Aleid Truijens over het leesonderwijs: “Iedereen wil het beter doen, maar niemand durft iets te veranderen”

Wat begon als ergernis op het schoolplein van haar kinderen, groeide uit tot bijna twintig jaar onderwijsjournalistiek. Aleid Truijens zag in de klas wat nauwelijks doordrong tot Den Haag: de ontlezing van Nederlandse kinderen. In haar columns schrijft ze sindsdien wat er nodig is om het tij te keren. Nu haar kleinkinderen naar school gaan, vraagt ze zich af: waarom lukt dat nog altijd niet?

We spreken Aleid Truijens (1955) in een café aan de Utrechtsestraat in Amsterdam, haar stad. Op het wankele tafeltje voor haar staat een langzaam kouder wordende cappuccino, terwijl Truijens gepassioneerd vertelt over haar carrière. De journalist studeerde Nederlands, schreef biografieën over Hella S. Haasse en F.B. Hotz, en is al bijna dertig jaar een vaste stem in de Volkskrant met haar literaire recensies en wekelijkse onderwijscolumns. Eigenlijk zou ze al met pensioen kunnen, maar zolang het onderwijs blijft wringen, is ze nog niet bereid om haar scherpe pen neer te leggen.

Met die scherpe pen schrijft Truijens onder andere over een probleem dat volgens haar te lang is onderschat: de ontlezing onder Nederlandse kinderen en jongeren. Ze volgt de ontwikkelingen al jaren en ziet dat het leesplezier op veel scholen snel afneemt zodra kinderen zelf moeten gaan lezen. “Nederlandse kinderen behoren tot de grootste leeshaters ter wereld,” zegt ze. “Dat komt niet uit dat kind zelf, dat zit in onze aanpak.” Volgens Truijens heeft het onderwijs lezen te veel gereduceerd tot een verplichting, een vak om te toetsen in plaats van een wereld om in te verdwijnen.

En die gevolgen gaan verder dan een hekel aan taal. “Kinderen lezen steeds slechter,” zegt Truijens. “Als je iets niet goed kunt, ga je het niet uit jezelf doen. Dan krijg je er een hekel aan en dan word je er nóg slechter in.” En wie slecht leest, loopt vrijwel overal vast. Als je een tekst in een toets niet goed begrijpt, kun je het antwoord niet eens bereiken. “Zelfs rekenen is voor een deel lezen,” zegt Truijens. “Als je niet weet wat het woord vermenigvuldigen betekent dan kom je niet erg ver.” Met een kleine woordenschat wordt elk vak moeilijker. En dat blijft kinderen achtervolgen: in het voortgezet onderwijs, maar ook later bij het vinden van een opleiding of baan.

“Begrijpend lezen heeft lezen kapotgemaakt”

Volgens Truijens begint het probleem in de klas bij de manier waarop kinderen leren lezen. Ze moeten al snel aan de slag met losse oefeningen, werkbladen en toetsen, terwijl juist verhalen en plezier zouden moeten domineren. “Het vak begrijpend lezen heeft lezen kapotgemaakt,” zegt ze. “Kinderen leren trucjes om vragen te beantwoorden, maar ze begrijpen de tekst niet echt.” Leraren krijgen, of nemen, volgens haar te weinig tijd om voor te lezen of gesprekken over boeken te voeren, omdat ze zich moeten houden aan methodes en opbrengstdoelen. “Lezen is iets levends, geen meetbaar vak. Toch hebben we die levendigheid er bijna uitgeperst.”

Masterplan

De PISA-resultaten van 2018 en 2022 – het internationale onderzoek dat elke drie jaar de vaardigheden van jongeren test op het gebied van lezen, wiskunde en natuurwetenschappen – zorgden voor oproer in Den Haag. Politici kregen plots voorgeschoteld hoe zorgwekkend het gesteld is met de leesvaardigheid van Nederlandse jongeren. Bij de laatste meting had maar liefst een derde van de vijftienjarigen zo’n zwakke leesvaardigheid dat ze moeite zouden hebben om goed mee te komen in de maatschappij. PISA liet zien dat Nederland sneller achteruitging dan de meeste andere landen. Om die trend te keren presenteerde het toenmalige kabinet in 2022 het Masterplan Basisvaardigheden. Dat plan moest scholen helpen om het taal- en rekenonderwijs te versterken, onder meer via subsidies voor nieuwe leermaterialen en nascholing van leraren. In 2024 had ruim 60 procent van de basisscholen een bijdrage ontvangen, en het ministerie verwacht dat dit jaar vrijwel alle leerlingen, 95 procent, worden bereikt.

Toch is Truijens sceptisch over de manier waarop Den Haag reageert. “Pas als de cijfers dramatisch zijn, wordt er ingegrepen,” zegt ze. Volgens haar stapelen ministers de ene onderwijsvernieuwing op de andere, zonder structurele verandering te brengen en te kijken of het goed werkt. “Er is steeds een nieuw plan, een nieuwe subsidie, maar geen rust of continuïteit.” Wat scholen volgens haar vooral nodig hebben, is tijd, kennis en vertrouwen om goed leesonderwijs te geven – niet nog een beleidsronde die over een paar jaar weer wordt vervangen.

