Aleid Truijens over het leesonderwijs: “Iedereen wil het beter doen, maar niemand durft iets te veranderen”

Wat begon als ergernis op het schoolplein van haar kinderen, groeide uit tot bijna twintig jaar onderwijsjournalistiek. Aleid Truijens zag in de klas wat nauwelijks doordrong tot Den Haag: de ontlezing van Nederlandse kinderen. In haar columns schrijft ze sindsdien wat er nodig is om het tij te keren. Nu haar kleinkinderen naar school gaan, vraagt ze zich af: waarom lukt dat nog altijd niet?

We spreken Aleid Truijens (1955) in een café aan de Utrechtsestraat in Amsterdam, haar stad. Op het wankele tafeltje voor haar staat een langzaam kouder wordende cappuccino, terwijl Truijens gepassioneerd vertelt over haar carrière. De journalist studeerde Nederlands, schreef biografieën over Hella S. Haasse en F.B. Hotz, en is al bijna dertig jaar een vaste stem in de Volkskrant met haar literaire recensies en wekelijkse onderwijscolumns. Eigenlijk zou ze al met pensioen kunnen, maar zolang het onderwijs blijft wringen, is ze nog niet bereid om haar scherpe pen neer te leggen.

Met die scherpe pen schrijft Truijens onder andere over een probleem dat volgens haar te lang is onderschat: de ontlezing onder Nederlandse kinderen en jongeren. Ze volgt de ontwikkelingen al jaren en ziet dat het leesplezier op veel scholen snel afneemt zodra kinderen zelf moeten gaan lezen. “Nederlandse kinderen behoren tot de grootste leeshaters ter wereld,” zegt ze. “Dat komt niet uit dat kind zelf, dat zit in onze aanpak.” Volgens Truijens heeft het onderwijs lezen te veel gereduceerd tot een verplichting, een vak om te toetsen in plaats van een wereld om in te verdwijnen.

En die gevolgen gaan verder dan een hekel aan taal. “Kinderen lezen steeds slechter,” zegt Truijens. “Als je iets niet goed kunt, ga je het niet uit jezelf doen. Dan krijg je er een hekel aan en dan word je er nóg slechter in.” En wie slecht leest, loopt vrijwel overal vast. Als je een tekst in een toets niet goed begrijpt, kun je het antwoord niet eens bereiken. “Zelfs rekenen is voor een deel lezen,” zegt Truijens. “Als je niet weet wat het woord vermenigvuldigen betekent dan kom je niet erg ver.” Met een kleine woordenschat wordt elk vak moeilijker. En dat blijft kinderen achtervolgen: in het voortgezet onderwijs, maar ook later bij het vinden van een opleiding of baan.

“Begrijpend lezen heeft lezen kapotgemaakt”

Volgens Truijens begint het probleem in de klas bij de manier waarop kinderen leren lezen. Ze moeten al snel aan de slag met losse oefeningen, werkbladen en toetsen, terwijl juist verhalen en plezier zouden moeten domineren. “Het vak begrijpend lezen heeft lezen kapotgemaakt,” zegt ze. “Kinderen leren trucjes om vragen te beantwoorden, maar ze begrijpen de tekst niet echt.” Leraren krijgen, of nemen, volgens haar te weinig tijd om voor te lezen of gesprekken over boeken te voeren, omdat ze zich moeten houden aan methodes en opbrengstdoelen. “Lezen is iets levends, geen meetbaar vak. Toch hebben we die levendigheid er bijna uitgeperst.”

Masterplan

De PISA-resultaten van 2018 en 2022 – het internationale onderzoek dat elke drie jaar de vaardigheden van jongeren test op het gebied van lezen, wiskunde en natuurwetenschappen – zorgden voor oproer in Den Haag. Politici kregen plots voorgeschoteld hoe zorgwekkend het gesteld is met de leesvaardigheid van Nederlandse jongeren. Bij de laatste meting had maar liefst een derde van de vijftienjarigen zo’n zwakke leesvaardigheid dat ze moeite zouden hebben om goed mee te komen in de maatschappij. PISA liet zien dat Nederland sneller achteruitging dan de meeste andere landen. Om die trend te keren presenteerde het toenmalige kabinet in 2022 het Masterplan Basisvaardigheden. Dat plan moest scholen helpen om het taal- en rekenonderwijs te versterken, onder meer via subsidies voor nieuwe leermaterialen en nascholing van leraren. In 2024 had ruim 60 procent van de basisscholen een bijdrage ontvangen, en het ministerie verwacht dat dit jaar vrijwel alle leerlingen, 95 procent, worden bereikt.

