Voor de aarde sterft Henk Baptist met liefde in het harnas (Trouw)

Jurist en ecoloog Henk Baptist kan niet stoppen. Als adviseur van het Drentse burgerinitiatief Meten=Weten voert hij meerdere zaken tegen overlast van pesticiden in de lelieteelt. Woensdag deed de Raad van State daarin een belangrijke uitspraak.

Tien jaar geleden ging Henk Baptist (77) met pensioen. Hij kocht een camper, zette koers naar Spanje en ging van zijn vrije tijd genieten. Verder dan Luxemburg kwam hij niet. Te druk. Met het voeren van rechtszaken tegen overheidsinstanties. Saillant detail: Baptist werkte zelf dertig jaar voor de overheid, als ecoloog bij Rijkswaterstaat. “Ik wil de natuur goed achterlaten. Niet voor de mens. Voor de natuur zelf.”

Woensdagmorgen boekte hij zijn grootste overwinning toen de Raad van State oordeelde dat een lelieteler voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen een natuurvergunning nodig heeft. De Raad legt de nadruk op voorzorg bij het spuiten met pesticiden: als negatieve gevolgen voor beschermde natuur mogelijk zijn, is nader onderzoek nodig en zolang dat ontbreekt moet de teler een vergunning aanvragen.

Bestrijdingsmiddelen in natuurgebieden

De uitspraak kan vergaande gevolgen hebben voor pesticidengebruik in de landbouw, waarin lelieteelt vaak een tijdelijk gewas is en dezelfde middelen ook voor andere gewassen worden gebruikt.

De zaak was aangespannen door Milieudefensie tegen de provincie Drenthe, die niet wilde optreden tegen het spuitgebruik van een lelieteler. Baptist sloot zich daar als jurist van burgerinitiatief Meten=Weten bij aan. Meten=Weten toonde eerder al aan dat bestrijdingsmiddelen ver in beschermde natuurgebieden terechtkomen, zonder dat de gevolgen daarvan bekend zijn.

‘Wij verstoren het ecosysteem’

Saillant detail: Baptist werkte zelf dertig jaar voor de overheid, als ecoloog bij Rijkswaterstaat. “Ik wil de natuur goed achterlaten. Niet voor de mens. Voor de natuur zelf.”

Op zijn sandalen en met een kaki overhemd staat hij in de rechtbank. Hij oogt als een verdwaalde boswachter in deze omgeving, maar zelf lijkt hij zich hier als een vis in het water te voelen. Baptist voert al bijna 25 jaar rechtszaken voor natuurorganisaties, zoals Meten=Weten en Milieudefensie. Gedreven, maar altijd een baken van rust. Rode draad: het ecosysteem. “Dat verstoren wij als mens, met óns systeem.”

Baptist vecht daartegen. Ironisch genoeg alleen maar door een spiegel voor te houden: “De overheid handhaaft haar eigen wetten simpelweg niet. Ik zorg alleen maar dat ze zich aan haar eigen wetten houdt.”

Bij zijn strijd komt zijn liefde voor het ecosysteem samen met zijn juridische kennis en achtergrond. En voor beide ligt de oorsprong bij zijn sociaal bewogen vader, die jurist was en voor de reclassering werkte. “Het gebeurde geregeld dat mensen die net uit de gevangenis kwamen, eerst een paar weken bij ons thuis logeerden.”

In zijn jonge jaren deed Baptist zijn eerste juridische kennis op als opsporingsambtenaar bij het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. Hij legde zich toe op natuurovertredingen en bekwaamde zich in de jaren daarna in deze materie: “Ik mag mezelf inmiddels wel specialist noemen in de natuurrichtlijnen van de Europese Unie, ja.”

