Interview

Martin Koolhoven over de Nederlandse film: ‘Er moet meer risico worden genomen’

In een bioscoopwereld met mindere bezoekersaantallen en steeds meer films moet ook de Nederlandse film haar plek vinden. Hoe staat die ervoor, nu het publiek kritischer kiest en opvallen moeilijker is geworden? Filmmaker Martin Koolhoven ziet een industrie waarin meer risico genomen mag worden, maar waarin Nederlands succes nog altijd mogelijk is. 

Filmregisseur Martin Koolhoven, die je kunt kennen van Oorlogswinter, Brimstone of tv-programma De Kijk van Koolhoven, volgt de Nederlandse filmwereld al tientallen jaren van dichtbij en hij kent deze als geen ander. Hij hoeft niet lang na te denken als het om vragen over Nederlandse filmgeschiedenis gaat. Al snel noemt hij beelden die zich ergens definitief in zijn geheugen hebben vastgezet bij de vraag wat Nederlandse film anno 2026 is: ‘Op de fiets door Amsterdam in Turks Fruit, ‘Buurman, wat doet u nu?’ uit Flodder.’ Het zijn van die filmmomenten die bijna groter zijn geworden dan de film zelf. Maar zodra het gesprek verschuift naar de Nederlandse film van nu, valt er een kleine aarzeling. ‘Van de laatste jaren schiet er niet direct iets te binnen dat daar ook mee kan wedijveren.’ Het gebeurde wel eens: een Nederlandse film die uitgroeide tot een nationale hit waar miljoenen mensen naartoe gingen. Maar ondanks wat hits hier en daar, bereiken veel Nederlandse films niet meer dezelfde hoogtes als tien jaar geleden. De bioscoopwereld waarin die films succesvol werden, bestaat niet meer. Wat moet er gebeuren om de Nederlandse film weer echt te laten bloeien in een filmwereld die veranderd?

Ook in Nederland filmwereld benauwder

Wat bedoel je met de bioscoopwereld van vroeger bestaat niet meer? Dat is een goede vraag, dus laten we daar beginnen. De Nederlandse film leeft tegenwoordig in een bioscoopwereld die er vooral anders uitziet dan jaren geleden. Nederlanders gaan sinds corona minder vaak naar de bioscoop en ook afgelopen jaar daalde de bioscoopbezoeken opnieuw. Het niveau van vóór de pandemie was volgens Koolhoven echter wel uitzonderlijk hoog: ‘2019 was ongekend, er werden records gebroken.’ Dat neemt niet weg dat als je het met die tijd vergelijkt het minder goed gaat met de bioscopen. Alleen volgens de regisseur is dat niet alleen in Nederland een probleem. ‘In andere landen was er eigenlijk al langer een trend van de teruggang in aantallen.’

“Je moet voor elkaar krijgen 

dat het een event wordt”

Tegelijkertijd is het aanbod in de bioscoop juist enorm gegroeid. In 2025 kwamen er maar liefst 542 films uit in de Nederlandse bioscopen, het meeste ooit. Volgens onderzoek van het Nederlands Filmfonds en volgens Europese marktdata trekt bovendien een klein aantal films een groot deel van het totale bioscoopbezoek. De meeste films moeten dus concurreren om een kleiner deel van het publiek, dat minder vaak gaat en dus bewuster kiest welke films ze in de bioscoop zien. Die combinatie maakt het volgens Koolhoven ook moeilijker voor de Nederlandse film om nog op te vallen. ‘Een film moet een “need-to-see” factor hebben. Je moet voor elkaar krijgen dat het een event wordt, meer dan alleen een film.’

Daar komt nog een extra probleem bij: films hebben door die grote frequentie aan releases ook minder ademruimte. Grote nationale megahits zoals Turks Fruit, Fanfare of later Alles is Liefde en Zwartboek lijken tegenwoordig minder vaak voor te komen. De filmmaker benadrukt dat een film als Fanfare uit kwam in een tijd dat een film nog zijn publiek kon zoeken, wat een belangrijk verschil blootlegt met het heden. ‘Het kan goed zijn dat die miljoenen mensen die er naartoe zijn geweest, dat in een periode van anderhalf jaar tijd hebben gedaan.’ Tegenwoordig moeten films in een steeds drukkere markt veel sneller weten te presteren. 

Genre’s worden ‘uitgeknepen’

Toch betekent dat volgens hem niet dat Nederlandse films geen publiek meer trekken. Films van eigen bodem kunnen nog steeds succesvol zijn. Koolhoven ziet een een ander probleem, namelijk een knelpunt in de structuur van de Nederlandse filmindustrie zelf. 

De laatste jaren vallen succesvolle Nederlandse films vaak in herkenbare publieksgenres zoals romantische komedies, familiefilms en misdaadfilms. Dat beeld komt ook terug in cijfers van het Nederlands Filmfonds, waaruit blijkt dat komedies en jeugdfilms de laatste jaren opnieuw tot de populairste Nederlandse genres behoren. Het bioscooppubliek vindt zijn weg naar de Nederlandse film dus nog, maar vooral als die film duidelijk toegankelijk en herkenbaar is.

