Voor mensen met een fysieke beperking is het nog altijd lastig om aan een baan te komen. Zelfs met de personeelstekorten is er nog niet veel verbetering te zien. Hoe kunnen mensen met een fysieke beperking aan het werk geholpen worden?

‘Hoi ik ben Roos, ik kan 6 meter ver zien. Aan dit tafeltje hier zie ik je wel, ik kan het zien als je glimlacht. Alleen het licht hindert me een beetje.’ Roos Hoelen heeft een visuele beperking, heeft 25 jaar ervaring in werving en is kwartiermaker bij Incluvisie. Wat zeg je nou wel tegen een werkgever en wat niet? ‘Hoe je jezelf presenteert met een fysieke beperking is iets waar je zelf over na kan denken, maar inclusie komt van meerder kanten.’ Wat moet er veranderen om mensen met een fysieke beperking aan werkt te kunnen helpen?
Onderwijsniveau
Het begint allemaal bij onderwijs. Eerst op de basisschool, daarna op de middelbare school, en vervolgens vaak op een studie. Voor mensen met een fysieke beperking werkt dit in principe hetzelfde. Al komen ze vaak wel op het verkeerde niveau terecht. Roos maakte dit zelf ook mee. ‘Ik begon op het speciaal onderwijs en heb daar eigenlijk altijd gezeten. Het hoogste niveau dat je daar kon halen was mavo. Ik heb daardoor heel lang onder mijn niveau gezeten. Ik verveelde me dood. Later heb ik wel nog de reguliere havo gedaan.’ Ze benadrukt wel dat dit een andere tijd was. Het was het begin van de jaren 80, een ‘slechte tijd’ voor iedereen.
Toch merkt ze dat veel mensen met een fysieke beperking tegenwoordig nog steeds werk onder hun niveau aannemen. Deels omdat er niet altijd hogere functies te krijgen zijn, maar ook het stukje zelfvertrouwen speelt een rol. ‘Vaak zijn er al zoveel teleurstellingen geweest. Dat maakt dat ze vaak heel onzeker zijn en uiteindelijk bij een gesprek ook niet goed uit te verf komen.’
Jezelf presenteren
Hoe je jezelf presenteert is daarom volgens Roos zeker iets om over na te denken. Roos is daar zelf ook pas in de praktijk achter gekomen. Toen ze opzoek ging naar een baan bekeek ze alleen de kwaliteiten die ze moest hebben. ‘Ik mocht fysiek op gesprek komen. Toen de werkgever merkte dat ik een visuele beperking heb, zei hij dat hij me waarschijnlijk niet op gesprek had gevraagd als hij het van te voren wist. Hij was echter zo enthousiast over mijn kwaliteiten, dat ik daarom de baan heb gekregen.’ Mede door deze ervaring besluit Roos zich niet te focussen op haar beperking, maar vooral op haar kwaliteiten. Zelf zal ze nooit in haar CV zetten dat ze een beperking heeft. ‘Ik heb het er pas over in het echte gesprek. Ik vertel dan ook niet veel over mijn beperking. Alleen de praktische info: wat heb ik nodig om mijn werk goed te kunnen doen?’
Roos geeft ook via Incluvisie aan anderen advies over wat je wel gelijk kan zeggen en wat niet. Op de site van Incluvisie heeft ze niet staan dat ze een visuele beperking heeft. ‘Misschien zou ik dat nog maar wel even er op moeten zetten’, zegt ze lachend. Ze merkt namelijk dat advies geven vanuit ervaringen het best werkt. ‘Als ik met een visuele beperking advies geef dan komt dat heel anders over dan als een hulpverlener advies geeft. Mensen kunnen het gevoel krijgen dat de hulpverlener wel even bepaald.’ Roos praat daarom vooral over haar eigen twijfels en kijkt dan samen met de werkzoeker hoe diegene zich wil presenteren. Er is daarin dan ook geen goed of fout. ‘Je moet zelf weten of je vooraf vertelt over je beperking of niet. Kijk voor jezelf wat de voors en tegens zijn, dan kan je daarop je beslissing baseren.’
‘Handelingsverlegen zijn’
In interviews die Roos deed met bijvoorbeeld afdelingsmanagers bleken er veel vooroordelen over mensen met een fysieke beperking. Al bleek er volgens Roos een groter probleem te zijn. ‘Die vooroordelen zijn niet zo erg. Wat mensen het lastigst vinden is dat ze zich onhandig voelen. Ze weten niet hoe ze met iemand moeten omgaan en zijn bang iemand te kwetsen. Mensen hebben een handelingsverlegenheid, ze durven niet te handelen.’
Roos geeft dan ook aan werkgevers mee dat het helemaal niet nodig is om handelingsverlegen te zijn. ‘Je kunt niet alles weten. Een vraag is nooit verkeerd, ligt eraan hoe die gesteld wordt. Maar laat je niet remmen. Laat gewoon zien dat jij het ook een beetje spannend vindt. Je hoeft geen superheld te zijn die weet hoe die erom moet gaan.’
