De cijfers van Stichting hiv monitoring laten een opvallende verschuiving zien: waar het aantal hiv-diagnoses onder oudere homoseksuele mannen blijft dalen, stijgt het juist onder jongere generaties. Jonge homoseksuele mannen die de diagnose hiv kregen, hadden vooraf ook niet het gevoel dat ze risico liepen. Best gek, want hiv was ooit hét schrikbeeld binnen de gay community. Hoe kan het dat dat gevoel zo is veranderd? En hoe kijken homoseksuele mannen vandaag de dag eigenlijk nog naar hun risico op hiv?

Voor wie de band Queen kent, is Freddy Mercury nog steeds hét gezicht van de strijd tegen aids en hiv. Zijn overlijden, een dag nadat hij bekendmaakte dat hij aids had, schokte de wereld. Voor veel mensen voelt hiv inmiddels als iets van vroeger. Iets wat nu niet echt meer speelt. In Nederland gingen de cijfers jarenlang omlaag, maar sinds 2021 is die daling gestopt. Wat lang een succesverhaal leek, is dus minder vanzelfsprekend dan dat het lijkt. 

Epidemie

In juni 1981 komen uit Amerika de eerste verhalen over een nieuwe, mysterieuze ziekte. Het lijkt vooral voor te komen onder homoseksuele mannen die veel wisselende sekspartners hebben. Ze krijgen rare klachten: een vorm van huidkanker, longontsteking en een extreem slechte weerstand. In eerste instantie krijgt deze ziekte de naam GRID, wat staat voor Gay Related Immune Deficieny. Maar al snel blijkt dat ook andere groepen mensen ziek worden, zoals spuitende drugsgebruikers en mensen die bloedtransfusies hebben gehad. De ziekte krijgt een nieuwe naam: aids.

Het duurt niet lang voordat de ziekte ook in Nederland opduikt. In 1981 wordt de eerste Nederlandse patiënt opgenomen in het AMC in Amsterdam. Zijn klachten lijken sterk op wat artsen in Amerika beschrijven, maar niemand weet nog precies wat er aan de hand is. Pas een paar uur voor zijn dood wordt de diagnose gesteld: aids. Maar waar komt deze dodelijke ziekte vandaan? Pas twee jaar later, in 1983, wordt duidelijk dat hiv aids veroorzaakt.

Sinds het begin van de epidemie zijn er wereldwijd meer dan 42,3 miljoen mensen aan aids overleden. Daarnaast leven er ruim 37,7 miljoen mensen met hiv, waarvan zo’n 70 procent in Afrika en het Midden-Oosten. Dit komt door een combinatie van armoede, beperkte toegang tot gezondheidszorg, gendergelijkheid en stigma. Maar ook in Nederland leven er mensen met hiv. Eind 2024 is zijn dit naar schatting 25.890 mensen. Dit is een schatting, omdat er ook mensen zijn die niet weten dat ze hiv hebben.

Voor oudere generaties was hiv allesbepalend. Vincent (55), homoseksueel, kwam begin jaren negentig voor het eerst met hiv in aanraking. “In mijn tijd was hiv echt een doodsvonnis”, vertelt hij. Je werd er overal mee geconfronteerd; in het uitgaansleven, in gesprekken, in de media. Condoomgebruik was geen discussie, maar de norm: “Als je geen condoom gebruikte, was je verdacht. Hoezo geen condoom? Ben je gek geworden of zo?”

Dat gevoel van urgentie is volgens hem veranderd. “Ik heb de indruk dat jongeren er veel minder bang voor zijn dan vroeger.”

Dat verschil tussen generaties komt niet uit het niets. Epidemioloog Vita Jongen van Stichting hiv monitoring en GGD Amsterdam wijst erop dat jonge mannen de aidsepidemie niet zelf hebben meegemaakt. Waar oudere generaties mensen in hun directe omgeving ziek zagen worden en zelfs overlijden, kennen jongere mannen dat vooral van verhalen “Erover horen is natuurlijk anders dan het zien.”

Tegelijkertijd is hiv zelf ook ‘veranderd’. Het is in Nederland geen doodsvonnis meer, maar iets waar je mee kunt leven. Met medicatie kun je nét zo oud worden als iemand zonder hiv en met PrEP is een hiv-diagnose in veel gevallen te voorkomen. En dat is terug te zien in het gedrag. “We zien een enorme afname van condoomgebruik”. Iets wat vroeger normaal was, gebeurt nu veel minder.

