Hebben moslims negatievere gedachten over minderheden dan andere groepen? En worden die negatieve denkbeelden die moslims hebben over minderheden, overgenomen door niet-moslims op school? Als het aan socioloog en migratieonderzoeker Ruud Koopmans ligt is dat het geval. Dat liet hij weten in een artikel van De Telegraaf op 29 september over de afname van het aantal Nederlanders dat het afkeurt dat een man zijn vrouw slaat. Koopmans stelt dat er “behoorlijke hoeveelheid onderzoek” is over negatieve denkbeelden onder jonge moslims in schoolklassen in diverse Europese landen. “Daarbij zie je het contexteffect: in die schoolklassen nemen ook niet-moslimkinderen die negatieve denkbeelden over.” Klopt deze uitspraak wel?
Om de uitspraak goed te kunnen beoordelen moeten we de uitspraak in twee delen opsplitsen. Ten eerste: hebben moslimjongeren gemiddeld negatievere denkbeelden over minderheden(vrouwenemancipatie, homoseksualiteit en joden) dan andere groepen? En ten tweede: nemen niet-moslimjongeren die negatieve denkbeelden over in de schoolklas?
Negatieve denkbeelden onder moslimjongeren
Ruud Koopmans spreekt over een “behoorlijke hoeveelheid onderzoek” die erop wijst dat jonge moslim in schoolklassen negatieve denkbeelden hebben over minderheden. Uit onderzoek van het Trimbos Instituut(2025) naar de gezondheid en welzijn van jongeren tussen 2021 en 2025, blijkt dat 31% van de jongeren met een migratieachtergrond een positieve houding heeft ten aanzien van homoseksualiteit tegenover 40% van jongeren zonder een migratieachtergrond.

Daarnaast blijkt uit de internationale CILS4EU-panelstudie uit 2022(Wuestenenk, Van Tubergen & Stark), die is afgenomen onder 18.058 scholieren in West Europa(waarvan 2.046 scholieren uit 198 klassen in Nederland), over de houding naar homoseksualiteit gemeten van 0(nooit oké)tot 3(altijd oké), dat 14-jarige autochtone Nederlanders de score 2.2 geven, niet-islamitische minderheidsjongeren geven de score 2 en islamitische minderheidsjongeren geven de score een stuk lager: 0.8.
Het eerste deel van de uitspraak van Koopmans is ook te herleiden naar zijn eigen onderzoek uit 2014 waarbij hij onderzoek deed naar vijandigheid tegenover andere groepen, onder meer dan 4800 moslims en autochtone christenen uit zes West-Europese landen, waaronder Nederland. Daaruit blijkt dat 57% van de moslims aangeeft geen homoseksuele vrienden te willen. Bij autochtone christenen is dat 11%. Daarnaast wordt er vermeld dat 45% van de moslims stelt dat joden niet te vertrouwen zijn, tegenover 9% van de christenen.
Onderzoekers van de UvA(2026) melden ook dat moslims het minder belangrijk vinden dat een vrouw naar de universiteit gaat of dat een moeder die werkt ten koste gaat van de kinderen, dan niet-religieuze mensen. Uit bovenstaande cijfers blijkt dus dat moslimjongeren iets negatievere/afwijzende denkbeelden hebben over minderheden vergeleken met andere groepen.
Invloed van moslimjongeren op niet-moslimjongeren
Er moet ook gekeken worden of er wel sprake is van het contexteffect die Koopmans benoemt in het tweede deel van zijn uitspraak. Daarbij speelt het eerder genoemde onderzoek van CILS4EU een grote rol.
Bij het onderzoek werd er niet gekeken naar een specifiek meetmoment maar er werd gekeken of er, over een periode van twee jaar(scholieren van 14 t/m 16 jaar), sprake was van verandering in opvattingen van leerlingen door de samenstelling van de klas. Daaruit blijkt dat op één specifiek meetmoment er wél een verband is. Klassen met meer leerlingen uit conservatievere herkomstlanden scoren behoudender op opvattingen over minderheden.
Over de periode van twee jaar wordt uiteindelijk duidelijk dat de religieuze samenstelling van een klas geen causaal effect heeft op de verandering van de denkwijze van leerlingen. Niet-moslims denken over de tijd niet negatiever over minderheden door de aanwezigheid van moslimleerlingen. Uit het onderzoek blijkt zelfs dat over de periode van twee jaar alle groepen juist progressiever worden(33,8% voor Nederlandse moslimjongeren en 30,7% voor autochtone Nederlanders).Invloeden uit het gezin en de buurt waarin scholieren leven zijn veel sterker dan invloeden uit de klas, zo blijkt uit het onderzoek.
Ruud Koopmans is benaderd met de vraag op welke onderzoeken zijn uitspraak is gebaseerd, aangezien dit niet uit de uitspraak blijkt. Voor publicatie is hierop geen reactie ontvangen. Hierdoor is het lastig om iets te kunnen zeggen of er een “behoorlijke hoeveelheid onderzoek” is.
Eindoordeel
De beschikbare bronnen wijzen erop dat moslimjongeren negatievere opvattingen hebben over minderheden, zo blijkt uit verschillende onderzoeken van onder andere het Trimbos Instituut en de UvA. Maar uit onderzoek van CILS4EU blijkt dat niet-moslims over de tijd niet negatiever denken over minderheden door de aanwezigheid van moslims in de klas. Alle groepen worden juist progressiever naarmate de tijd vordert. Hoewel het eerste punt van Koopmans klopt(moslimjongeren hebben negatievere opvattingen over minderheden), is de kern van zijn bewering, dat niet-moslims deze opvattingen overnemen via school, wetenschappelijk tegengesproken en onbewezen. Er is dus geen sprake van een contexteffect. De claim is daarom deels onwaar.