Naast zijn juridische kennis was het vooral de liefde voor de natuur die Baptist van zijn vader meekreeg. “Ik groeide op aan zee, in Scheveningen. Ik weet nog dat ik in de winter van 1956 eropuit trok met mijn vader. Alles was met ijs bedekt, op zee dreven duizenden eenden tussen de ijsschotsen. Dat was magisch. Dat heeft een bepaald gevoel aangewakkerd, een zekere nieuwsgierigheid: hoe zit dit allemaal in elkaar?”

“Ik verzamelde zeebeestjes, onderzocht vlinders en dook in de bosbodem op zoek naar alles wat leeft. Het woord ecosysteem kende ik nog niet, maar de samenloop van de natuur fascineerde mij al op zeer jonge leeftijd.” Vanaf dat moment begreep Baptist dat er een ingenieus systeem achter de natuur zit. Dat alles in elkaar grijpt. En als klein ventje wilde hij dat al doorgronden.

De zee is nu troebel

Hij bracht eindeloze uren door aan zee, zwemmend, observerend, ontdekkend. “In de zomer liep ik het water in en keek ik wat er allemaal voor mijn voeten wegsprong”, vertelt hij. “Ik kon het zo oppakken, bestuderen en in mijn zeewateraquaria leggen. Dat was voor mij de mooiste manier om de natuur te begrijpen.”

Die heldere, levendige zee uit zijn jeugd bestaat niet meer. “Als ik nu in Scheveningen naar het water kijk, heb ik nauwelijks zicht. Het zeewater is zo verschrikkelijk troebel geworden.” Die verandering is geen toeval, maar een direct gevolg van menselijke ingrepen, legt hij uit. “Dat troebele water komt door de manier waarop we de Rijn en de Maas in zee laten stromen. De Deltawerken hebben de dynamiek van het zeewater volledig veranderd.”

‘De vijand beheert nu de natuur’

Het was een van de eerste grote inzichten die hij kreeg tijdens zijn werk bij Rijkswaterstaat; grootschalige infrastructuurprojecten, zoals de afsluiting van waterwegen en de aanleg van havens, hebben grote effecten tot ver op zee. “Mensen denken vaak dat een dam of een sluissysteem alleen invloed heeft op het gebied eromheen, maar de gevolgen van de Deltawerken strekken zich uit tot in Denemarken. Zo wordt ons rivierwater minder goed gemengd met zeewater, nu het niet meer via meerdere uitmondingen de zee instroomt. Daardoor ontstaat bijvoorbeeld algenbloei langs de kust, helemaal tot aan de Duitse Bocht.”

“In 1982 is de natuur in Nederland letterlijk ingekwartierd bij de vijand”, zegt Baptist stellig. “In dat jaar werd natuurbeheer, dat tot dan toe onder het ministerie van CRM viel, overgeheveld naar het ministerie van Landbouw en Visserij. Vanaf dat moment is het natuurbeleid op subtiele wijze voortdurend geremd. Natuur wordt door de landbouw immers als een belemmering beschouwd. Terwijl bij Rijkswaterstaat juist sprake was van een zeer vooruitstrevend natuurbeleid.”

Hij verwijst naar het programma Ruimte voor de Rivier uit 2006. In plaats van dijken alleen te verhogen, kreeg de rivier meer ruimte door uiterwaarden uit te graven. “Dat zorgde niet alleen voor meer waterveiligheid, maar ook voor natuurontwikkeling.”

“De landbouwsector had echter maar één doel: groei, groei en nog eens groei”, aldus Baptist. “De sector wilde geen beperkingen en verzette zich fel tegen elke vorm van natuurbescherming.” Dat verzet botste steeds vaker met de Europese wetgeving, die juist gericht is op de bescherming van mens, dier en milieu.

“Op papier is dat allemaal keurig vastgelegd”, zegt hij, “maar in de praktijk legde de landbouwsector de nadruk op het economische belang. De sector wilde en wil zich niet conformeren aan natuurbeschermingsregels, want dat zou betekenen dat de landbouw een stapje terug moet doen. Dat wil men niet tot op de dag van vandaag. En al helemaal niet nu we een BBB-minister voor Landbouw hebben.”

