
De prijs van zichtbaar zijn
Vrouwelijke journalisten krijgen vaker te maken met online haat, intimidatie en bedreigingen dan hun mannelijke collega’s. Die aanvallen gaan vaak niet over hun werk, maar over wie ze zijn. Waarom gebeurt dat, en wat betekent dat voor de vrijheid om als vrouw zichtbaar te zijn in de media?
Ze slaat haar laptop weer open en merkt meteen op: de inbox loopt vol. Onder een artikel verschijnen al volop reacties die niet meer over het onderwerp zelf gaan. Het gaat over haar gezicht, haar stem, haar leeftijd of haar kleding. Soms blijft het bij kleinerende opmerkingen, soms wordt de toon dreigender. Het verbaast haar niets. Dit is al de derde keer deze week dat ze dreigende berichten ontvangt. Voor veel vrouwelijke journalisten is dit geen incident meer, maar een terugkerend onderdeel van hun werk. Uit onderzoek van PersVeilig blijkt dat ruim acht op de tien vrouwelijke journalisten het afgelopen jaar met agressie, bedreiging of intimidatie te maken kregen. Bijna een derde ervaart dit zelfs maandelijks of nog vaker.
De meest voorkomende vorm is online verbale agressie. Vrouwen melden vooral kleineren, discriminerende opmerkingen en het verspreiden van valse informatie. Deze opmerkingen gaan bijvoorbeeld over hoe je eruitziet of wie je bent en kunnen heel persoonlijk overkomen en aanvoelen. Onderzoekers beschrijven online platforms daarom soms als een soort “megafoon”. Een enkele negatieve reactie kan snel worden gedeeld of worden herhaald, waardoor een discussie snel kan escaleren.

Hoe de haat eruitziet
Het I&O-onderzoeksrapport laat zien welke vormen van online agressie het meest voorkomen. Kleineren is verreweg de meest voorkomende vorm. Van de vrouwelijke journalisten die online agressie ervaren, krijgt 34 procent hier maandelijks of vaker mee te maken en nog eens 49 procent minder dan maandelijks. Slechts 17 procent heeft hier nooit mee te maken gehad. Daarmee heeft in totaal 83 procent ervaring met kleinerende opmerkingen.
Ook discriminerende opmerkingen (62 procent) en het verspreiden van valse informatie (61 procent) komen veel voor. Ernstigere vormen van online agressie komen minder vaak voor. Zo heeft 13 procent ooit een doodsbedreiging ontvangen en kreeg 12 procent te maken met doxing, waarbij persoonlijke gegevens openbaar worden gemaakt. Bij chantage gaat het om 11 procent.
De cijfers laten zien dat vrouwelijke journalisten vooral worden geconfronteerd met veelvoorkomende vormen van online intimidatie. Juist omdat deze vormen zo vaak voorkomen, hebben ze mogelijk meer invloed op het dagelijks werk dan de zeldzamere, maar extremere incidenten.
Een gesprek met Devika Partiman van de stichting Stem op een Vrouw en een van Nederlands bekendste feministen maakt duidelijk hoe verschillend de aanvallen zijn. Zij merkt dat vrouwen online niet alleen vaker, maar ook anders worden aangevallen dan mannen. ‘Bij vrouwen gaat het veel sneller over uiterlijk, seksuele toespelingen en wie ze zijn. Bij mannen gaat het vaker over wat ze zeggen of waar ze voor staan,’ vertelt ze. Ze ziet ook dat het gezin van vrouwelijke journalisten erbij wordt gesleept en dat haat soms overgaat in bedreigingen richting partner of kinderen. Volgens haar hebben deze aanvallen vaak te maken met zichtbaarheid: je zou denken dat hoe gewoner het wordt om vrouwen op belangrijke posities te zien, hoe meer acceptatie er komt, maar zij ziet het omgekeerde. ‘We zitten in een soort backlash,’ zegt ze. ‘Er zijn groepen die vinden dat vrouwen minder zichtbaar moeten zijn en zich minder moeten uitspreken.’
Verder dan alleen Nederland
De druk op de pers is geen puur Nederlands probleem. In België en andere landen slaan vakorganisaties alarm omdat vrouwen vaker het doelwit zijn. In de Verenigde Staten leidde het “fake news” geroep van president Donald Trump tot een klimaat waarin vijandigheid richting de pers normaler werd. Voor vrouwen, die vaker persoonlijk worden aangevallen, kan zo’n klimaat extra hard aankomen.