Beloftes vanuit de politiek

De verkiezingen zijn net achter de rug en de kans is reëel dat een kabinet met één of meerdere van de partijen GroenLinks-PvdA, D66, VVD en CDA de komende jaren het onderwijsbeleid bepaalt. In hun programma’s zegt vrijwel elke partij dat het beter moet met taal en rekenen, maar volgens Aleid Truijens zijn het plichtmatige papieren beloftes. “De VVD ziet onderwijs vooral als middel om de economie draaiende te houden,” zegt ze. “D66 en GroenLinks-PvdA hebben mooie plannen voor gelijke kansen, kleinere klassen en goed opgeleide leraren, maar toch ontbreekt het nog aan echte daadkracht.” Ook het CDA blijft volgens haar te voorzichtig: “Ze willen terug naar ‘de basis’, maar zeggen niet hóe. Iedereen wil het beter doen, niemand durft iets echt te veranderen.”

Goede leraren en goede boeken

Maar wat moet er dan wél gebeuren volgens haar? Truijens benadrukt dat structurele verbetering begint bij de mensen voor de klas. “Alles valt of staat met goede leraren,” zegt ze. “Die moeten weten wat ze doen, en ook weten wat het effect daarvan is.” Volgens Truijens begint die professionaliteit al op de pabo, waar de lat volgens haar te laag ligt. “Aanstaande leraren leren daar te weinig over taal en literatuur,” zegt ze. “Veel van hen hebben zelf nooit geleerd om van lezen een gewoonte te maken en dan ga je nooit echt van lezen houden. Hoe kun je kinderen dan enthousiast maken voor boeken?” De opleiding zou volgens haar meer moeten draaien om kennis, cultuur en taalgevoel, in plaats van om didactische modellen en reflectieverslagen. “Een leraar Nederlands moet zelf ook echt van taal houden. Dat kan je niet faken.”

Daarnaast heeft het volgens haar weinig zin om telkens nieuwe projecten of methodes te lanceren als de basis niet op orde is. Leraren moeten de ruimte krijgen om te doen wat werkt: veel lezen met kinderen, goede boeken gebruiken en erover praten. “Goede leraren, goede boeken en tijd om te lezen,” vat ze samen. “Dat is wat werkt. Niet weer een nieuwe methode, of een eenmalige subsidie.”

Bureaucratie van schoolbesturen

Wat die aanpak nu in de weg zit, zijn volgens haar de machtige schoolbesturen die op afstand van de klas opereren. “Er is te veel bureaucratie,” zegt ze. “Bestuurders worden nauwelijks aangesproken op slechte resultaten, terwijl leraren de gevolgen dragen.” Truijens vindt dat de overheid weer meer zeggenschap moet krijgen over wat er op scholen gebeurt. “Er is nu niemand echt verantwoordelijk. Dat is funest voor de kwaliteit.”

Toch blijft Truijens optimistisch over de kracht van goed onderwijs. Ze ziet het niet somber in voor de kinderen zelf. “Het kind is nooit het probleem,” zegt ze beslist. “Kinderen willen van nature leren, lezen en weten. Het zijn de volwassenen die het ingewikkeld maken.” Daarom blijft ze schrijven, want zolang scholen overspoeld worden door beleidstaal en vernieuwingen, wil zij herinneren aan iets eenvoudigs: dat een kind vooral een goed boek, een betrokken leraar en de tijd om te lezen nodig heeft.

“Bij ons is het elke week Kinderboekenweek”

Twee jaar geleden lieten de resultaten van internationaal onderzoeksbureau PISA het onderwijs op zijn grondvesten schudden: één derde van de Nederlandse 15-jarigen leest zo slecht dat ze moeite hebben met normaal functioneren in de maatschappij. Er moest iets veranderen, vooral daar waar lezen begint: op de basisschool. Wat is er sindsdien in de klaslokalen gebeurd?

Op Onze Amsterdamse School in Amsterdam-West schuiven tien leerlingen van groep acht hun stoelen aan wanneer hun juf Patty Roos Manhatan van Rob Ruggenberg openslaat. De geur van de gymles hangt nog om hen heen, maar zodra Patty begint te lezen, wordt het doodstil. Kinderen die net nog giechelend binnenkwamen, hangen nu aan haar lippen. Elke dag staat er minstens een uur lezen op het rooster: eerst een half uur voorlezen, daarna lezen de leerlingen zelf uit een van de tientallen recent uitgekozen boeken die aan de achterkant van het lokaal in houten kisten uitgestald staan. Geen vergeelde exemplaren die al decennia de ronde doen, maar titels die met zorg zijn uitgezocht. “Bij ons is het elke week Kinderboekenweek.”

Wanneer Patty een nieuw exemplaar van Albatros geschreven door Yorick Goldewijk uit haar tas haalt en vertelt dat ze nog maar een paar bladzijdes moet, weerklinkt er geroezemoes uit het klaslokaal. “Is het spannend juf?”, en, “mogen wij hem dan hierna lezen?” Hier is lezen geen verplicht nummer, maar iets waarnaar wordt uitgekeken.

