Interview

Onderwijsraad Raadsadviseur Frans Hoogendijk over internationale studenten in het hogeronderwijs

“Financieel leveren ze heel wat op, maar alleen onder de voorwaarden dat ze blijven”

Foto van Universiteit Leiden, campus Den Haag
Foto: Douwe Volk

Nederlandse onderwijsinstellingen kampen met een te hoge studentenstroom en een oplopende werkdruk. Terwijl het kabinet-Schoof de toestroom van internationale studenten wil indammen om de druk op de woningmarkt en het onderwijs te verlichten, waarschuwt de Onderwijsraad voor de financiële gevolgen daarvan. Volgens raadsadviseur Frans Hoogendijk zijn juist de studenten van buiten Europa cruciaal voor de schatkist, mits zij na hun studie ook daadwerkelijk in Nederland aan het werk gaan. “De veronderstelling is dat  wij als Nederland betalen voor al die internationale studenten, maar juist de niet-EER-studenten brengen veel geld naar het onderwijs, en dan ga je specifiek voor die groep de toegankelijkheid beperken.” vertelt Frans Hoogendijk, raadsadviseur bij de onderwijsraad.

Internationale studenten geldpot
De Europese economische ruimte (EER) omvat alle Europese lidstaten, Liechtenstein, Noorwegen en IJsland. Studenten die uit de EER-landen komen, hebben volgens Europese wetgeving dezelfde rechten als de studenten vanuit het land waar zij studeren. Daardoor hebben zij recht op dezelfde studiefinancering en ook op dezelfde verlaagde prijzen voor opleidingen. Dit terwijl internationale studenten die van buiten de EER-zone komen, de volledige prijs betalen voor het volgen van een studie, wat volgens study.eu kan oplopen tot 25.000 euro per jaar.

Hoogendijk benoemt ook juist het belang van internationale studenten. “Financieel leveren ze heel wat op, maar alleen onder de voorwaarde dat ze blijven.” Hoogendijk benadrukt dat de ‘stay rate’ (het percentage studenten dat na de studie in Nederland blijft wonen en werken) van belang is, omdat studenten dan gaan werken en meer toevoegen aan de maatschappij. “De Nederlandse overheid legt hierbij de nadruk op studenten die technische studies volgen, voor de opleidingen die de Nederlandse maatschappij nodig heeft wil de overheid ook geen numerus fixus of andere beperkende maatregelen.“ Maar volgens Hoogendijk zijn er ook alternatieve manieren om mensen te stimuleren richting bepaalde opleidingen. “Je zou het collegegeld wat hoger of juist lager kunnen maken bij bepaalde studies om mensen een bepaalde richting op te stimuleren.”

Volgens universiteitenkoepel Universiteiten van Nederland waren er in het studiejaar 2023/24 zo een 89.716 internationale studenten ingeschreven bij universiteiten, hiervan komt 28% uit niet-EER landen. Hoogendijk geeft aan dat de toestroom van studenten erg hoog is en druk legt op het onderwijs. Hij benadrukt ook dat het verminderen van het aantal internationale studenten niet per se de druk op het onderwijs oplost. Volgens Hoogendijk is het ook van belang om juist een balans op te zoeken in de internationalisering van het onderwijs. “Stevig verankerd in de Nederlandse maatschappij met een brede internationale oriëntatie.”

Kabinet wil een noodfixus
Het aantal internationale studenten blijft toenemen, volgens het CBS waren er in het studiejaar 2021/22 in totaal 115 duizend internationale studenten ingeschreven in Nederland, 5 jaar daarvoor, in het jaar 2016/17 was dat nog 68 duizend. Hoogendijk constateert dat de verhouding tussen het aantal studenten per docent de afgelopen jaren enorm is gestegen. “De capaciteit van het onderwijsgebouw, de collegezaal, dat wordt ook overbelast. Je bouwt niet zo snel een collegezaal erbij.”