De aandacht voor dit probleem groeit gelukkig wel. De Europese Commissie riep lidstaten op om de veiligheid van journalisten en mediaprofessionals te verbeteren. Op Internationale Vrouwendag stond Free Press Unlimited (FPU) stil bij vrouwelijke journalisten die koste wat kost hun werk doen om de waarheid naar buiten te brengen. De organisatie verwijst naar een UNESCO onderzoek waaruit blijkt dat in 2025 drie op de vier vrouwen in de journalistiek online geweld hebben ervaren. Naast misogynistische beledigingen (uitingen die voortkomen uit vrouwenhaat) en gecoördineerde intimidatiecampagnes meldde 42 % van de respondenten dat offline aanvallen voortkwamen uit online haat.
Een voorbeeld van de kracht van vrouwelijke journalisten, komt uit het Somaliland. Journalist Fatima Mohamed maakte daar een videoreportage over gendergerelateerd geweld in vluchtelingenkampen. Door het verhaal zorgvuldig te benaderen en vertrouwen op te bouwen met lokale organisaties, creëerde zij ruimte voor overlevenden om hun ervaringen en verhaal te delen.
Free Press Unlimited biedt via het Reporters Respond Fund noodhulp aan journalisten die worden aangevallen. Die steun kan bestaan uit juridische bijstand, veiligheidsadvies en psychosociale hulp. De organisatie werkt ook aan structurele veranderingen. In Afghanistan krijgen vrouwelijke journalisten na de machtsovername door de Taliban nauwelijks nog de kans om hun beroep uit te oefenen. In Kenia werkte Free Press Unlimited met de Association of Media Women in Kenya om seksuele intimidatie in redacties aan te pakken; er werden vertrouwelijke meldkanalen opgezet en 175 journalisten kregen training in preventie en meldingsmechanismen. Zulke initiatieven laten zien dat bescherming verder gaat dan reageren op bedreigingen.
Gevolgen voor werk en welzijn
Online haat is niet alleen vervelend het beïnvloedt hoe vrouwen hun werk doen en hoe zij zich voelen. De helft van de ondervraagden van het I&O onderzoeksrapport past haar gedrag aan en wordt voorzichtiger. Een deel krijgt te maken met stress of angst en sommige vrouwen kunnen tijdelijk niet werken. Het College voor de Rechten van de Mens waarschuwt dat dit gevolgen kan hebben voor de vrijheid van meningsuiting. Wanneer journalisten regelmatig worden aangevallen of bedreigd, kan dat ervoor zorgen dat zij voorzichtiger worden in hun werk. In sommige gevallen kan dat zelfs leiden tot zelfcensuur.
Mascha de Jong, verslaggever bij De Telegraaf, vertelde dat zij zelfs bewust geen make‑up draagt tijdens haar werk omdat ze wil voorkomen dat opmerkingen over haar uiterlijk de aandacht van haar verhalen afleiden. Het lijkt een klein detail, maar het laat zien hoe intimidatie doordringt tot in keuzes die vrouwen dagelijks maken.
Niet iedereen praat openlijk over wat ze meemaken. Ongeveer de helft bespreekt incidenten met collega’s. Een derde legt het voor aan de werkgever of opdrachtgever. Freelancers weten niet altijd bij wie ze terecht kunnen. Slechts een klein deel meldt incidenten bij instanties als PersVeilig of doet aangifte. Dat komt deels doordat vrouwen de aanval vaak als ‘niet erg genoeg’ ervaren, niet weten waar ze terecht kunnen of bang zijn dat melden niets oplevert. Isabella Prins van PersVeilig ziet dat er opvallend weinig meldingen van vrouwen binnenkomen. Het aantal vrouwelijke melders daalt, dus bezoekt zij redacties om met vrouwen te praten over hun ervaringen en om te achterhalen waarom zij minder melden dan mannen. Het doel is de drempel te verlagen zodat vrouwen eerder hulp zoeken en incidenten te kunnen registreren.
Maatschappelijke context
Cijfers van het CBS laten zien dat het vertrouwen in de Nederlandse pers de afgelopen jaren niet alleen is gedaald. In 2012 had 30,9 procent van de Nederlanders vertrouwen in de pers. Dat percentage steeg naar een piek van 45,9 procent in 2021, een toename van 15 procentpunt. Daarna daalde het vertrouwen weer naar 37,9 procent in 2024. Ondanks die daling ligt het vertrouwen nog steeds hoger dan in de periode 2012 tot en met 2017, toen het steeds rond de 31 procent lag.