Masterplan

Wat hier in Amsterdam-West gebeurt, is precies waar scholen, ouders en politici op hopen: een leesles die wordt gewaardeerd door de kinderen zelf. Om dat voor elkaar te krijgen, zette toenmalig onderwijsminister Dennis Wiersma (VVD) in 2022 het Masterplan Basisvaardigheden in gang. Dit moest de basisvaardigheden, waaronder rekenen, taal, burgerschap en digitale vaardigheden van kinderen en jongeren bevorderen. Vanuit dat plan kregen tot en met 2024 ruim 3.600 basisscholen subsidie van ongeveer €1000 per leerling, zo’n 61 procent van alle scholen. Het ministerie verwacht dat dit jaar 95 procent van alle leerlingen bereikt wordt. Omgerekend zijn dat ongeveer 5.700 basisscholen die inmiddels extra geld krijgen voor basisvaardigheden. In dit jaar kwamen daar dus zo’n 2.000 basisscholen bij. Het beleid reikt ver de klas in, maar de vraag is natuurlijk hoe effectief die eenmalige subsidies zijn op de lange termijn voor het leesplezier én daarmee ook de verbetering van taalniveau van Nederlandse jongeren.

Patty Roos ziet van dichtbij wat er nodig is om kinderen écht vooruit te helpen. “Een subsidie is fijn, maar daar kan je op de lange termijn niet op bouwen,” zegt ze. De aanpak vraagt volgens haar stabiliteit en vertrouwen. “Politici moeten zorgen voor continuïteit. Stop met telkens nieuwe projecten lanceren en laat scholen doen waarvan bewezen is dat het werkt.”

Moeilijke populatie

Op Onze Amsterdamse School (OAS) hebben veel leerlingen een taalachterstand, soms omdat thuis nauwelijks Nederlands wordt gesproken of ouders zelfs analfabeet zijn. Roos noemt de leerlingen van OAS dan ook de moeilijkste populatie die er is. De school koos daarom voor een radicaal andere aanpak. “We hebben geen taalmethode,” zegt Roos. “Taal is geen doel, maar een middel.” Leraren verdiepen zich zelf in wat werkt: wetenschappelijke inzichten, betere kinderboeken en themaweken waarin veel ruimte wordt vrijgemaakt voor praten over teksten binnen een bepaald thema. Roos leest zelf kinderboeken buiten werktijd en probeert met collega’s voortdurend nieuwe manieren uit om lezen aantrekkelijk te houden. Maar dit lukt niet binnen 40 uur in de week. “Ik denk dat ik zeker 7 uur per week overwerk. Maar dat kan haast ook niet anders als je doordrongen bent van de risico’s die kinderen lopen als hun leesniveau niet goed genoeg is.”

De effecten daarvan klinken terug in de klas. Leerlingen in groep 1 en 2 pakken sneller boeken op, in groep 3 leren kinderen sneller klanken en letters herkennen. Nieuwkomers uit andere scholen reageren soms verbaasd: “Wow, ze gaan gewoon lezen.” Dat is volgens Roos extra knap, omdat de woordenschat van haar leerlingen vaak veel lager ligt dan gemiddeld. Leesplezier is daarbij haar grootste graadmeter. “Zodra kinderen ontdekken dat een boek leuker kan zijn dan een filmpje, zijn we op de goede weg.”

Taalklasse

Ook in het Brabantse Best werd het leesonderwijs onder handen genomen. Op KC Antonius merkte lerares en taalcoördinator Gitte Jacobs-Van Veen dat leerlingen steeds minder gemotiveerd raakten. Thuis werd nauwelijks gelezen en in de klas bleef het vaak bij vluchtig scannen. “Ze misten gewoon veel informatie als ze een tekst lazen,” zegt ze. De school koos daarom twee jaar geleden voor Taalklasse: een aanpak die lezen niet los aanbiedt van praten en schrijven, maar juist als één geheel. In plaats van losse opdrachten duiken leerlingen wekenlang in hetzelfde thema en wordt dit thema verbonden met allerlei andere vakken verbonden, zoals aardrijkskunde en geschiedenis. Ze lezen samen, bespreken wat ze lezen, stellen vragen en verwerken alles in een eigen tekst. “Zo raken kinderen heel erg betrokken bij een verhaal,” zegt Jacobs-Van Veen.

Wat Taalklasse onderscheidt, is dat de methode is ontwikkeld met meer dan vijftig kinderboekenschrijvers én dat de omgeving van het kind actief wordt meegenomen. De aanpak wint terrein: volgens Taalklasse hanteren nu zo’n vijftig basisscholen in Nederland de methode. Ouders krijgen leestips en informatieavonden, en aan het einde van ieder blok presenteren de leerlingen hun werk in een zogenoemde meesterproef. “Als ouders veel lezen, doen kinderen dat ook,” zegt Jacobs-Van Veen. Door die samenwerking tussen school, kind en thuis zien de leraren dat kinderen zonder moeite boeken lezen die meer van ze vragen. “Negenjarigen lezen hier nu Odysseus. Ik had dat zelf nooit durven voorstellen,” zegt ze, “maar het lukt gewoon.”