Nederlandse universiteiten zijn jarenlang bezig geweest om (internationale) onderzoekers naar hun universiteiten te trekken. Deze onderzoekers zijn de beste docenten in hun vakgebied door hun kennis, volgens Hoogendijk. Door de nieuwe wet zal het aantal Engelstalige studies afnemen, waardoor internationale docenten moeten kiezen of ze Nederlands leren, of vertrekken om in een ander land werk te zoeken. Hoogendijk geeft aan dat veel internationale docenten hierdoor uit Nederland zullen vertrekken. “Aan de andere kant heb je docenten die een master over de Nederlandse taal in het Engels moeten geven die er juist blij mee zullen zijn.”

Als onderdeel van het verminderen van de druk op het onderwijs, heeft minister Dijkgraaf van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de wet internationalisering in balans voorgesteld. Op het deel van onderwijs geeft deze wet onderwijsinstellingen de kans om een noodfixus in te stellen, hierbij kunnen zij het aantal studenten op bepaalde opleidingen of trajecten verminderen, zonder Nederlandse studenten tegen te houden. De wet legt een focus op het verminderen van internationale studenten vanuit buiten Europa.

Noodfixus is een pleister, geen oplossing
Universiteitenkoepel UNL (Universiteiten van Nederland) laat in publieke reacties weten dat zij meer geld willen van de overheid, om de druk te verminderen. Toch geven zij aan al tevreden te zijn met de voorgestelde noodfixus als een tijdelijke oplossing. Onder de voorgestelde nieuwe wet worden opleidingen ingedeeld in trajecten, hierbij kunnen instellingen op specifieke trajecten een noodfixus instellen. Door de instelling van trajecten kunnen zij de noodfixus alleen op Engelstalige programma’s instellen. Dit zou er in theorie voor moeten zorgen, dat het niet de capaciteit voor Nederlandse opleidingen beperkt. Wel zou dit de keuze voor Nederlandse studenten om anderstalig onderwijs te volgen kunnen beperken.

De onderwijsinstellingen kunnen het aantal studenten verminderen met een noodfixus, maar kunnen het aantal internationale studenten niet direct beperken. “Het is natuurlijk wel bedoeld voor de acute nood, de toestroom, van heel veel studenten naar een bepaalde opleiding. Maar het is geen structurele oplossing. Het is echt gefocust op bepaalde trajecten voornamelijk op korte termijn trajecten.” Voor de lange termijn benoemt Hoogendijk het belang om naar het onderwijs in het geheel te kijken. “In hoeverre is het belangrijk om in de onderzoekstop mee te doen, moet het onderwijs geld verdienen of juist mensen opleiden, waar leggen we de focus op.”

Andere landen doen het beter
In andere landen liggen de cijfers anders, bijvoorbeeld een land met een vergelijkbaar onderwijssysteem als Nederland, namelijk België. In Nederland is 29% van de bachelors in het Engels, en 76% van de masters. Terwijl in België 9% van de bachelors in het Engels is en 35% van de masters, dat blijkt uit cijfers van EenVandaag. Dit is terwijl het blijfpercentage, het percentage studenten dat na zijn of haar studie in het desbetreffende land blijft, van internationale studenten in België hoger ligt dan in Nederland.

“Het is in algemene zin wel lastig om verschillende systemen met elkaar te vergelijken. Maar Nederland en België lijken wel op elkaar, het is dezelfde accreditatiesystematiek. Zo wordt in de accreditatie, dus het externe toezicht op het onderwijs, op dezelfde manier gekeken naar het onderwijs. Bij zo een vergelijkbaar systeem kan je de vraag stellen waarom het in België dan wel lukt om wel veel internationale studenten te binden”, zo zegt het raadslid van de onderwijsraad. Om de toestroom van internationale studenten op te lossen, en de druk op het systeem te verminderen, geeft Hoogendijk aan dat het belangrijk is om naar het onderwijs in het geheel te kijken. “Waar willen we heen? Het onderwijs kost veel geld, maar je hebt het wel nodig. Of willen we juist naar het onderwijs kijken als een verdienproduct?”