Toch is Truijens sceptisch over de manier waarop Den Haag reageert. “Pas als de cijfers dramatisch zijn, wordt er ingegrepen,” zegt ze. Volgens haar stapelen ministers de ene onderwijsvernieuwing op de andere, zonder structurele verandering te brengen en te kijken of het goed werkt. “Er is steeds een nieuw plan, een nieuwe subsidie, maar geen rust of continuïteit.” Wat scholen volgens haar vooral nodig hebben, is tijd, kennis en vertrouwen om goed leesonderwijs te geven – niet nog een beleidsronde die over een paar jaar weer wordt vervangen.

Beloftes vanuit de politiek

De verkiezingen zijn net achter de rug en de kans is reëel dat een kabinet met één of meerdere van de partijen GroenLinks-PvdA, D66, VVD en CDA de komende jaren het onderwijsbeleid bepaalt. In hun programma’s zegt vrijwel elke partij dat het beter moet met taal en rekenen, maar volgens Aleid Truijens zijn het plichtmatige papieren beloftes. “De VVD ziet onderwijs vooral als middel om de economie draaiende te houden,” zegt ze. “D66 en GroenLinks-PvdA hebben mooie plannen voor gelijke kansen, kleinere klassen en goed opgeleide leraren, maar toch ontbreekt het nog aan echte daadkracht.” Ook het CDA blijft volgens haar te voorzichtig: “Ze willen terug naar ‘de basis’, maar zeggen niet hóe. Iedereen wil het beter doen, niemand durft iets echt te veranderen.”

Goede leraren en goede boeken

Maar wat moet er dan wél gebeuren volgens haar? Truijens benadrukt dat structurele verbetering begint bij de mensen voor de klas. “Alles valt of staat met goede leraren,” zegt ze. “Die moeten weten wat ze doen, en ook weten wat het effect daarvan is.” Volgens Truijens begint die professionaliteit al op de pabo, waar de lat volgens haar te laag ligt. “Aanstaande leraren leren daar te weinig over taal en literatuur,” zegt ze. “Veel van hen hebben zelf nooit geleerd om van lezen een gewoonte te maken en dan ga je nooit echt van lezen houden. Hoe kun je kinderen dan enthousiast maken voor boeken?” De opleiding zou volgens haar meer moeten draaien om kennis, cultuur en taalgevoel, in plaats van om didactische modellen en reflectieverslagen. “Een leraar Nederlands moet zelf ook echt van taal houden. Dat kan je niet faken.”

Daarnaast heeft het volgens haar weinig zin om telkens nieuwe projecten of methodes te lanceren als de basis niet op orde is. Leraren moeten de ruimte krijgen om te doen wat werkt: veel lezen met kinderen, goede boeken gebruiken en erover praten. “Goede leraren, goede boeken en tijd om te lezen,” vat ze samen. “Dat is wat werkt. Niet weer een nieuwe methode, of een eenmalige subsidie.”

Bureaucratie van schoolbesturen

Wat die aanpak nu in de weg zit, zijn volgens haar de machtige schoolbesturen die op afstand van de klas opereren. “Er is te veel bureaucratie,” zegt ze. “Bestuurders worden nauwelijks aangesproken op slechte resultaten, terwijl leraren de gevolgen dragen.” Truijens vindt dat de overheid weer meer zeggenschap moet krijgen over wat er op scholen gebeurt. “Er is nu niemand echt verantwoordelijk. Dat is funest voor de kwaliteit.”

Toch blijft Truijens optimistisch over de kracht van goed onderwijs. Ze ziet het niet somber in voor de kinderen zelf. “Het kind is nooit het probleem,” zegt ze beslist. “Kinderen willen van nature leren, lezen en weten. Het zijn de volwassenen die het ingewikkeld maken.” Daarom blijft ze schrijven, want zolang scholen overspoeld worden door beleidstaal en vernieuwingen, wil zij herinneren aan iets eenvoudigs: dat een kind vooral een goed boek, een betrokken leraar en de tijd om te lezen nodig heeft.