De chaos na bevrijding: Het herstel van de Nederlandse rechtstaat na de Tweede Wereldoorlog 

Jacobus Breedveld, een man die volgens zeggen van zijn advocaat over “te weinig verstandelijk vermogen beschikte”, had tijdens de oorlog Joodse onderduikers verraden. Deze uitspraak mocht zijn verdediging alleen niet helpen, de man uit Delft werd op de ochtend van 17 oktober 1945, ter dood veroordeeld. Jacobus ging de geschiedenis in als de eerste terdoodveroordeelde in Nederland sinds de afschaffing van de doodstraf. Zijn zaak is één van velen die door onderzoek van het Directoraat-Generaal Bijzondere Rechtspleging (DGBR) aan het licht kwam. 

Per begin van dit jaar zijn alle archieven van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) openbaar in te zien. In dit archief zijn dossiers te vinden van verschillende instanties die werkzaam waren in de jaren 1944 tot 1952 op het gebied van de bijzondere rechtspleging. Instanties die, waaronder ook het DGBR, de Nederlandse rechtstaat na de Tweede Wereldoorlog weer in orde probeerde te krijgen. Historici waarschuwen dat deze dossiers vooral een product zijn van het rechtsproces en geen absolute waarheid bevatten over het verleden. Maar hoe zag het rechtsproces er na de Tweede Wereldoorlog uit? 

Het ontstaan van de Bijzondere Rechtspleging 

Op 12 september 1944 vallen de eerste Amerikaanse bevrijders Zuid-Limburg binnen, het begin van het einde van de oorlog. Uiteindelijk duurt het tot mei 1945 voordat Nederland officieel bevrijd is van de Duitse bezetter. 

De Nederlandse regering was aan het begin van de oorlog, direct na de inval van Hitlers leger, naar Londen gevlucht. Vanuit hier stelden zij wetten op om landverraders, Nederlanders die samenwerkten met de Duitsers, na de oorlog te kunnen vervolgen. Dit werd de bijzondere rechtspleging genoemd. 

“De bijzondere rechtspleging werd opgezet omdat de bestaande rechtbanken niet in staat waren de enorme hoeveelheden Nederlanders die berecht moesten worden, te verwerken”, vertelt Lieke Speerstra, Junioronderzoeker en docent Politieke Geschiedenis aan de Radboud Universiteit.  

Met de bevrijding van de eerste delen van Nederland kreeg eerst het Militaire Gezag, in opdracht van de regering, de taak om de bijzondere rechtspleging uit te voeren. Op 1 maart 1946 droeg het Militair Gezag het stokje op het gebied van de bijzondere rechtspleging over aan de Directoraat-Generaal Bijzondere Rechtspleging. De DGBR was speciaal voor het uitvoeren van de bijzondere rechtspleging in het leven geroepen. 

De terugkeer van de doodstraf 

Er waren verschillende manieren waarop iemand op de radar van de DGBR kon belanden. Dit kon onder andere door aangifte wegens verdacht gedrag tijdens de oorlog, of als iemand lid was geweest van de Nationaalsocialistische Beweging (NSB). Het verzet had aan het eind van de oorlog lijsten klaarliggen van mensen die ze verantwoordelijk wilden stellen voor oorlogsmisdaden. Daarnaast konden beschuldigingen van verraad, hulp aan of het dienen in het Duitse leger, leiden tot vervolging. 

Er werden zwaardere straffen ingesteld, met als hoogste straf de doodstraf. Deze was speciaal voor de Bijzondere Rechtspleging heringevoerd in Nederland. De eerste doodstraf werd 14 dagen na de eerste zitting van het Bijzondere Gerechtshof opgelegd aan Jacobus Breedveld voor het uitleveren van Joden, 75 jaar nadat deze straf uit het Nederlandse strafrecht verdween.  

Uit een enquête, gehouden door de toenmalige Vereniging voor Opinieonderzoek uit 1945, blijkt dat de meerderheid van Nederland het eens was met het toepassen van de doodstraf op de ergste oorlogsmisdadigers.  

“Mensen kenden het strafsysteem van voor de oorlog. Het idee dat iemand twintig jaar zou zitten en dan weer op vrije voeten zou staan, vond men gewoon onacceptabel’’, vertelt Ewoud Kieft, schrijver en historicus werkzaam aan het NIOD. Ook de zuivering van de samenleving speelde een rol in de opinie over de doodstraf. Koningin Wilhelmina zei in 1941 al vanuit Londen: “Voor landverraders is in een bevrijd Nederland geen plaats.” 