Ook hier lijken de inspanningen effect te hebben. Leerlingen pakken vaker zwaardere boeken uit de kast en scoren hoger bij begrijpend lezen en AVI-testen (Analyse van Individualiseringsvormen). De school investeerde de subsidie uit het Masterplan Basisvaardigheden in een nieuwe en rijkere schoolbibliotheek, extra leestijd en scholing voor leraren. Het resultaat is vooral zichtbaar in houding: kinderen ontdekken welke boeken bij hen passen, lezen meer uit zichzelf en praten er met zichtbaar plezier over. “Dat leesvirus, dat slaat hier echt over,” zegt Jacobs-Van Veen.

Kwaliteitskloof

Onderwijsjournalist Aleid Truijens waarschuwt echter dat de voorbeelden van Onze Amsterdamse School en KC Antonius niet de norm zijn. “Er zijn altijd scholen die geweldig onderwijs geven,” zegt ze. “Maar het probleem is dat er óók veel scholen zijn die het niet goed doen.” Volgens Truijens verschilt de kwaliteit van leesonderwijs in Nederland enorm tussen scholen en zelfs tussen klassen. “Wat je hier ziet, is bevlogenheid. Leraren die weten wat ze doen. Dat mag je niet overal verwachten.” Dat succes hangt volgens haar vooral af van drie factoren: goede leraren, goede boeken en veel tijd om echt te lezen. “Dat is wat werkt. Niet weer een nieuwe methode, of een eenmalige subsidie.”

“Zolang goed leesonderwijs afhangt van een paar bevlogen leraren, blijft het kwetsbaar”, benadrukt Aleid Truijens. De komende jaren moeten blijken of scholen overal in Nederland de tijd, kennis en middelen krijgen en vrijmaken om hun leesonderwijs te versterken. Want de volgende PISA-resultaten, die in 2026 worden gepubliceerd maar al in het voorjaar van dit jaar zijn gemeten komen al snel dichtbij. De vraag is dan niet alleen wat er op papier is bedacht, maar wat er in de klas gebeurt en of kinderen – net als bij Patty en Gitte – vragen wanneer ze weer verder mogen lezen.

Dataverantwoording

De cijfers in dit artikel zijn afkomstig uit openbare bronnen van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), het Centraal Planbureau (CPB) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). De gegevens over het Masterplan Basisvaardigheden zijn uit de Haalbaarheidsstudie evaluatie van de subsidieregeling verbetering basisvaardigheden (CPB, 2024), de Vijfde voortgangsbrief Masterplan Basisvaardigheden van minister M.L.J. Paul (2024) en de Kamerbrief van voormalig onderwijsminister Dennis Wiersma (2022) gehaald waarin het plan werd geïntroduceerd. De cijfers over het aantal basisscholen komen van het OCW (2025) via OCW in Cijfers, en de meest recente datavisualisatie op masterplanbasisvaardigheden.nl (juni 2025) waarin vermeld staat dat inmiddels ruim 7.800 scholen deelnemen aan het programma en daardoor nu 95% van de leerlingen is bereikt. De eigen berekening dat er in 2024 ongeveer 61 procent van de basisscholen subsidie ontving, is gebaseerd op cijfers van het CPB en het ministerie.

Middelbare schoolromances, monsterpiemels en tentakels: Hentai hoort er nu eenmaal bij

Middelbare schoolromances, monsterpiemels en tentakels: Hentai hoort er nu eenmaal bij

De Japanse geïllustreerde pornografievorm Hentai heeft de aandacht van een groeiende gemeenschap van nieuwsgierige en toegewijde fans over de hele wereld getrokken. Het bloeiende genre doorbreekt zo de taboes over meerdere seksuele voorkeuren, maar dit wakkert ook weer vragen aan. Wat is hentai precies en wat zijn de gevaren van de seksuele anime filmpjes?

De hoge tonen van de stem van het Japanse schoolmeisje schellen door de speakers van de oude laptop, wanneer Mike op play drukt. In karakteristieke mangastijl doemt er op het scherm een klaslokaal op, en na enkele seconden is duidelijk waar het gekreun vandaan komt. Een blond meisje met twee staartjes en strikken in het haar, dat niet ouder dan 13 jaar lijkt te zijn, zit op haar knieën terwijl er een penis heen en weer in haar mond verdwijnt. „Stop, stop it”, weet ze uit te brengen. De zichtbaar oudere jongen, tegen wie ze het heeft, gaat daar echter niet op in. Hij draagt haar op „(to) keep going” en om „deeper” te gaan. De video die 28 minuten voortduurt springt van verhaallijn naar verhaallijn. Het ene na het andere minderjarige meisje heeft seks met een leraar, klasgenoot of directeur, of dit nou vrijwillig is of niet: de meisjes zijn uiteindelijk altijd ontzettend dankbaar na de gebeurtenis. Maar over de ethische vraagstukken wil Mike niet nadenken, het enige wat telt is dat hij zijn hoogtepunt gaat bereiken.

