Creatieve verhaal

Foto door: Ahmad Noorul Shaqulain

En het enige wat ik kon zeggen was: “Kan ik iemand koffie of thee inschenken.”

Door: Anna Popken

“Je weet dat ik daar wel over kan praten, maar zoals je ziet kan ik niet drooghouden.”

Het is acht uur ’s avonds wanneer we aan een hoge bartafel in het drukke restaurant gaan zitten. Mensen lopen continu langs ons heen; hun stemmen snijden doors ons gesprek heen. Ik kijk voor het eerst sinds vanochtend weer op mijn telefoon. Een bericht van mama: “Kom net uit het ziekenhuis voor de jaarlijkse controle. En dat zag er weer goed uit!” Marleen had meteen gereageerd. Ik stuur pas vier uur later “gelukkig” terug en leg mijn telefoon weg. Ze ziet mijn reactie verschijnen en kijkt op. “Niet te geloven dat het alweer bijna drie jaar geleden is,” zegt ze. Ze vertelt dat ze mama gisteren nog had gebeld om te vragen hoe het was gegaan. Terwijl ik me niet eens kan herinneren wanneer ik er voor het laatst met haar over heb gepraat. “Denk je dat ze het erg vindt dat ik daar niet zo aan denk?” vraag ik. Marleen kijkt me aan met die zachte, zorgende blik. “Jij hebt altijd al meer praktisch gedacht in dit soort situaties.” Ik neem een slok van mijn drankje. Marleen glimlacht ineens “Jouw reactie bij de tweede keer dat ze het kreeg kan ik ook niet vergeten. Ik zat toen, ziek van corona, toen papa me riep. Zijn ogen glansden van tranen die hij probeerde tegen te houden. Mama zat achterin de keuken. Nog voor ik beneden was, prikten de tranen al achter mijn ogen. Ik wilde haar zo graag omhelzen, maar het virus hield me tegen. En toen ging de achterdeur open, jij was thuis.”

Ik wist het al

2021: De leegte hing al de hele dag om me heen, als een mist die maar niet optrok. Ik wist het eigenlijk al. Ze waren weer naar het ziekenhuis gegaan, na weken van pijn in bij het bewegen van haar arm. De huisarts had steeds naar huis gestuurd met oefeningen en medicatie die niets deden. Tot er toch twijfel ontstond, te laat, natuurlijk. De stilte was vooral te zien in onze familie-app. Geen bericht, geen update. Jarenlang kreeg ik na haar eerste borstkanker altijd een bericht wanneer het tijd was voor de controle. Nu bleef het muisstil. Een leegte in de chat, en een leegte in mijn lichaam. Alsof alles in mij zijn adem inhield.  Met dat gevoel opende ik de achterdeur. Ik hing mijn jas op en duwende de deur naar de eetkamer open. Mama en Marleen zaten in de bruine vlinderstoelen in de hoek van de kamer. Rode gezichten, Glinsterende tranen die over hun wangen rolden. Het snikken leek alleen maar harder toen ik binnenkwam, alsof mijn aanwezigheid bevestigde wat ze al wisten. De grens tussen wachten en weten was voorbij. Papa stond in het midden van de kamer, zijn gezicht gebroken door tranen die hij niet meer kon verbergen. Ik keek mama aan. Eén blik was genoeg.  Het enige wat ik kon zeggen was: “Kan ik iemand koffie of thee inschenken.”

Een paar uur later lopen we onder het Bolwerk richting Utrecht Centraal. “Als je eenmaal in die bubbel stapt, kom je er niet meer uit,” zeg ik. “Het is net als wanneer je een rode auto koopt en je ze ineens overal ziet. Marleen knikte.  “Toen mama ziek werd, zag en hoorde ik het opeens overal. En toen begon ik me ook zorgen te maken over mijn eigen lichaam. Elke pijnscheut bij mijn borst zorgt voor paniek. Nu wel minder dan vroeger, maar toch.” Ik kijk naar haar over mijn schouder. De huid rond haar ogen wordt rood;  de eerste tranen rollen al. Haar angst zit nog steeds hoog, terwijl ik bijna niets voel van die zorgen. Ik pak haar hand. Ze glimlacht door haar tranen heen. 

