kan zijn, zegt hij: “Tsja, dat is haast niet te controleren. Behalve als je alles zou vergelijken met de inkoop die een boer doet. De enige manier waarop je dat passend krijgt, is door de facturen van de groothandel erbij te pakken. Op papier zou je kunnen liegen.” De NVWA is nog nooit langs geweest bij Kreuk.

Tweede Kamerlid Laura Bromet (GroenLinks-PvdA) is daarover niet verbaasd. “De afgelopen jaren is er veel bezuinigd op de NVWA, juist door partijen die pro-landbouw zijn. Dat is ook niet voor niks, want dat is omdat ze vinden dat ze dan te veel last hebben van die controles.

Structureel verschil
Registratie van de afzet en gebruik van pesticiden, zoals teler Kreuk suggereert, wordt in Nederland alleen gedaan op nationaal niveau. In 2020 bracht het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) het verschil tussen de verkoop en het gebruik van pesticiden in Nederland in beeld. Middels een enquête onder boeren en telers berekent het CBS iedere vier jaar het pesticidengebruik. De verkoopcijfers komen uit een centraal systeem van alle fabrikanten die pesticiden op de Nederlandse markt brengen en geven een bijzonder beeld; jaarlijks wordt rond de tien miljoen kilo pesticiden verkocht in Nederland. Maar slechts de helft, vijf miljoen kilo, wordt door boeren en telers geregistreerd als gebruik.

De eerste reden die het CBS geeft om dit enorme verschil te verklaren is dat er ‘geen centraal register voor gebruik in de landbouwsector beschikbaar is’. De verschillen tussen de hoeveelheid verkochte pesticiden en het gebruik zijn structureel rond de 50 procent. Een klein deel daarvan, niet meer dan 5 procent, is te verklaren doordat het in het verleden ook andere sectoren pesticiden gebruikten, zoals de industrie en vervoerders. Er is dus een groot deel dat niet volledig is te traceren, erkent het CBS.


Benchmarking
Ondanks deze verschillen in verkoop- en gebruikscijfers, blijft minister Wiersma van mening dat de sector zelf verantwoordelijk moet blijven voor de registratie. Om de monitoring te verbeteren, steunt de minister wel het benchmarking-initiatief van de sector. Daarmee kunnen boeren en telers elkaars gebruik van bestrijdingsmiddelen bekijken. “Leren van anderen stimuleert om minder bestrijdingsmiddelen te gebruiken”, stelt de minister.

Voor Kamerlid Ines Kostić (Partij van de Dieren) is dat volstrekt onvoldoende. “Je moet het zo transparant mogelijk maken: wat wordt er precies gebruikt en wat wordt er precies ingekocht? Dit is nu echt een groot knelpunt. Je kunt nu niet zomaar te weten komen hoeveel landbouwgif agrariërs in een bepaald gebied gebruiken. De huidige manier van werken is niet volledig en niet transparant. Dat is heel kwalijk.”

Geert Pinxterhuis is projectleider van het Actieplan Plantgezondheid bij brancheorganisatie BO Akkerbouw (vertegenwoordiger van veertien brancheorganisaties, waaronder LTO). Hij stelt dat er tussen telers grote verschillen zijn in het pesticidengebruik. “Met benchmarking willen we die verschillen in beeld brengen en duiden. Dat moet uiteindelijk resulteren in een gericht advies om het beter te doen. Het ministerie weet dat wij voorstander zijn van een digitale gewasbeschermingsmonitor, zoals voormalig minister Adema wilde ontwikkelen.”

Noodzaak
Hoogleraar Vermeulen: “De registratie van pesticiden gebeurt dus niet consistent. Ook hoeven boeren en telers gegevens niet langer dan vijf jaar te bewaren. Veel chronische aandoeningen, waaronder de ziekte van Parkinson, hebben hun oorsprong echter in het verleden. Historische gegevens van pesticidengebruik zijn dus van groot belang.”

Pinxterhuis van BO Akkerbouw voegt hieraan toe: “Het is voor iedereen goed als we de consequenties van het pesticidengebruik scherp in beeld hebben. De boer en zijn gezin zijn ook omwonenden, die hebben daar ook baat bij.”

In een reactie zegt landbouwminister Wiersma niet bekend te zijn met het landelijke OBO-2-omwonenden-onderzoek dat door het RIVM ook in haar opdracht wordt uitgevoerd. “Ik ben geen lopende encyclopedie”, reageert ze in de hal van de Tweede Kamer. Gevraagd naar de gebrekkige monitoring en de gevolgen voor de volksgezondheid, zegt Wiersma: “Wat betreft monitoring van volksgezondheid moet u bij de minister van Volksgezondheid zijn.”

Lees het artikel op de website van Trouw

De meeste conservatieve regenbooggemeente van Nederland

Ede gaat werk maken van de emancipatie van lhbti’ers. Als een na laatste grote gemeente in Nederland is Ede sinds februari van dit jaar officieel een regenbooggemeente. Een unicum voor de gemeente op de Biblebelt waar 118.000 mensen wonen en de SGP de grootste politieke partij is.