Droomvrouw

Van leven als een pensionado is het nooit gekomen. Baptist heeft immers een missie. Zelfs wanneer dat ten koste gaat van zijn privéleven. Liever praat hij er niet over, maar hij geeft ruiterlijk toe dat het zijn eerste huwelijk kostte: “Ik was constant met natuur bezig, zeven dagen in de week. Werkweken van minder dan zestig uur waren zeldzaam. Dat ging ten koste van mijn relatie, mijn eerste huwelijk is na vijftien jaar gestrand.”

Na zijn scheiding vond hij in Vera zijn nieuwe liefde. De docente biologie had haar afstudeerstage bij hem gedaan en begreep zijn drive als geen ander. Ze trouwden en reisden samen 25 jaar de wereld over, op zoek naar voor hen nog onbekende natuur: “We waren allebei knettergek. We kochten spontaan een ticket ergens naartoe, huurden een auto en dan zeiden we: gaan we links- of rechtsaf? Dagenlang brachten we samen door in de natuur. Met haar voelde ik me volkomen vrij. Ze was mijn droomvrouw.”

Zijn stem stokt. Na een stilte vervolgt hij: “Die droom kwam onverwacht ten einde.” Vera kreeg borstkanker, waarvan ze in eerste instantie herstelde door een borstamputatie. Maar bij de reconstructie van de borst werd eierstokkanker ontdekt. Ze overleed binnen een jaar. Een verlies dat hij nooit helemaal te boven is gekomen.

Baptist ziet de mens als de schadelijkste diersoort, die zichzelf ten gronde zal richten. “De mens heeft geen al te lang leven meer. De gemiddelde leeftijd voor een diersoort is maar twee à drie miljoen jaar. Het gaat hard achteruit, onder andere door klimaatverandering. Misschien wel erg, maar misschien ook niet erg. Dat is een persoonlijke invulling. Waar ik vooral mee bezig ben, is met het leggen van een voedingsbodem voor de natuur als wij er straks niet meer zijn.” Het is illustratief voor hoe Baptist naar het leven kijkt: individuen zijn onbelangrijk, het gaat om het ecosysteem en wat een ieder daaraan toevoegt. Met een nuchtere blik voegt hij eraan toe: “De natuur kent geen beloningen of straffen. Alleen maar gevolgen.”

“Mijn privéleven ís rechtszaken voeren tegen overheden”

Zorgen over de toekomst van de aarde hebben hem er altijd toe aangezet om zijn kinderen een diep respect voor de natuur bij te brengen. “Waar andere kinderen het woord ‘vogel’ leerden, kenden die van mij iedere vogel bij naam.” Die liefde voor de natuur heeft zich voortgezet in de volgende generaties Baptist: een van zijn zoons is bioloog en zijn kleindochters studeren alle drie een natuurgerichte opleiding aan de Wageningen Universiteit. “Natuurlijk is het mooi om te zien dat ze het oppakken, maar het is ook noodzakelijk”, zegt hij. “Zij zullen straks leven met de gevolgen van wat wij nu doen.”

Op de vraag of zijn privéleven nog lijdt onder zijn drukke bestaan, haalt Baptist zijn schouders op: “Mijn huidige vriendin, overigens ook biologieleraar, begrijpt me volledig en steunt mijn werk. Want mijn privéleven is wat ik doe: rechtszaken voeren tegen overheden. Juist op die manier kan ik genieten van mijn pensioen, omdat ik geen geld meer hoef te verdienen. Ik zie het als onbetaald genieten.”

De baanbrekende uitspraak van de Raad van State ziet hij niet als kers op de taart van zijn lange carrière, sterker nog: “Nu begint het pas. Om de implementatie van de uitspraak daadwerkelijk voor elkaar te krijgen, moet ik nog flink aan de bak.” Of hij met zijn camper ooit nog naar Spanje gaat? “Ik ben bang van niet. Mijn gevecht is nog niet klaar. Ik sterf in het harnas.”