Als dat met deze video niet blijkt te lukken is er nog genoeg andere keuze. De frustratie, veroorzaakt door de teleurstelling van het vorige filmpje, zorgt voor een zoektocht naar extremere inhoud en daar is er genoeg van. Hentai vertaalt zich nou eenmaal letterlijk als seksuele perversie, dus het kan niet gek genoeg. Mike scrolt door de talrijke categorieën op hentaihaven.com, een van de grootste sites die alleen hentai content plaatst. Milf, harem en BDSM zijn termen die hem bekend in de oren klinken, deze zijn namelijk ook te bekijken met echte mensen, van vlees en bloed zeg maar. Maar als hij steeds meer en meer kleurrijke posters van de hentaiseries voorbij ziet komen, staan er ook termen tussen die zijn nieuwsgierigheid opwekken: femdom, tentakels, furry, monsters, yaoi en ongecensureerde hentai.

Na enkele seconden komt hij erachter dat femdom niks voor hem is: twee vrouwen die seks hebben is geil, maar niet als een van die vrouwen een enorme erectie heeft in plaats van een vagina.

Naar yaoi hoeft hij niet eens verder te kijken dan de poster. Twee homoseksuele mannen gaan hem een stapje te ver, hij is nou eenmaal niet gay.

Ook furry, dieren met menselijke borsten en geslachtsdelen, ziet hij niet zitten.

Tentakels en monsters is waar hij naar op zoek is en gelukkig is dit vaak ongecensureerd, anders verderft het een deel van de pret. Veel van de hentai is wel gecensureerd en dat komt omdat er in Japan een wet geldt die ervoor zorgt dat het distribueren van seksuele content verboden is, mits de geslachtsdelen gecensureerd worden. De ingenieuze Japanners hebben echter manieren gevonden om artikel 175 van de wet te omzeilen: tentakels, afkomstig van de meest uiteenlopende monsterlijke wezens zijn geen geslachtsdelen, maar kunnen de karakteristieke rondborstige meiden wél penetreren zonder geblurd te hoeven worden. Daarnaast heeft de opkomst van artificial intelligence ook gezorgd voor een omweg, nu zonder het gebruik van tentakels. Op het internet zijn talloze gratis programma’s te vinden die gecensureerde hentai kunnen veranderen in video’s zonder vervelende blokjes voor de essentiële edele delen.

Maar dit maakt Mike niet uit. Eigenlijk hebben die tentakels en monsters wel wat, het is zo gek, fout, pervers dat dit iets in hem aanwakkert. Gelukkig kan niemand van zijn vrienden en familie zien wat hij nu van plan is om aan te klikken.

Deze keer verschijnt er een hele andere setting op het scherm. Midden in een grot hangt er een vrouw, omhooggehouden door tentakels, in de ruimte. Haar enorme onnatuurlijke borsten worden door deze lange vleeskleurige slierten omstrengeld. Langzaam wordt haar petite lichaam in beeld gebracht, waardoor ook haar vagina te zien is die gepenetreerd wordt door dezelfde tentakel, waar geen eind aan lijkt te komen. De vrouw stribbelt overduidelijk tegen, maar na enkele minuten is er een glasheldere ommezwaai in haar gedrag. Haar uitspraken gaan van „I don’t want this”, naar „please keep going”. Precies dit is waar Mike naar zocht en zonder de video van 15 minuten af te hoeven kijken is hij klaar.

Mike is een fictief personage gebaseerd op de interviews die zijn afgenomen.

De onschuldige monsterporno en high school romances zijn een groot deel van een hentai. Toch zijn er ook zorgbarendere thema’s. Denk bijvoorbeeld aan Lolicon, het genre binnen de geïllustreerde porno dat vooral om jonge meiden draait. Zo jong dat de lichamen van de meisjes nog niet ontwikkeld zijn. Er is nog geen sprake van borsten of schaamhaar. Als er dan nog twijfel over de leeftijd van de meisjes bestaat, dan is die snel overboord wanneer zij een speen in haar mond heeft. Dit genre is echter minder makkelijk te vinden op het Nederlandse internet, maar het bestaat wel. In Japan is er zelfs een hele buurt in Tokyo vol met Loliconwinkels. Hier verkopen ze niet alleen cd’s met de filmpjes, maar ook mangatijdschriften, videogames en sekspoppen op ware grootte.

Lolicon meisje met gecensureerde geslachtsdelen Bron: Abaji

Ook het constante thema verkrachting is zorgwekkend. Meisjes en vrouwen worden door hun partners, broers, vaders, ooms, bazen, collega’s, docenten, artsen en klasgenoten verkracht en hebben in ieder geval hetzelfde resultaat: de slachtoffers vonden het uiteindelijk toch allemaal geil en fijn.