Regenbooggemeenten zetten zich in voor een beter leefklimaat en investeren in veiligheid, sociale veiligheid en emancipatie van alle lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen, transgenders en intersekse personen (LHBTI). Het ministerie van Onderwijs stimuleert dit met een jaarlijkse bijdrage van twintigduizend euro.

Sinds 4 februari van dit jaar is Ede regenbooggemeente nadat een meerderheid van de conservatieve gemeenteraad met het voorstel instemde. Alleen de SGP en de lokale partij DKE stemden tegen. Ede werd daarmee de 55ste Nederlandse regenbooggemeente. Maar hoe kan het dat de gemeente – waar in 2016 nog een motie werd afgewezen om alleen een regenboogvlag te hijsen – zich vijf jaar later uitroept tot regenbooggemeente?

Geen politiek
Het is juli 2016 als een verschrikkelijke aanslag plaatsvindt in een homonachtclub in Orlando. Vijftig mensen worden doodgeschoten. Het blijkt een gerichte aanslag op de lhbti-gemeenschap. Twee weken na de aanslag dient GroenLinks-raadslid Ellen Out in Ede een motie in. Ze stelt voor om eenmaal per jaar, op Coming-out Day, de regenboogvlag hijsen voor het gemeentehuis. Haar voorstel wordt nipt afgewezen, de regenboogvlag is voor Ede op dat moment nog een brug te ver.

Wanneer gemeenteraadslid Out in 2018 opnieuw een motie wil indienen om de regenboogvlag te hijsen, stelt burgemeester René Verhulst (CDA) dat dit niet nodig is. De burgemeester zegt toe de vlag zélf te hijsen. Het besluit van Verhulst is opmerkelijk omdat de gemeenteraad twee jaar eerder de regenboogvlag-motie nog wegstemde. Ook zijn voorganger, Cees van der Knaap (CDA), vond de regenboogvlag niet nodig: ”De Nederlandse vlag markeert ook onze rechten en plichten waarover de Grondwet in artikel 1 heel duidelijk is”, aldus de voormalig burgemeester.

De SGP, met zeven zetels de grootste partij in Ede, protesteert dan ook tegen het besluit van Verhulst en zegt het “ten zeerste te betreuren.” De burgemeester zet zijn beslissing echter door en zegt daar nu over: “De regenboogvlag is geen onderwerp om politiek over te bedrijven met uitgebreide discussies. Ik koos er dan ook voor om de vlag zelf te hijsen. Er zijn ook in Ede mensen die worstelen met hun gevoelens. Met het veelkleurige palet van de vlag laat je zien dat je die worsteling begrijpt. Ik hoop dat ze dit zien als steun”, aldus de huidige burgemeester.

Nashville-verklaring
Als in 2018 de regenboogvlag voor het eerst wappert voor het gemeentehuis van Ede, duikt ook in Nederland de Nashville-verklaring op; een internationale verklaring over Bijbelse seksualiteit. Hierin wordt geopperd dat homoseksualiteit, genderneutraliteit en transgenderisme zonden zijn en ‘afgekeurd moet worden door iedere goede christen.’ Veel kerkgemeenschappen op de Biblebelt ondertekenen de verklaring, waaronder ook Edese kerken.

COC-Gelderland-midden krijgt veel vragen van jongeren die worstelen met hun geaardheid, zegt bestuurslid Joris Brandts. “Vooral in Ede hebben die vaak te maken met religie. Zo’n Nasvhille-verklaring zorgt ervoor dat jonge mensen die twijfelen over hun geaardheid, nog dieper de kast induiken. We horen veel verhalen uit Ede van jongeren die eenzaam zijn en niet worden geaccepteerd door hun omgeving.”

De waarnemingen van het COC staan niet op zichzelf. Onderzoek van I&O Research toont aan dat 40% van de lhbti’ers zich onveilig voelt in de regio Gelderland-midden. Vooral mensen uit sterk gelovige kringen ervaren minder acceptatie.

Verdeeld
Om te kunnen doorgronden hoe het in Ede werkelijk gesteld is met de lhbti-emancipatie, is een analyse van de stemming rondom het hijsen van de regenboogvlag in 2016 interessant.

Binnen veel partijen heerste er destijds grote verdeeldheid. Onder andere bij de lokale partij GemeenteBelangen. Fractievoorzitter Gabriëlle Hazeleger daarover: “Ik was destijds zeer teleurgesteld in mijn fractie. Ik maak zelf deel uit van de lhbti-gemeenschap, dus het raakte me dat sommige collega’s tegen de vlag stemden.” GemeenteBelangen vindt inmiddels dat er wel degelijk een probleem is in Ede als het gaat om de acceptatie van lhbti’ers. “Wij zien de vlag niet als symboolpolitiek. Soms zou ik willen dat het symboolpolitiek zou zijn, dan zou het probleem niet zo groot zijn”, aldus Hazeleger.