Omwonenden eisen inzicht in pesticidengebruik ‘Waarom mag ik niet weten wat ik inadem?’ (Trouw)

Voor omwonenden is inzicht verkrijgen in pesticidengebruik van bollenboeren haast onmogelijk. De wet schrijft maximale transparantie voor, maar het ministerie en toezichthouder NVWA vragen geen spuitgegevens op bij boeren. Een gang naar de rechter vergt een lange adem.

Zuchtend zet Joke Kolthoff een kop thee op tafel in haar woonkamer. Ze kijkt uit op een enorme akker, pal naast haar huis in het Drentse Lhee, gemeente Westerveld. Op het perceel worden geregeld lelies geteeld, berucht om het hoge pesticidengebruik. Het is voor Joke een grote bron van zorg. De bloementeler weigert inzicht te geven in zijn pesticidengebruik en verzoeken aan de gemeente Westerveld en andere overheidsinstanties worden keer op keer afgewezen. “Het voelt zo oneerlijk”, zegt Kolthoff. “Waarom mag ik niet weten wat ik inadem?”

Kolthoff is samen met andere omwonenden al bijna tien jaar bezig om erachter te komen welke middelen de boer op zijn perceel spuit. De ongerustheid is groot. Wetenschappelijke onderzoeken brengen pesticiden steeds vaker in verband met onder meer kanker en neurologische aandoeningen als de ziekte van Parkinson en ALS. Via de lucht komen bestrijdingsmiddelen makkelijk in de tuinen van omwonenden terecht. Vlaams en Nederlands onderzoek trof pesticiden zelfs in slaapkamers aan, tot in babyluiers aan toe.

Kopie van spuitgegevens
“Ik weet tot op de dag van vandaag niet welke middelen er naast mijn huis worden gebruikt”, zegt Kolthoff. “Eén keer heb ik een kopie van de spuitgegevens gezien, toen we een procedure voerden bij Provinciale Staten, maar verder zijn alle verzoeken om transparantie afgewezen door de overheid. Ik weet dus ook niet wannéér er pesticiden wordt gespoten, zodat ik mijn ramen en deuren dicht zou kunnen doen zoals het officiële GGD-advies voorschrijft.”

Inmiddels heeft Kolthoff zich verenigd met andere omwonenden en is er een rechtszaak aangespannen tegen de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) om inzicht in de spuitgegevens af te dwingen.

Ook op andere plekken in Nederland klopten omwonenden de afgelopen jaren aan bij autoriteiten met de vraag welke pesticiden in hun directe omgeving worden gebruikt. Steeds krijgen ze nul op het rekest. De reden? De Nederlandse overheid beschikt simpelweg niet over deze gegevens: boeren zijn verplicht hun pesticidengebruik bij te houden, maar de registratie valt onder hun eigen verantwoordelijkheid. Door het ontbreken van een centraal registratiesysteem blijft essentiële informatie daardoor buiten het bereik van burgers die zich zorgen maken over hun gezondheid.

Maatschappelijke verandering
Het aantal toegenomen rechtszaken tussen omwonenden en telers betreft met name handhavingsverzoeken om het gebruik van bestrijdingsmiddelen te beperken of volledig te doen stoppen. Het wantrouwen jegens bestrijdingsmiddelengebruik groeit.

“Bij omwonenden ontstaat steeds meer bewustzijn over landbouwgif en de gevolgen daarvan”, zegt Donna Stolwijk van Urgenda. Stolwijk ondersteunt Aardige Buren, een initiatief dat omwonenden bijstaat in het contact met de gemeente, provincie en telers. “Als dat niets oplevert, is de laatste stap dat we omwonenden ondersteunen om naar de rechter te gaan.”