Het effect van Artikel 16  

Niet elke arrestatie of verdenking was gegrond, vaak werd er niet gekeken of de reden van aangifte of verdenking terecht was. Dit kwam door het “Besluit op de Bijzondere Staat van Beleg”, dit besluit gaf uitgebreide bevoegdheden om mensen zonder rechterlijke tussenkomst aan te houden en in bewaring te stellen. 

“Het Besluit op de Bijzondere Staat van Beleg was een oorlogsnoodwet uitgevaardigd begin 1943. Hierin werd onder andere vastgelegd hoe bijzondere misdrijven die tijdens de oorlog waren gepleegd gestraft moesten worden, zelfs als die misdrijven werden begaan voordat de wet was ingesteld. Deze wet werd mede ingevoerd om te voorkomen dat mensen voor eigen rechter zouden gaan spelen”, legt Samuël Kruizinga, militair historicus werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam, uit.  

In Artikel 16 van dit besluit stond: “Het Militair Gezag is bevoegd ieder persoon met uitzondering van leden van het Koninklijk Huis, van de Hoge Colleges van Staat, ministers en leden van de rechterlijke macht te doen aanhouden, onderzoeken en in bewaring te stellen.”  

Hierdoor was er geen sprake meer van de rechtsbescherming die normaal geldt bij voorlopige hechtenis. De stappen die normaal eerst via de rechter moesten, konden nu gepasseerd worden. Er vonden vaak geen voorafgaande opsporingsonderzoeken plaats en mensen werden zonder documentatie of bewijs gearresteerd voor oorlogsmisdrijven, welk zij in gevallen niet hadden gepleegd. 

Direct na het einde van de oorlog moesten er naar schatting 100.000 arrestanten in bewaring gesteld worden, dit gebeurde in interneringskampen. Deze waren bedoeld voor personen die nog niet veroordeeld waren, maar op grond van Artikel 16 waren gearresteerd. 

Interneringskampen 

“Gevangenen werden vastgezet in kampen, zoals Vught en Westerbork, maar ook in geïmproviseerde locaties zoals theaters, loodsen en fabriekshallen. De omstandigheden waren er slecht, er was een tekort aan basisbehoeften. Door de chaos was er weinig overzicht over wie vastzat en waarom, hierdoor zaten ook onschuldigen lange tijd vast. Autoriteiten worstelden met het handhaven van de rechtsorde, mishandelingen door bewakers kwamen voor, mede doordat er te weinig bewakers waren en verzetsgroepen soms zelf de bewaking overnamen”, aldus Speerstra.

Kamp Amersfoort diende in de Tweede Wereldoorlog als concentratiekamp. Na de bevrijding werd de naam veranderd naar Kamp Laan 1914 en diende het als interneringskamp. Bron foto: Chimène de Jonge
Kamp Amersfoort diende in de Tweede Wereldoorlog als concentratiekamp. Na de bevrijding werd de naam veranderd naar Kamp Laan 1914 en diende het als interneringskamp.

Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging 

Van alle 425.000 personen die werden onderzocht door de DGBR is er een dossier opgesteld. “Deze archieven bevatten verklaringen van getuigen en processtukken, maar zijn vaak gekleurd door de context waarin ze zijn opgesteld. Veel dossiers bevatten onjuiste of onvolledige informatie, omdat beschuldigingen soms gebaseerd waren op vermoedens of persoonlijke wraak”, vertelt Speerstra. Dit archief is nu in 2025 openbaar gemaakt. “De vrijgave van deze dossiers heeft geleid tot publieke ophef, vooral omdat onschuldigen in de archieven voorkomen’’.   

Historici benadrukken dat deze documenten niet altijd een getrouw beeld geven van de werkelijkheid, maar eerder inzicht bieden in hoe de rechtspleging destijds functioneerde. Nabestaanden kunnen hierdoor misleid worden over de rol van hun familieleden tijdens de oorlog. 

Veroordeling  

Niet iedereen die was onderzocht en werd verdacht van landverraad belandde voor de rechter. Ongeveer 66 duizend van de 425 duizend zaken werden wel in de rechtbank behandeld. Onvaderlands gedrag werd bestraft via tribunalen, die speciaal voor de Bijzondere rechtspleging waren opgericht, zij behandelden vijftigduizend zaken. 