Deze cijfers laten zien dat het beeld van een samenleving die massaal het vertrouwen in de journalistiek verliest niet helemaal klopt. Tegelijkertijd kan een relatief kleine groep mensen online wel veel invloed hebben. Ook wanneer een meerderheid vertrouwen heeft in de pers, kunnen journalisten nog steeds te maken krijgen met een grote hoeveelheid haatreacties op sociale media.
Devika Partiman wijst erop dat bredere maatschappelijke ontwikkelingen meespelen. In het interview legt ze uit dat er een groeiende kloof is tussen jonge mannen en jonge vrouwen. Jongere vrouwen worden vaak progressiever, terwijl sommige jonge mannen juist conservatiever worden. Mede door de invloed van figuren als Andrew Tate. Die botsing kan invloed hebben op hoe zij kijken naar vrouwen en al helemaal vrouwen die zichtbaar zijn, zich uitspreken of macht ‘’opeisen’’. Daarbij komt ook kijken dat veel mensen onzeker zijn over wonen, werk en geld. In zulke periodes grijpen samenlevingen sneller terug naar traditionele rolpatronen, waarin mannen de kostwinnaar zijn en vrouwen zich aanpassen. Voor vrouwen die juist zichtbaar en onafhankelijk zijn, kan dat voor extra weerstand oproepen. Daarom gaat het probleem niet alleen over internet, maar ook over macht, representatie en de vraag wie er ruimte krijgt in het publieke debat. Als vrouwen zich minder veilig voelen om zichtbaar te zijn, heeft dat direct invloed op de journalistiek en uiteindelijk op de persvrijheid of samenleving zelf.
Steun en verandering
Er is ook goed nieuws: de aandacht voor dit onderwerp groeit. PersVeilig en de NVJ zoeken naar oorzaken van de lage meldingsbereidheid en pleiten voor laagdrempelige ondersteuning. Devika Partiman benadrukt dat verandering begint bij erkenning. Blijf benoemen wat er gebeurt, deel de feiten en laat slachtoffers niet alleen staan.
Dataverantwoording
De cijfers in dit verhaal zijn afkomstig uit officiële en betrouwbare bronnen. Het I&O onderzoeksrapport Vrouwelijke journalisten en veiligheid (2022) is een online enquête onder 292 vrouwelijke NVJ leden. Dit rapport heb ik ontvangen via Isabella Prins van PersVeilig. De onderzoekers geven aan dat de steekproef relatief klein is (ongeveer 10% van de vrouwelijke leden), een foutmarge van 5,4 procent heeft en mogelijk selectief is. Het PersVeilig meldingenoverzicht 2025 noteerde 262 meldingen van agressie en bedreiging, waarvan 39 van vrouwen. Omdat melden vrijwillig is en waarschijnlijk veel journalisten geen melding maken, ligt het werkelijke aantal waarschijnlijk hoger.
Daarnaast heb ik cijfers gebruikt van UNESCO en Free Press Unlimited, die laten zien dat wereldwijd ongeveer driekwart van de vrouwelijke journalisten online geweld ervaart. De CBS cijfers zijn gebaseerd op een jaarlijkse steekproef onder circa 7.500 Nederlanders. Hiervan heb ik alleen de trend in vertrouwen in de pers gebruikt als context. Voor de analyse heb ik percentages uit het I&O-onderzoek met elkaar vergeleken. Daaruit blijkt dat vooral kleineren (83 procent), discriminerende opmerkingen (62 procent) en het verspreiden van valse informatie (61 procent) veel voorkomen. Ernstige vormen zoals doxing (12 procent), chantage (11 procent) en doodsbedreigingen (16 procent) komen aanzienlijk minder vaak voor.
Daarnaast heb ik de cijfers van PersVeilig naast de onderzoeksresultaten gelegd. In 2025 ontving PersVeilig 262 meldingen van agressie en bedreiging, waarvan 39 afkomstig waren van vrouwen. Dat betekent dat vrouwen ongeveer 15 procent van alle melders vormden. Tegelijkertijd blijkt uit het I&O-onderzoek dat meer dan acht op de tien vrouwelijke journalisten agressie, bedreiging of intimidatie meemaken. De vergelijking suggereert dat een groot deel van de incidenten nooit officieel wordt gemeld.