Het opvragen van spuitgegevens is bij dit proces standaard, maar doorgaans zonder succes. De rechtszaak tegen een lelieteler uit Boterveen in 2023 zorgde volgens Stolwijk echter voor een doorbraak. De rechter besloot in die zaak het gebruik van pesticiden volledig te verbieden. In hoger beroep werd uiteindelijk bepaald dat de betreffende teler vier van de 33 middelen mocht gebruiken.

“Omwonenden eisen vooral dat de overheid strenger handhaaft en hen actief informeert over wanneer welke middelen worden gebruikt”, zegt Stolwijk. “Als de teler geen inzage geeft, tasten omwonenden namelijk in het duister.”

‘Het belast je leven’
Zowel Stolwijk als Kolthoff zien dat het een zware wissel trekt op omwonenden. “Niet weten welke pesticiden rondom je woning worden gebruikt, geeft zoveel onzekerheid dat mensen er soms zelfs voor kiezen om te verhuizen”, zegt Kolthoff. “Het belast je leven, het veroorzaakt enorm veel stress.”

Vooral bij bloembollen maken telers op grote schaal gebruik van bestrijdingsmiddelen: slechts iets meer dan één procent van de landbouwgrond is voor bloembollen, maar de bollenteelt is goed voor 21 procent van het totale pesticidengebruik. En de telers zijn allesbehalve transparant over wat en hoeveel ze gebruiken. Gevraagd naar een reactie zegt voorzitter Hester Maij van de KAVB, de branchevereniging van bloembollentelers: “De KAVB en haar leden staan voor een open gesprek met respect voor elkaar.”

Ze verwijst vervolgens naar twee folders van de vereniging over transparantie en meldt per mail: ‘Ik hoop dat het artikel objectief wordt. Wij merken dat er veel onzin wordt verkondigd en de nuance over het nut en noodzaak van gewasbeschermingsmiddelen ver te zoeken is’. In de folders waarnaar Maij verwijst, wordt met geen woord gerept over spuitgegevens. Maij reageert ook niet op meerdere verzoeken van Trouw om inhoudelijk op vragen in te gaan.

Krakkemikkige wetgeving
In het Europese recht is vastgelegd dat boeren een spuitregister moeten bijhouden. Burgers kunnen deze informatie opvragen bij de overheid. “Maar dit is wel krakkemikkige wetgeving”, zegt Anne de Vries, milieujurist bij de organisatie Natuur & Milieu. “Omwonenden kunnen spuitgegevens opvragen als die informatie in het bezit is van de overheid. Aan dat recht heb je alleen niks als autoriteiten die gegevens niet bij boeren opvragen. Er staat in de wet ook niet dat derde partijen een autoriteit kunnen dwingen om die informatie op te vragen. Dus hebben omwonenden meestal geen inzicht in wat er om hen heen gespoten wordt.”

Het transparantie-principe is ook verankerd in het zogenoemde Verdrag van Aarhus, een door alle EU-landen ondertekend milieurechtverdrag om burgers meer invloed te geven op milieubeleid en milieubescherming. Het verdrag stelt dat iedere burger informatie over milieu-emissies mag opvragen. “En als er íets tot milieu-emissie leidt, is dat pesticidegebruik”, zegt De Vries. “Hiervoor geldt alleen hetzelfde als voor de Europese verordening: autoriteiten kunnen voorkomen dat informatie in hun bezit komt door het gewoon niet op te vragen.”

Kastje naar de muur
Uit gesprekken met omwonenden blijkt dat het lastig is om de juiste overheidsinstantie te vinden voor het opvragen van spuitgegevens. “Het is een klassiek kastje-naar-de-muur-verhaal”, zegt de Drentse Joke Kolthoff. “Allereerst zijn we als omwonenden naar de provincie gegaan, die ons weer verwees naar het ministerie van Landbouw. Het ministerie speelde de bal door naar de NVWA en stelde dat dit de gezaghebbende instantie was.”