De tribunalen bestonden uit één rechter en twee lekenrechters. Dit waren mensen zonder juridische opleiding die werden gekozen uit de bevolking. Zij hadden evenveel zeggenschap als de geschoolde-rechter en stonden voor een afspiegeling van beroepen en zuilen uit de Nederlandse bevolking. Dit systeem werd ingesteld, omdat er onder de bevolking erg veel spanning en afkeur was tegen landverraders. Het was een manier van de overheid om de maatschappelijke onrust te bedwingen.  

De Bijzondere Gerechtshoven oordeelden over zo’n 16 duizend zaken, hiervan kregen 152 mensen de doodstraf. Uiteindelijk werden er 40 uitgevoerd, in vele gevallen verleende de Kroon, de koningin, gratie. De doodstraf werd dan omgezet tot een levenslange straf. 

NSB-leider Anton Mussert in de beklaagbank. Bron foto: Oorlog voor de Rechter.
NSB-leider Anton Mussert in de beklaagbank.

Veel mensen werden uiteindelijk voorwaardelijk vrijgelaten, omdat berechting van iedereen onmogelijk bleek. In totaal belandden 90 duizend zaken niet voor de rechter, maar deze mensen werden wel bestraft. Dit gebeurde door het (tijdelijk) afnemen van burgerrechten, zoals bijvoorbeeld het afnemen van kiesrecht. Deze mensen kwamen onder toezicht te staan van Stichting Toezicht Politieke Delinquenten.  

“Zij zorgden voor de heropvoeding en re-integratie van vrijgelaten personen. De voorwaardelijk vrijgelaten mochten vrij wonen, maar een toezichthouder controleerde regelmatig hun gedrag. Als ze de voorwaarden overtraden, bijvoorbeeld door contact te hebben met andere nationaalsocialisten en zich niet als “goede Nederlanders” gedroegen, konden ze opnieuw gevangengenomen worden’’, licht Speerstra toe.  

Een grote meerderheid, 329 duizend zaken kwam niet voor de rechter en werd niet vervolgt. Dit kwam doordat zaken onvoltooid waren door bijvoorbeeld overlijden, te weinig bewijs of door onschuld.  

Het einde van de bijzondere rechtspleging  

Na de bevrijding van Nederland in 1945 leidde de chaos en het grote aantal arrestaties tot een trage berechting van ”foute” Nederlanders. Om de overvolle kampen te ontlasten, werd er vanaf juli 1946 een systeem van grootschalige vrijlating ingesteld. De bijzondere rechtspleging kwam officieel tot een eind met de opheffing van de DGBR op 1 januari 1949. In de daaropvolgende jaren werden de bijzondere gerechtshoven opgeheven en de resterende zaken overgedragen aan de reguliere rechtbanken, terwijl het Bureau Bijzondere Rechtspleging de overgebleven taken op zich nam. 

De bijzondere rechtspleging was van belang voor het herstel van de rechtstaat. Het maakte berechting van landverraders mogelijk en voorkwam eigenrichting. Ook voor de terugkeer van de regering en het Koninklijk Huis was het belangrijk. “Het diende ook het gezagsherstel van de regering door te tonen dat de overheid recht probeerde te brengen aan het volk”, aldus Kieft.  

Data verantwoording  

In deze tekst is gebruik gemaakt van data afkomstig uit een onderzoek van Stichting voor Opinieonderzoek of men voor of tegen het toepassen van de doodstraf bij de ergste politieke misdadigers waren. Dit onderzoek is afkomstig uit 1945 en uitgevoerd doormiddel van het afnemen van enquêtes. De uitslag van dit onderzoek stond gepubliceerd in het Algemeen Handelsblad van 10 november 1945.

De data rondom de hoeveelheid personen die is onderzocht door het DGBR is afkomstig van de website van Oorlog voor de Rechter. Net als de data over de hoeveelheid zaken die hiervan voor de rechter zijn verschenen, hoeveel niet voor de rechter zijn gekomen, maar wel bestraft en hoeveel er niet voor de rechter zijn gekomen en niet veroordeeld. Oorlog voor de Rechter is een samenwerking van het: Nationaal Archief, WO2Net, Huygens Instituut, NIOD & de Rijksoverheid.

In dit verhaal is de data gebruikt om een overzichtelijk beeld te schetsen over hoe men dacht over de herinvoering van de doodstraf. Ook toont het inzicht in hoeveel van de onderzochte mensen die voorkomen in het CABR daadwerkelijk zijn vervolgd en veroordeeld.