Rigide
Het bijstellen van standpunten is volgens ChristenUnie-raadslid Dirjanne van Drongelen in Ede een kwestie van tijd geweest. “Niet alleen in de raad. Ik denk het ook te zien binnen kerken en überhaupt onder christenen. Van heel rigide naar een meer inclusievere gedachte”, legt ze uit. “Binnen de CU-fractie is er veel over gepraat, net als met onze achterban. Uiteindelijk kwamen we tot de conclusie dat er echt iets nodig is om de situatie voor lhbti’ers te verbeteren. Als de regenbooggemeente daar een stap in is, wil de CU daarin mee.”

De volledige CDA-fractie stemde in 2016 tegen de regenboogvlag, maar is in 2021 mede-indiener van het voorstel voor de regenbooggemeente. Tijden veranderen, stelt fractievoorzitter Anne-Jan Tegelen. “Het CDA vindt het vanzelfsprekend dat iedereen meetelt en vindt dat de regenbooggemeente eigenlijk niet nodig zou moeten zijn. Wij vonden Ede al een lhbti-vriendelijke gemeente en vinden dat nog steeds.”

Dat er veranderingen gaan komen, verwacht Telgen niet: “Er wordt alleen een ander stickertje op de kast geplakt en daardoor krijgen we extra geld uit Den Haag. Dan vinden wij het prima om voor te zijn. Baat het niet dan schaadt het niet.”

Mordicus tegen
De SGP, de grootste politieke partij in Ede, blijft mordicus tegen het fenomeen regenbooggemeente: “Voor ons is het geen punt van discussie”, zegt raadslid Kees van Wolfswinkel desgevraagd. “Wij vinden het niet passen bij gemeente Ede en hebben ook niet het idee dat Ede een onveilige gemeente is. Bovendien staat het inhoudelijk te ver af van ons uitgangspunt, de unieke waarde van het huwelijk tussen man en vrouw.”

Ook Rasit Görgülü van eenmansfractie Democratische Kiezers Ede (DKE), stemde tegen: “De lhbti-gemeenschap staat niet op zichzelf. Veel vrouwen in Ede die een hoofddoek dragen, voelen zich ook onveilig. Er moet niet alleen beleid gemaakt moet worden voor de lhbti-gemeenschap, maar voor iedereen. Alleen dan wordt Ede echt inclusief.”

Homo in de fractie
De Edese VVD stemde vijf jaar geleden deels tegen de regenboogvlag-motie, maar steunde dit jaar wel het initiatief voor de regenbooggemeente. “Er zit nu een heel andere fractie en dan maak je soms andere keuzes”, stelt VVD-raadslid Sjoerd Bakker. “Daarbij komt dat er nu ook een homo in de fractie zit. En dat ben ik”, zegt hij lachend.

Het beeld dat Bakker schetst, wordt bevestigd door dr. Eva Jaspers, universitair hoofddocent sociale wetenschappen aan de Universiteit Utrecht. Jaspers doet in Nederland onderzoek naar actuele sociale vraagstukken en bestudeert uitsluiting en ongelijkheid. “Er is steeds meer aandacht voor en ervaring met lhbti’ers, ook bij politieke partijen. Zeker als raadsleden of mensen in hun omgeving uit de lhbti-gemeenschap komen, zie je meningen veranderen. Hoe dichterbij het komt, hoe moeilijker het wordt om het af te wijzen.” Volgens Jaspers is er een bredere maatschappelijke verschuiving aan het plaatsvinden. Vooral de jongere generaties hebben een inclusievere denkwijze.

Geen symbool
Het initiatief om Ede uit te roepen als regenbooggemeente kwam uiteindelijk van D66, GroenLinks en GemeenteBelangen. Raadslid Stephan Neijenhuis (D66) is positief verrast door de brede steun. Vooraf hebben we alle partijen benaderd, om zoveel mogelijk steun te krijgen voor het voorstel. “Door niet alleen het symbool van de vlag centraal te stellen, maar ook de beleidskeuzes en maatregelen die erbij horen, denk ik dat er meer partijen in mee zijn gegaan.”

COC Gelderland-midden is blij met de grote meerderheid in de Edese raad: “In een religieuze gemeente, waar christelijke partijen zitten die conservatief zijn als het gaat om LHBT-beleid, is dit een ontzettend mooie eerste stap. Ik weet zeker dat het voor veel jonge mensen waardevol zal zijn”, stelt bestuurslid Brandts. Er is volgens hem nog wel veel werk aan de winkel, want Ede is er nog niet: “Het is een kickstart. Het is nu nog een papieren document, het is belangrijk dat er werk wordt gemaakt van acceptatie.”

Raadslid Sjoerd Bakker (VVD) bevestigt dat: “Er is in Ede nog een lange weg te gaan: “Hand-in-hand lopen met mijn eigen man doe ik hier nog steeds niet in het openbaar. Het kan gedoe opleveren en daar heb ik geen zin in. We doen vaak alsof we heel tolerant zijn, maar dat zijn we nog lang niet.”