De voedsel- en warenautoriteit, verantwoordelijk voor toezicht op pesticidengebruik van telers, is de enige instantie die de gegevens kan opvragen. Echter, “alleen in een toezichthoudende rol”, laat de NVWA weten: “Omwonenden kunnen spuitgegevens opvragen bij de NVWA via een verzoek aan de minister van Landbouw, volgens Europese en Nederlandse wetgeving. De NVWA kan echter alleen informatie verstrekken die zij zelf in bezit heeft en mag geen extra gegevens opvragen op verzoek van derden, tenzij dit nodig is voor haar toezichtstaken.”

Het NVWA voert een paar honderd inspecties per jaar uit bij telers. “Bij de uitvoering van een inspectie kan de NVWA de ondernemer vragen om de registratie te verstrekken. De spuitregistratie maakt echter niet van elke inspectie onderdeel uit”, aldus de autoriteit.

Principiële kwestie
De zaak in Westerveld is inmiddels binnen de rechtbank Noord-Nederland verwezen naar de meervoudige kamer, omdat de rechter het in eerste aanleg als een “ingewikkelde en zeer principiële kwestie” beschouwde. Volgens ecoloog en jurist Henk Baptist, die Joke Kolthoff en de andere omwonenden in Westerveld bijstaat, is de situatie juridisch onhoudbaar. “Nederland is verplicht om de spuitgegevens openbaar te maken. Dat de overheid deze gegevens niet heeft, betekent niet dat burgers hun recht verliezen.”

Of de rechtszaak in Westerveld daar verandering in brengt, zal nog blijken. Vermoedelijk zal de meervoudige kamer voor de zomer oordelen of de overheid zich moet houden aan de Europese transparantieregels en spuitgegevens moet verstrekken. Dat zou grote gevolgen kunnen hebben voor het Nederlandse pesticidenbeleid.

Tot die tijd heeft de minister van Landbouw in elk geval geen plannen om meer transparantie voor omwonenden te bewerkstelligen. Gevraagd naar haar standpunt, laat ze via haar woordvoerder weten: “Overheden kunnen spuitgegevens bij boeren opvragen als dat nodig is voor een specifiek doel. Hoewel de overheid erkent dat er wensen bestaan bij derden, zoals omwonenden, om zo gedetailleerd mogelijke informatie te ontvangen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, verwachten professionele gebruikers andersom dat hun privacy wordt gewaarborgd.”

Omwonende Joke Kolthoff reageert teleurgesteld. “Deze afweging van het ministerie is geen argument. Ik vraag niet naar de pincode of bankgegevens van mijn buurman. Ik wil weten welke pesticiden hij gebruikt omdat het gif op mijn grond en in mijn huis terechtkomt. En dat kan ernstige consequenties hebben voor mijn gezondheid. Ik lees in de reactie van de minister opnieuw grote weerstand om omwonenden het recht te geven op werkelijke transparantie. De overheid kiest ervoor om de belangen van de sector boven de belangen van de inwoners te stellen. Dat is zeer kwalijk.”

Verstekeling Steven valt al meer dan twintig jaar tussen wal en schip

Vijftien jaar is Steven als de rebellen voor de deur staan in zijn geboorteland Sierra Leone. Ze willen dat hij mee gaat vechten in hun leger, hij is tenslotte oud genoeg. Stevens oom – die hem opvoedt omdat Steven en zijn zusje wees zijn – weigert en moet dat met zijn leven bekopen: hij wordt neergeschoten door de rebellen. Steven weet te vluchten, als verstekeling op een cruiseschip. Als hij na twee weken aankomt in Nederland, hoopt hij daar een nieuw leven op te kunnen bouwen. De hoop wordt langzaam maar zeker overschaduwd: Steven komt tussen wal en schip terecht van juridisch getouwtrek en bureaucratie.