“Er wordt gekeken hoever ze 

de tube kunnen uitknijpen”

Volgens Koolhoven is dat niet per se vreemd. ‘Je kan niet zeggen dat het niet is waar het publiek zin in heeft, als het blijkt dat dat de films zijn waar ze nog het meest naartoe gaan’, vertelt de regisseur. Tegelijkertijd ziet hij wel dat dit de industrie ook voorspelbaarder heeft gemaakt. Hij wijst bijvoorbeeld op het succes van Alles is Liefde, dat volgens hem een soort blauwdruk werd. ‘In één keer veranderde de hele boel, die film werd een soort mal.’ Het romantische komediegenre is voor Koolhoven een voorbeeld van een genre dat in Nederland te lang door blijft etteren. Sindsdien zijn er volgens hem producenten die vooral dit soort films maken omdat ze financieel veilig zijn en omzet opleveren. Onderzoek gepubliceerd door European Audiovisual Observatory bevestigt dit en laat zien dat filmproductie in kleinere nationale markten vaker risicomijdend is. ‘Die halen daar dan gewoon een regisseur of een schrijver bij’, legt Koolhoven uit. Volgens hem heeft dat veilige denken een keerzijde, want juist daardoor ontbreekt een bepaald type film in Nederland wat deze barrière kan doorbreken. 

Gebrek aan ‘cross-over’

Koolhoven ziet dat veel Nederlandse films in twee verschillende categorieën vallen. ‘Dat zijn de bloedcommerciële films met bekende acteurs voor een groot publiek, of arthousefilms die het eigenlijk ook niet echt goed doen op festivals’, legt de filmmaker uit. Juist de films daartussenin ontbreken volgens hem, de zogenaamde ‘crossover’-films. Dat zijn films die zowel een groot publiek kunnen trekken als artistiek interessant zijn. ‘Daar ligt al lange tijd de Achilleshiel van de Nederlandse film.’

Dat beeld komt ook terug in onderzoek van het Nederlands Filmfonds naar de positie van de Nederlandse speelfilm. Daaruit bleek dat landen om Nederland heen, zoals Denemarken en België, vaker films produceren die zowel artistiek succes hebben als een groot publiek bereiken. Nederland heeft daar relatief weinig voorbeelden van. Koolhoven vertelt dat bijvoorbeeld Denemarken altijd een lichtend voorbeeld voor Nederland is geweest en dat er vaak wordt gezegd dat wij het zoals zij moeten doen. ‘Maar zo makkelijk is het blijkbaar niet’, vult de regisseur aan. Europese filmrapporten laten zien dat deze landen meer structurele financiering en een grotere binnenlandse markt hebben, dus ook meer kunnen uitproberen.

De angst voor het onbekende

Volgens Koolhoven hoeft dat niet te betekenen dat de Nederlandse filmindustrie dezelfde beslissingen moet blijven maken. De filmmaker vindt dat het probleem van veel distributeurs en fondsen is dat ze pas geloven dat iets gaat werken op het moment dat het bewezen is. ‘Maar de doorbraken komen altijd door dingen die anders zijn’, zegt hij. Volgens hem wordt er te veel gekeken naar wat eerder al succesvol was. ‘Dus er moet nu iets anders komen wat in één keer bewijst dat het anders kan.’

“Doorbraken komen altijd 

door dingen die anders zijn”

Dat sluit ook aan bij bredere ontwikkelingen in de filmindustrie en de Nederlandse filmindustrie.  Uit rapporten van onder andere de Motion Picture Association blijkt dat een groot deel van de bioscoopomzet afkomstig is van reeksen, vervolgen en films gebaseerd op bestaande of bekende verhalen. Juist daardoor kan het voor nieuwe ideeën, andere genres of eigenzinnige films moeilijker zijn om van de grond te komen. Volgens Koolhoven is dat uiteindelijk precies wat de Nederlandse film tegenhoudt: ‘Er moet meer risico genomen worden. Want ze spelen nu heel veilig.’

Bij wie ligt de bal?

Toch is Koolhoven niet alleen maar doemdenkend over de Nederlandse film. Hij ziet juist bij een nieuwe generatie makers interessante ontwikkelingen ontstaan: ‘Wat ik wel zie is een jonge generatie waar dingen gebeuren aan de producentenkant, schrijverskant en de regisseurskant die ik interessanter vind dan wat nu mainstream is.’ Volgens hem zit vernieuwing dus wel degelijk in de Nederlandse filmwereld. 

“Ik ken te veel mensen die films maken

 waar ze zelf niet naartoe willen gaan”

Uiteindelijk ligt volgens hem de bal ook bij de makers zelf, niet alleen bij de distributeurs en fondsen. ‘Ik ken te veel mensen die films maken waar ze zelf niet naartoe willen gaan’, vertelt de regisseur. ‘We moeten het gewoon bij onszelf blijven zoeken.’ Als het aan Koolhoven ligt mogen filmmakers zelf lef tonen en moeten zij dichtbij zichzelf blijven. 

Hij wijst erop dat eerdere successen vaak een kettingreactie veroorzaakten. ‘Het feit dat wij jarenlang zoveel oorlogsfilms hebben gemaakt, komt waarschijnlijk ook door iets als Soldaat van Oranje.’ Volgens hem werkt de filmindustrie vaak zo: één succesvolle film kan een hele nieuwe richting openen. Maar daarvoor moeten makers wel hun eigen ideeën durven volgen en moeten distributeurs bereid zijn om daar ruimte voor te maken en samen met hen risico te nemen.