De eerste keer

2018: Vanuit de straat fiets ik de achtertuin in. Ik kijk nog net naar rechts en zie de auto van mijn vader staan. Dat klopt niet; op dit tijdstip is hij normaal nooit thuis. Binnen klapt door de wind de tussen deur dicht. Papa zit op de glanzend rode stoel achter in de eetkamer, zijn gezicht bijna leeg van expressie. Mama zit aan de lange tafel, haar handen straks in elkaar gevouwen. De sporen van tranen staan nog op haar wangen. “Mooie eerste schooldag gehad?” vraagt papa terwijl hij opstaat. Ik knik en zeg volmondig ja, nog voor ik kan vragen waarom hij thuis is.“Roep je zus maar even van boven, we moeten wat zeggen.” Ik gooi mijn rugzak met een harde plof op de grond en roep naar boven.Nog geen twee tellen later zitten we tegenover elkaar aan de tafel. Papa haalt diep adem. “We moeten jullie wat vertellen.” Mama ademt zwaar in. “Ik heb borstkanker.” De woorden komen er schokkerig uit, alsof ze te zwaar zijn om te dragen. Haar gezicht breekt opnieuw open in tranen. Mijn zus begint meteen mee te huilen, boos dat we er zo lang buiten zijn gehouden. Maar van binnen gebeurt er bij mij vrijwel niets. Ik kijk naar mijn familie: mijn moeder en zus worden overspoeld door emoties, terwijl ik zelf stil blijf. Ik weet niet goed wat ik met de situatie moet, alsof mijn lichaam weigert te reageren. Het enige wat door mijn hoofd gonst, is die eerste schooldag. De druk die ik voelde. Het besef dat ik moest presteren, dat ik me geen misstap kon veroorloven nu ik een niveau hoger zat. Alsof mijn brein besloot dat dáár de prioriteit lag. Niet hier. Niet nu.

“En ik kan niet geloven dat ik nog steeds niks voel van wat ik zou moeten voelen,” zeg ik  tegen Marleen, net wanneer de buschauffeur hard op de remt drukt voor onze halte

Durven kijken 

We stappen uit in Zeist en lopen door het donker naar mijn wooncomplex. Dicht naast elkaar, langzaam over het zandpand.  “Als vrouwen onder elkaar zou je denken dat je dat durft te zien.” “Maar ik durfde niet eens te kijken naar waar haar borst had gezeten. Alleen dat litteken. Ik heb pas na een half jaar naar gevraagd.” “Echt waar?” vraag ik verast. Ze knikte. “Ik zat er maanden mee. Het voelde als schaamte.. waarom durf ik mijn eigen moeder niet te zien?” Ik knik. “ik kan me herinneren dat ik het ooit wel met jouw heb gezien, maar die druk heb ik nooit gevoeld.” ‘Het was geen druk,” zegt ze zacht. “Meer het idee dat een deel van haar vrouwelijkheid, haar herkenbaarheid, weg was. Dat vond zij zelf ook net zo moeilijk als ik.” Ik denk aan mijn tante, die vorig jaar, net als onze moeder, opnieuw borstkanker kreeg. “Ik kan me ook niet voorstellen dat je na zoveel jaren weer onrust voelt op dezelfde plek en opnieuw kanker krijgt.” Marleen begrijpt meteen waar ik op doel.

2025: Terwijl papa de pannen op tafel zet, zitten mama en ik te praten over alles wat ik de afgelopen maande heb meegemaakt. Dan valt ze stil. Haar blik gaat naar haar telefoon, dan weer naar mijn. ‘Heb je het al gehoord van je tante? Ik schud mijn hoofd. “Tuurlijk niet, ik krijg nooit wat mee als ik niet thuis ben in hotel mama,’ grap ik. Mama lacht niet. Haar ogen worden vochtig.  “Ze heeft…weer…borstkanker.” Het blijft even stil. Dan vraag ik: “Kan ze geopereerd worden?’’ “Ja. En ook snel al.’ “Dat is goed nieuws,” zeg ik zacht. ‘Misschien moet je haar en je nichtjes even een berichtje sturen straks,” zegt mama. “Ja,” zeg ik. “Daar had ik zelf nog niet angedacht.” 

Het gevoel

We ploffen allebei languit op mijn bed. Een lange zucht. Na een paar tellen in stile sta ik op en kijk naar de foto’s aan mijn muur: vrienden, familie en de nieuwste foto van mijn minor- klas uit Åarhus.“In Denemarken had ik voor het eerst het gevoel waar ik al die jaren naar op zoek was,” zeg ik. Marleen ging rechtop zitten en kijkt me vragen aan. 