In de gangen van een oude kerk in west-Utrecht is het rustig. Ik loop achter Jana aan, de begeleider van Steven. Hij zit op haar werkkamer te wachten en geeft me onzeker een hand. Hij wiebelt in zijn stoel heen en weer, maar wordt al snel rustiger. Steven, vertelt Jana,  woont inmiddels al 20 jaar in Nederland. Illegaal, dus hij heeft geen vaste woon- of verblijfplaats. Stichting Noodopvang Dakloze Vreemdelingen Utrecht (SNDVU) vangt hem op; hij heeft een slaapplek toegewezen gekregen en krijgt leefgeld.

Als we koffie hebben gekregen, vraag ik Steven naar zijn jeugd in Sierra Leone. Hij begint een beetje te hakkelen, vindt het duidelijk moeilijk om de goede woorden te vinden: “Ik heb niet veel herinneringen meer aan mijn ouders, zij zijn jong gestorven. Samen met mijn jongere zusje woonde ik bij mijn oom in een dorp. We hadden een goed leven. Tot de oorlog begon.”

Het kost Steven duidelijk moeite erover te praten, als ik naar de rebellen vraag. Zijn Nederlands is niet vloeiend dus hij zoekt soms naar de goede woorden. “Toen ze in mijn dorp kwamen, wilden ze alle mannen en jongens meenemen om te vechten. Mijn oom wilde dat niet, maar hij wilde zeker niet dat ik meeging. Kort daarna is hij doodgeschoten en ben ik op de vlucht geslagen.” Steven praat zachtjes verder als ik hem naar zijn zusje vraag: “Mijn zusje… ik weet het niet. Ik weet niet wat er met haar is gebeurd. We hadden geen geld, geen idee waar we naartoe moesten. Het was oorlog, chaos. Iedereen moest voor zichzelf zorgen, zichzelf redden. En we hadden toen geen telefoons, geen sociale media. Ik heb haar nooit meer kunnen vinden, nooit meer iets van haar gehoord. Misschien leeft ze niet meer. Ik denk in elk geval niet dat ze in Europa is.”

Steven wist de haven te bereiken en klom als verstekeling aan boord van een groot schip: “Ik was daar met nog twee andere jongens. We verstopten ons. Ik denk dat de reis wel twee weken duurde. We hadden bijna geen eten, alleen wat noten. We stonden achter machines in de stoomkamer en om niet te worden ontdekt, konden wij bijna niet zitten: dan zouden ze ons kunnen zien. Dus we stonden een groot gedeelte van de reis, maar we waren zo moe. Zo moe. In de nacht was het donker, maar we hoorden steeds mensen praten en waren dus altijd alert. Voordat we aan boord gingen, zag ik een Canadese vlag op het schip, dus ik was ervan overtuigd dat ik in Canada terecht zou komen.” Het werd Nederland. 

Na twee weken aan boord, waar hij zich verschuilde in de machinekamer en leefde op noten en water, kwam hij aan wal. Vrijwel direct begrijpt hij dat hij niet in Canada is: “Ik had ooit gehoord dat ze daar Frans spreken, maar hier hoorde ik geen Frans. We werden naar de marechaussee gebracht en een van de agenten vertelde me: “Je bent in Nederland.” 

“Ik wist van koningin Beatrix, van Kluivert, Overmars: van voetbal wist ik een beetje”, zegt Steven lachend. “Ik had ook wel eens gehoord dat marihuana legaal was, maar wat maakte het uit: Canada of Nederland? Als ik maar veilig was.”

Steven wordt lang ondervraagd door de marechaussee. Lichamelijk onderzoek moet uitwijzen of hij minderjarig is. Als dat inderdaad de uitkomst van het onderzoek is, hoort hij dat hij mag blijven. Hij gaat naar een azc in Limburg. Steven: “Ik was blij en hoopte op een toekomst hier. Werken, een leven opbouwen, een gezin stichten.”