Maar zorgen dit soort geïllustreerde kinderporno en verkrachtingsscènes ervoor dat mensen illegale neigingen krijgen? Of zorgt deze porno ervoor dat mensen met illegale gedachten zich niet gaan vergrijpen aan echte vrouwen of kinderen?

Yuri Ohlrichs, seksuoloog bij het Rutgers Instituut, denkt dat laatste. „Mensen met pedofiele neigingen kunnen met deze strips en video’s hun fantasieën verbeeld zien worden. Veel van mijn collega’s die therapie geven aan pedofielen, pleiten ook voor een surrogaat voor kinderporno. Zo kunnen pedofielen die weten dat ze niks met kinderen mogen en gaan doen hun ei kwijt.” Toch plaatst Ohlrichs wel een kanttekening bij deze uitspraak. „Er moet natuurlijk wel een expliciete boodschap bij deze content staan: Het is prima om hier over te fantaseren aan de hand van hentai maar het is niet goed om daar naar te handelen.”

Deze boodschap geldt volgens Ohlrichs niet alleen voor hentai. Tijdens een van zijn voorlichtingen op een middelbare school merkt hij dat er nog steeds misverstanden rondom seks zijn door porno. „Vandaag merkte ik in de klas dat er werd gesproken over choaking, oftewel het dichtknijpen van de keel, dat veel in porno te zien is. Hierdoor denken jongeren, vooral jonge jongens, dat dit er nou eenmaal bij hoort, maar dat is natuurlijk niet zo. Daarom is de juiste informatie en voorlichting zo belangrijk.”

De fascinatie voor hentai is volgens Ohlrichs simpel: „Het is vreemd en raar en dat zorgt voor spanning. Waarom kijken we met z’n allen naar Star Wars? Daarnaast weten mensen ook dat het in het echt niet mag, dat zorgt ervoor dat mensen het interessanter vinden.” Gelukkig hoeven we ons dus niet zorgen te maken over de negatieve effecten van hentai. Voor sommige mensen zal het een vreemd fenomeen blijven en voor anderen iets wat ze graag bekijken, net zoals veel andere genres van porno: hentai hoort er nu eenmaal bij.

Een verborgen schat: Ibe

De Wormerse student Industrieel Ontwerpen Ibe Kerkhoven (20) speelt al 12 jaar gitaar. Het begon allemaal met een gedeelde liefde met zijn vader voor een specifieke bluesgitarist. “Sinds jongs af aan heb ik mijn kinderen al geïntroduceerd aan mijn muziekcollectie”, vertelt Edwin Kerkhoven. Zijn cd’s hebben haast geen plek meer in het huis, dus liggen de meesten nu in verhuisdozen onder zijn bureau. “Ibe was vooral aangetrokken tot rock en blues en in het bijzonder de artiest Joe Bonamassa. Na eindeloos gezeur, mocht hij op zijn achtste op gitaarles in Zaandijk, om te leren spelen als Bonamassa.”

Zijn eerste gitaar, gesigneerd door Bonamassa en na een aantal jaar met een bibberende hand overgetrokken omdat de handtekening bijna helemaal vervaagd was, hangt nu aan de muur maar wordt weldegelijk vaak bespeeld. Ibe’s muzieksmaak is alleen wel veranderd. Hij luistert nu liever naar Jimi Hendrix. Daarnaast heeft de artiest die deel uit maakt van de 27 club ook invloed op zijn gitaarspel. “Don’t use your brain to play it, let your feelings guide your fingers”, is een quote van Hendrix waar hij graag aan denkt tijdens het spelen.

Ondanks zijn talent, speelt Ibe niet graag voor publiek: “Daar ben ik te verlegen voor.” Zijn kunsten zijn nu, als je goed luistert, alleen te horen in Wormer in een bepaalde straat. Ben je nou benieuwd geworden naar de gave van Ibe? Bekijk dan hieronder de video.

Man/vrouw verhouding groeit evenwichtiger bij Paradiso

De man/vrouw verhouding van de hoofdacts in de Grote Zaal van Paradiso groeit in vijf jaar evenwichtiger, ook al is het nog ver van gelijk. Programmamaker bij Paradiso, Jurry Oortwijn, reageert op de cijfers: “We zijn al sinds lange tijd bezig met Diversiteit & Inclusie en onderzoeken als deze tonen des te meer aan hoe hard dat nodig is. Lastig is daarbij wel dat we dit niet volledig zelf in de hand hebben, omdat we afhankelijk zijn van het beschikbare aanbod van acts die op tour gaan. We willen deze verhouding graag nog veel meer gelijk trekken en zijn daar met onze eigen festivals zoals London Calling en Super-Sonic Jazz dan ook al lange tijd mee bezig. Op een van de vorige edities van London Calling stonden zelfs meer vrouwelijke acts dan mannen. Daarom schrokken we toch nog een klein beetje van het hoge percentage in jouw staafdiagrammen. Maar dat is alleen maar goed, want het plaatst het onderwerp weer hoger op ieders agenda.”