2025, Åarhus.  Het café was warm en licht, een schuilplaats tegen de Deense regen die al dagen tegen de ramen sloeg. Ik zat tegenover Marie, iemand die ik pas drie maanden kende maar die voelde alsof ze al veel langer in mijn leven rondliep. We waren gekomen om ideeën te bedenken voor een schoolproject, maar ik had al een idee en nog voor chocolademelk koud werd, zag ze aan me dat er iets in mijn hoofd vastzat. En dus vertelde ik. Over mijn moeder. Over mijn tante. Over mijn zus, die zich veel meer zorgen maakte dan ik ooit had gedaan. Terwijl ik sprak, merkte ik hoe mijn stem trilde en mijn schouder steeds hoger kwamen te staan. Ik wachtte ik op die blik, die ongemakkelijke, verschrikte blik die mensen soms hebben wanneer je iets te kwetsbaar wordt. Maar marie keek alleen maar naar me, rustig, aandachtig.  “Dat herken ik,” zei ze.” Ze vertelde hoe ze ooit iets voelde en naar de huisartsenpost ging, maar werd weggestuurd omdat ze ‘ze te jong’ was. Ik zag aan haar gezicht dat het haar moeite kostte om het te delen.  Een paar weken later kwam Kera opzoeken in Aarhus. Een goede vriendin, iemand die ik al jaren kende. Met haar wilde ik het ook weer een keer over hebben. En zonder dat ze het wist, vertelde ze bijna hetzelfde verhaal als Marie: de angst, de twijfel, het schuldgevoel omdat ze zich zorgen maakte over haar eigen lichaam terwijl iemand anders écht ziek was. En daar, in dat café, tussen de geur van versgemalen koffie en Deense broodjes, viel het kwartje. Het was alsof al die verhalen, van mijn zus, Marie, Kera, als kleine lampjes aangingen in een kamer waar het al lange tijd leeg was geweest. Zij waren geraakt door de zorgen voor hun familie leden, en daardoor hun eigen lichaam anders gaan zien. En ik? Ik voelde het eindelijk ook. Niet zoals zij het voelde, maar wel voor het eerst echt iets.  

Reflectie

Ik kijk naar mezelf in de spiegel. De kamer is stil; alleen het zachte druppen van mijn haar op de houtenvloer verraad dat ik net onder de douch vandaan kom. Marleen is gisteren terug naar huis gegaan. Ik sta in het halfdonker voor de kleine spiegel boven de wasbak. Ik kijk zoals ik al jaren doe: zonder paniek, zonder die scherpe zorgen die anderen zo vaak beschrijven. Onder de douch had ik mezelf gecontroleerd. Niet uit angst, maar omdat ik erover had gepraat met mijn zus. Mijn blik in de spiegel is kalm, maar ergens diep vanbinnen verschuift iets. Een trilling die niet van mijn handen komt, maar van mijn stem, elke keer dat ik erover praat. Mijn lichaam spant zich aan, alsof het langzaam begint te begrijpen wat mijn hoofd jarenlang heeft weggeduwd. Dat het leven onvoorspelbaar is. Dat sommige gevoelens pas later binnenkomen. Misschien komt het bij mij anders binnen. Maar, één ding weet ik nu wel: hoe vaker ik erover praat, hoe meer mijn lichaam me laat merken dat ik niet zo ontastbaar ben als ik dacht. De woorden van mij zus echoën nog: mensen zien deze ziekte als iets gewoons, omdat het veel voorkomt en goed behandelbaar is. Daardoor vergeten ze hoe grot de impact is, op degenen die ziek is, maar ook de familie eromheen. Die impact had ik nooit begrepen. Niet toe ik naar de havo ging. Niet in de jaren daarna. Pas in dat café in Aarhus, toen de verhalen van anderen als kleine lampjes aangingen in een kamer die lang donker was geweest en ik rust had gevonden om erbij stil te staan. Ik kijk opnieuw in de spiegel. In mijn ogen glinstert iets wat er eerst niet was. Geen paniek. Geen angst. Geen tranen. Maar wel iets dat eindelijk een plek heeft gevonden.