Meer middelen ≠ minder risico’s

Maar meer mogelijkheden betekenen niet automatisch minder risico. In de praktijk verandert het gedrag mee. Quinten (22), die op mannen valt, merkt dat zelf ook. “We hebben daardoor veel en veel sneller onveilige seks,” zegt hij over het gebruik van PrEP. Tegelijkertijd ziet hij hoe tegenstrijdig dat is: “Zodra het dichtbij komt, worden we allemaal opeens heel bang.”

Wouter* (29), ook homoseksueel, ziet datzelfde terug in zijn omgeving. Hij merkt dat er makkelijker wordt omgegaan met soa’s en condoomgebruik. “Mensen gaan er losser mee om. Van oh ja, maar ik heb dit en ik heb dat, en achteraf kan ik dit nemen. Dat gaat ook zijn tegenwerking hebben.” Hij is daar zelf ook niet heilig in geweest. Tijdens een eerdere open relatie ging hij minder voorzichtig om met de risico’s. “Toen had ik wellicht voorzichtiger moeten zijn.”

Wouter en Quinten zijn daarin geen uitzondering. Zo blijkt dat onder mannen die seks hebben met mannen (MSM) die tussen 2018 en 2024 hiv kregen, lang niet iedereen PrEP gebruikte en aangaf waarom:

De cijfers laten zien waar het misgaat. Zo’n 40 procent kende PrEP niet of dacht weinig risico te lopen.

Maar toegang speelt ook een rol. PrEP is niet voor iedereen makkelijk te verkrijgen. Bij de GGD lopen de wachttijden op en hierdoor kan niet iedereen terecht. Dat komt doordat PrEP meer is dan alleen een pil: voordat je begint, moet je getest worden op hiv en andere soa’s, en daarna moet je regelmatig terugkomen voor controles. Dit kost veel tijd, en juist daar zit het probleem. “We zitten gewoon vol”, zegt Jongen.

Daarnaast wordt PrEP niet vergoed. Zo’n 60 euro per maand lijkt misschien nog te overzien, maar op jaarbasis zit je al snel op zo’n 720 euro. En dat tikt aan.

Ook via de huisarts is het niet altijd vanzelfsprekend. Als huisarts in Amsterdam ziet Vincent (55) dat van dichtbij. Vooral onder oudere collega-huisartsen merkt hij weerstand tegen PrEP. “Ze vinden het onzin. Ze zeggen: je moet gewoon een condoom gebruiken, want je weet hoe gevaarlijk het is.” Daar snapt hij zelf niks van. “Je schrijft toch ook de pil voor? Je vaccineert toch ook tegen hepatitis B?”

Volgens Vincent kan die terughoudendheid gevolgen hebben. Als je het niet via je huisarts kan krijgen, gebruik je het vaak ook niet. “Dus die stijging onder jongeren zou daar best wel wat mee te maken kunnen hebben”, zegt hij.

Geroddel

Maar die terughoudendheid zie je niet alleen bij huisartsen. Ook buiten de spreekkamer speelt stigma nog altijd een rol. Hiv is beter behandelbaar dan ooit, maar er wordt vaak niet open over gesproken. “Je vertelt aan één iemand dat je positief bent, en een minuut later denkt heel de stad dat je aids hebt,” zegt Troy (34), die zelf al twaalf jaar met hiv leeft.

Volgens hem komt dat vooral doordat veel mensen er te weinig van weten. Hij zou willen dat dat anders was. “Het zou fijn zijn als iemand naar je toe komt en dan zegt: geen zorgen, ik geef je een knuffel.”

De middelen hebben we, maar daarmee zijn we er nog niet. Uiteindelijk draait het om of mensen ze ook gebruiken. Volgens Jongen zitten we op een kantelpunt. “We zijn echt bezig met het laatste stukje van de epidemie, maar er moet wel iets veranderen om dat laatste duwtje te geven.”

En dat zit hem niet alleen in gedrag, maar ook in hoe de middelen aansluiten op ons leven. “Veel mensen zijn moe van het medicaliseren van hun seksleven”, vertelt jongen. Daarom wordt er gekeken naar alternatieven, zoals de halfjaarlijkse lenacapavir-prik. “Dat zijn hele mooie ontwikkelingen”, zegt ze. Maar ook dat is geen wondermiddel. Want uiteindelijk blijft de vraag hetzelfde: wie gaat het gebruiken? 

*Naam bekend bij de redactie.