Wat als ik val

De harde koude wind doet haar rode haren opwaaien. De lichten van Amsterdam Centraal komen steeds dichterbij en de honderden passagiers die samen met haar op de pont staan dringen zich al naar voren om zo snel mogelijk het geruisloze vaartuig te verlaten. Zij heeft geen haast, de pont rit mag van haar nog jaren duren. Het onheilspellende gevoel in haar buik en de oppervlakkige ademhaling, die er altijd mee gepaard gaat, worden steeds onvermijdelijker wanneer de pont dichter en dichter bij de kade komt.

Biep, biep, biep.

Het is zover. Ze moet aan wal, ze heeft nou eenmaal afgesproken met familie bij de grote kerstboom op het plein voor het centraal station. Daarna zouden ze hun jaarlijkse traditie in stand houden: het Amsterdam Light Festival lopen. Die traditie kan haar op dit moment eerlijk gezegd gestolen worden.

Ibe en haar vader lopen met grote passen voorop. Ma loopt naast haar. „Gaat het meissie?”, vraagt ze terwijl ze een hand door haar arm steekt. De kioskjes op het Centraal Station zoeven langs haar voorbij. Ze reageert amper. „Hey, kijk eens wat een mooie jurk.”, probeert haar moeder nog een keer, terwijl ze wijst naar de etalage van de Sissy Boy. „Die kleur zou je echt mooi staan.” Het bekende afleidtrucje. „Ja mam.”, zegt ze geïrriteerd.

Ze zijn eindelijk aangekomen op het plein bij de kerstboom. Haar tante, oom, nicht plus de vriend van staan al te wachten. Ze zijn blij, opgewekt, net zoals de rest van de stad. De huizen rondom het plein dat krioelt van de toeristen en dagjesmensen zoals zij en haar familie , zijn versiert met opzichtige kerstverlichting. Het is nog steeds dezelfde kerstverlichting als 10 jaar geleden, waarschijnlijk is het nog veel ouder, maar dat weet ze niet zeker. Ze is inmiddels nog maar net 16.

De groep begint in beweging te komen richting de grachten, daar waar het lichtfestival start. Ze lopen de kant van de Damrak uit maar slaan af naar de Nieuwebrugsteeg om zo de Warmoesstraat in te gaan. Haar moeder blijft naast haar lopen, achteraan de groep, terwijl de rest praat over het steakrestaurant dat ze net hebben bezocht. „Die spareribs waren echt lekker, joh.”, vertelt haar oom terwijl hij zijn lippen aflikt, op zoek naar de smaak van de botten, die hij net heeft afgekloven. Normaal had ze hier om moeten lachen. Nu hoort ze het nauwelijks. Ze is ergens anders.

De onvermijdelijke fysieke ervaringen en de gedachten die erbij gepaard gaan, hebben haar nu in haar macht. Elke stap lijkt dieper weg te zakken, net alsof ze op van die aan elkaar gemaakte blokken loopt die ze soms wel eens in het zwembad hadden liggen. Zo was het de bedoeling om aan de andere kant van het zwembad te komen zonder in het water te vallen. Toen was het grappig. Nu is zij de enige die dit gevoel ervaart. Niemand is zich bewust van de blokken in het water, zij lopen namelijk gewoon op de oude, vervuilde stoepstenen van de binnenstad van Amsterdam.

Haar moeder pakt haar koude natte hand vast en geeft er een licht knijpje in. Ze ziet wel wat er gebeurt met haar dochter. Ze weet zelfs precies wat er gebeurt.

Ze lopen de Warmoesstraat binnen. De ordinaire seksshops en goedkope eettentjes slaan hun tegemoet. De toeristen die onder invloed zijn van wiet, drank en wie weet wat nog meer genieten ervan. Zij ziet ze niet eens. Het lijkt net alsof er een vignette filter op haar zicht zit. Ze kijkt recht vooruit, maar ziet ze wel iets?

Haar besluit stond al 3 minuten eerder vast. Ze wist het al toen ze haar familie tegemoet kwam bij de grote kerstboom, ze durfde het alleen niet te zeggen. Wat zullen ze wel niet van haar denken? Ze hebben helemaal de moeite gedaan om richting Amsterdam te komen en de auto te parkeren in een parkeergarage waar het uurtarief hoger is dan haar uurloon. Ze zijn nu toch al in de stad, eigenlijk is er geen weg meer terug. Deze gedachten blijven in haar hoofd rondtollen terwijl de andere gedachten van de paniek steeds luider en luider worden.

Ze staat abrupt stil. Haar moeder kijkt haar aan. „Ik wil terug.”, fluistert ze. „Ik ga terug.”, zegt ze deze keer harder, waarna haar moeder gelijk richting de rest van de familie loopt. „Jongens, we gaan terug. Het gaat niet goed met Reem.” Ibe en haar vader hebben eigenlijk geen woord in te brengen, tegen de strenge woorden van haar moeder, ze weten wat er aan de hand is en zeggen snel vaarwel tegen de rest. Zij en haar moeder zijn immers al vliegensvlug omgedraaid en op hun terugweg richting het Centraal Station.