Het loopt anders. Wanneer ik Steven vraag naar die eerste weken in Nederland, probeert hij uit te leggen hoe hij zich voelde: “Je wordt in een systeem gedrukt. Je kan er niet uit. Alles moet volgens het systeem. De eerste stap: oké. Dan de tweede stap: die is ook oké. En zo ga je door. Je vraagt een verblijfsvergunning aan en ik mocht naar school in Maastricht. Maar nadat ik 18 was geworden, moest ik zelf een kamer zoeken. En ik mocht niet veder leren omdat ik geen verblijfsvergunning had.”

Het is inmiddels vier jaar geleden dat Steven in Nederland aankwam. Op een dag krijgt hij te horen dat hij zich moet melden op het politiebureau. Steven krijgt te horen dat ze hem terug willen sturen naar Sierra Leone. Hij wordt vastgehouden in een detentiecentrum, zes maanden lang. Maar zijn geboorteland werkt niet mee aan terugnameverzoeken. Als hij uiteindelijk terugkomt op zijn kamer, zijn alle spullen verdwenen en woont er iemand anders.

Vanaf dat moment begint zijn zwervende bestaan. Wanneer Steven vertelt hoe dat leven eruit zag, toont hij nauwelijks emotie: “Ik sliep meestal onder een brug, maar ik was vaak bang dat de politie me zou vinden, me zou aanhouden. Als ik dacht dat het te gevaarlijk was, ging ik naar het bos om daar te slapen. Ik bedelde om geld en kon daar eten van kopen.”

Toch lijkt het tij te keren als Steven een meisje ontmoet en een relatie met haar krijgt. Omdat hij dakloos is, probeert het meisje te regelen dat Steven bij haar thuis kan wonen, maar haar vader wil daar niets van weten: “Uiteindelijk wilde haar vader me wel zien, toen hij begreep hoe belangrijk het voor haar was. Ik heb met hem gepraat, de situatie uitgelegd en ik mocht blijven.” Steven bleef negen maanden bij de familie van zijn vriendin Jane. Hij glimlacht als hij over haar vertelt: “Voor mij was ze een vice-God. Geen vice-president of vice-premier, maar een vice-God. Ze deed alles voor me.”

Uit zijn verhaal is op te maken dat de negen maanden bij Jane Stevens laatste onbezorgde tijd was in Nederland. Daarna gaat het bergafwaarts. Maar zijn verhaal wordt ook onduidelijker. Jaartallen, de chronologie: hij probeert af en toe in zijn geheugen te graven.  

Ik begrijp dat hij ziek werd, tuberculose krijgt. Een opname volgt en als hij daarna thuiskomt, ontdekt hij al snel dat zijn vriendin verliefd is op een ander. Zijn wereld stort in. Het is nog steeds een open wond: “Jane is nu nog altjd met die man waar ze verliefd op werd. Ze heeft nu vier kinderen. Ja, daarover heb ik veel pijn. Heel veel pijn.”

Verstopt in een vrachtwagen, probeert Steven naar Italië te gaan. Hij zwerft ook daar, bedelt en slaapt op straat. Na een paar maanden wordt hij echter aangehouden met marihuana op zak. Hij zit een nacht in de cel en wordt teruggezet op de trein naar Nederland. Daar blijkt hij een verblijfsvergunning te kunnen krijgen, op medische gronden. De eerste opluchting maakt alleen snel weer plaats voor wanhoop, als blijkt dat de vergunning tijdelijk is. Hij mag niet werken, heeft geen huis en slaapt weer op straat: alles lijkt van voren af aan te beginnen. 

Steven moet verlenging aanvragen van zijn vergunning, maar is er te laat mee. 
Na een lange juridische strijd met het IND, volgt binnenkort de definitieve uitspraak van de rechter of Steven mag blijven. Na meer dan twintig jaar in Nederland gewoond te hebben, is zijn toekomst nog onzeker. Steven: “Regels zijn regels, daar verander ik niets aan en dat hoort bij een democratie. Ik moet de regels accepteren.”