‘Vooroordelen zijn niet erg’
Daarnaast ziet Roos dat mensen het vaak heel erg vinden dat ze vooroordelen hebben. Terwijl dit eigenlijk helemaal niet altijd een probleem is. Zelf erkend ze ook vooroordelen te hebben. ‘Ik ben afdelingsmanager geweest, waar ik eigen personeel moest werven. Als iemand in zijn mail of brief zette dat diegene een ziekte of beperking had dan kwam hij op de nee stapel. Hoe erg wil je het hebben als je zelf een visuele beperking hebt?! Ze kijkt er verbaasd bij, maar vertelt ook dat ze toen echt puur vanuit bedrijfsperspectief keek.
Waar het om gaat is dat je je soms realiseert dat sommige vooroordelen bijgesteld kunnen worden. Daarmee is een mens met vooroordelen geen slecht mens, maar is er gewoon nog wat kennis nodig.’
Uitgesloten van wetgeving
Het handelingsverlegen zijn vormt echter niet een groot probleem. Volgens Roos vormt de huidige wetgeving daarentegen wel een probleem. Vooral de quotumwet en participatiewet blijken nog niet optimaal te werken. De wetten zouden mensen met een fysieke beperking aan werk moeten helpen, maar het blijkt dat er nog een groot aantal mensen wordt uitgesloten.
De quotumwet verplicht bedrijven om 5 procent van het personeelsbestand uit mensen met een fysieke beperking te laten bestaan. Doen ze dit niet? Dan krijgen ze een boete. Bij deze wet behroren echter niet alle mensen met een fysieke beperking. Alleen de mensen bij het zogenaamde doelgroepregister horen.
‘Het gevolg daarvan is dat werkgevers alleen mensen uit het doelgroepsregister aannemen (vaak lageropgeleiden). Voor de mensen die niet in het doelgroepsregister staan moeten ze namelijk meer moeite doen. Er moeten bijvoorbeeld werkplekaanpassingen komen. Dit is voor werkgevers niet heel aantrekkelijk. Ze kunnen er namelijk geen boete mee voorkomen’, vertelt Roos.
Ook de participatiewet is niet voor iedereen een oplossing. De wet zou ervoor moeten zorgen dat mensen met een beperking ondersteuning kunnen krijgen bij het vinden van werk. Echter mag iedere gemeente zelf bepalen hoe ze deze wet uitvoeren. Roos ziet dat hier grote verschillen in zijn. ‘In de ene gemeente krijg je 0 ondersteuning, in de andere gemeente is het heel goed geregeld’.
Wetgeving niet conform aan VN-verdrag
De wetgeving zelf is niet toegankelijk voor iedereen, maar het is ook niet conform aan het VN-verdrag. Sinds 2016 geldt in Nederland het VN-verdrag handicap. Het doel van dit verdrag is dat de positie van mensen met een beperking verbetert. Na de vraag wat Roos van dit verdrag vindt, moet ze lachen. Ze twijfelt even over haar woordkeuze. ‘Ik vind het een heel goed verdrag. Wat ik minder leuk vind, is dat de wetgeving dus niet conform is aan dit verdrag als het gaat om werk. Er vallen nog te veel mensen buiten de boot.’
Daarnaast hebben we in Nederland ook niet het facultatief protocol getekend. Het facultatief protocol geeft jou als burger het recht om een overheidsorganisatie aan te klassen als die niet conform aan het VN-verdrag handelt.
Landen als Frankrijk en Duitsland hebben dit protocol wel al getekend. ‘Wij zijn ook in Europa samen met Hongarije het land dat het het slechts doet als het gaat om participatie op de arbeidsmarkt voor mensen met een beperking. Dat komt voor een groot deel omdat wij dat facultatief protocol niet hebben ondertekend. We hebben ons in feite niet vastgelegd.’
Lobbyen
Het lobbyen zou volgens Roos ook een stuk makkelijker gaan als het facultatief protocol is getekend. ‘We zouden dan gewoon een rechtszaak kunnen aanspannen.’ Het lobbyen doet Roos regelmatig, in de hoop iets aan het beleid te kunnen veranderen.
‘Ik lobby op lokaal en landelijk niveau.’ Naast haar werk bij Incluvisie, werkt Roos ook bij SOLGU. Dat is een organisatie die opkomt voor de Utrechtse mensen met een fysieke beperking. Werk is hier een klein onderdeel van. Ze gaat in gesprek met de gemeente voor het opstellen van een goed beleid. Zodat bijvoorbeeld de participatiewet goed kan worden uitgevoerd.
‘Op landelijk niveau probeer ik te lobbyen voor gelijke rechten en dat overal dezelfde wetgeving is.’ Dit doet Roos onder andere door in gesprek te gaan met politieke partijen, maar wat zeg je dan. Volgens Roos ligt dat aan de partij waarmee ze spreekt. ‘Ik pas mijn argument aan op de partij en wat een partij belangrijk vindt. Ik wijs de VVD bijvoorbeeld op de economisch verliezen als mensen door zo’n wet niet aan het werk gaan.’
‘Omdat ik geloof dat het kan…’
Lobbyen, workshops geven, werkzoekers helpen, trainingen geven en ga zo nog maar even door. Allemaal taken die Roos op zich neemt, in de hoop dat uiteindelijk iedereen met een fysieke beperking een baan heeft. Waarom ze dit doet? ‘Omdat ik geloof dat het kan…’ Het wordt even stil… ‘Je kan veel meer dan je denkt en dat wil ik graag aan anderen meegeven.’