„Blijf goed doorademen Reem.”, zegt haar moeder tegen haar terwijl ze de benauwde Warmoesstraat achter zich laten. Ja dat weet ik ook wel, trut, denkt ze, zonder het hardop uit te spreken. Ze dacht dat als ze de keuze had gemaakt om terug te gaan, de paniekaanval van haar af zou glijden als een skiër die van een hoge berg skiet. Nu is het net alsof de skiër zich toch heeft bedacht, de berg is eenmaal hoger dan verwacht en ziet er wel erg eng uit. De wervelwind die zich nu om haar heen begint te vormen laat de geluiden van de drukke stad op de een of andere manier vervormen tot galmen die steeds dieper en intenser binnenkomen. Haar oren beginnen te suizen en een oor is nu zelfs een pijnlijke piep te horen. Haar broertje en vader zijn zich echter van geen kwaad bewust en lopen op hun gemak langs de horden mensen die uit alle spuigaten van het plein vandaan komen. Toch kijkt Ibe soms angstvallig om, om te checken of zijn grote zus er nog is.  

Zijn grote zus is er nog wel, maar is nu gefocust op het grote gevaarte wat langzaam voor haar opdoemt: het Centraal Station, het gebouw waar ze al honderden keren zonder enige moeite doorheen is gelopen. Nu vormt het een grote hindernisbaan waar ze alleen dood of levend uit kan komen en ze gaat dit echt niet overleven. Haar hele lichaam staat in de overlevingsstand en schreeuwt:

Remi, ga hier weg! Je gaat flauwvallen Remi en je weet wat er dan gebeurt met je. Je gaat dit niet overleven. Over enkele seconden ben je dood en lig je op de grond. Iedereen zal om je heen gaan staan kijken naar je, terwijl je daar zo zielig ligt. Mislukkeling. Je kan ook helemaal niks.

Toch moet ze dat godvergeten Centraal Station door om naar huis te kunnen, in bed te gaan liggen en al het verdriet en angst van de avond er uit te janken. Haar moeder pakt haar hand vast en neemt haar mee, de grote aankomsthal in. „Mam, mam, mam.”, smeekt ze. „Ik kan dit niet.” De tranen staan op het punt om uit hun schulp te kruipen. „Reem, je kan dit. Hou me goed vast en tel de tegels op de grond.” „Ja maar..”, zegt ze terwijl ze de gang in staart waar Ibe en haar vader met alle gemak al bijna uit zijn. De muren van de gang lijken langzaam te bewegen voor haar ogen. Het is net alsof ze in het bootje van de Fata Morgana zit, nu is dit alleen levensecht.

Ze tuurt de gang in, terwijl haar moeder haar aandachtig in de gaten houdt. Ook haar moeder’s gedachtes racen door haar hoofd: hoe kan ze ervoor zorgen dat ze haar dochter hier doorheen kan slepen? „Reem, adem je met me mee?”, zegt ze. Ze haalt diep adem terwijl ze de ijskoude handen van haar dochter vastgrijpt. „Kijk me aan!” Remi kijkt haar voor de eerste keer, sinds ze in Amsterdam aangekomen zijn, aan. „Vijf seconden in ademen, zeven seconden uit.” Zo blijven ze even staan, terwijl de horden mensen, nietsvermoedend langs hun heen razen om hun trein te halen.

Na een aantal minuten, die overigens voelen als uren, waarin het zweet uit elke porie van haar lichaam gutst, heeft haar moeder haar zo ver gekregen: ze gaan de stap wagen. Ze moet wel, anders blijft ze voor eeuwig in deze nachtmerrie. De ov-poortjes gaat ze zonder echt te erkennen door. Met haar arm stijf door die van haar moeder heen, lopen, of eerder snelwandelen ze door de gang die zo op die van de Fata Morgana lijkt.

Je gaat flauwvallen Remi. Je weet wat er dan met je gaat gebeuren.

Die stem probeert ze te negeren, ook al klinkt hij zo ontzettend luid. Haar moeder blijft haar gezichtsuitdrukking in de gaten houden. Haar kaken staan strakker dan ooit te voren. Hier zal ze vanavond last van krijgen, ook al heeft ze hier op dit moment geen erg in. Het enige waar ze nu mee bezig is, is om heelhuids deze tunnel te verlaten.

Elke stap die steeds verder weg in de grond lijkt te zakken, brengt haar ook dichter bij haar doel: de pont bereiken en al die nare gevoelens op het vaste land achter te laten. Het kost haar nog maar een halve minuut, een halve minuut waarin ze haar broer en vader straal voorbij loopt zonder ze op te merken. Zij kijken haar lijkbleke gelaatstrekken na terwijl ze op de pont afstevent.

Vijftien seconden.

De medepassagiers die ook staan te popelen om aan boord te stappen, kijken haar geïrriteerd aan wanneer ze hun aanstoot terwijl ze als eerste de pont probeert te bereiken.

Vijf seconden.

Ze stapt over de metalen aanlegplaat die klettert onder de velen voetstappen en ze voelt haar schouders, nek, kaken en handen ontspannen, terwijl haar moeder haar omdraait en zegt: „Het is je gelukt.”