Spotlight

Selecteer Pagina

Factcheck: Loopt Nederland achter op andere landen in de aanpak van femicide?

Factcheck: Loopt Nederland achter op andere landen in de aanpak van femicide?

Oordeel: niet vast te stellen.

De claim

Op 24 oktober 2026 deed voormalig Tweede Kamervoorzitter Khadija Arib een uitspraak over de aanpak van femicide in Nederland. In het televisieprogramma Café Kockelmann van WNL zei ze: “Als het gaat om aangiftes, tijdige signalen oppikken, gedegen opvang en de aanpak van daders, lopen wij best wel achter ten opzichte van andere landen.” Arib vindt dat er meer actie nodig is vanuit de politiek. Volgens haar moet femicide niet worden gezien als een privéprobleem, maar als een maatschappelijk probleem waar meer aandacht voor moet komen. Maar loopt Nederland daadwerkelijk achter op andere Europese landen als het gaat om het herkennen van signalen, het beschermen van slachtoffers en het aanpakken van daders?

Wat bedoelen we met femicide?

In het onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) wordt femicide omschreven als het opzettelijk en wederrechtelijk doden van een vrouw of meisje, waarbij gendergerelateerde kenmerken een rol spelen. Dat kan bijvoorbeeld gaan om een voorgeschiedenis van huiselijk geweld of een relatie tussen de dader en het slachtoffer. Binnen de Europese Unie bestaat nog geen gezamenlijke juridische definitie van femicide. Het Europees Instituut voor Gendergelijkheid (EIGE) wijst erop dat landen vrouwelijke slachtoffers op verschillende manieren registreren en classificeren. Daardoor zijn internationale cijfers niet altijd goed met elkaar te vergelijken.

Signalen worden niet altijd op tijd herkend

Dat het herkennen van signalen beter kan, blijkt ook uit de praktijk van Veilig Thuis. Gerrit Zeevat, medewerker bij Veilig Thuis, vertelt: “Partnergeweld kan geleidelijk escaleren. Het begint bijvoorbeeld met psychische mishandeling, zoals kleineren en vernederen, of met controlerend gedrag. Dit kan uiteindelijk overgaan in ernstig lichamelijk geweld.” Volgens Zeevat is het belangrijk om niet alleen naar afzonderlijke incidenten te kijken, maar vooral naar het patroon dat daarachter zit. Signalen zoals dwingende controle, ernstige bedreigingen, stalking, wurging en toenemend geweld kunnen wijzen op een verhoogd risico. Wanneer Veilig Thuis een melding ontvangt, wordt de situatie in kaart gebracht om de veiligheid van het slachtoffer te beoordelen. Als dat nodig is, kunnen beschermingsmaatregelen worden ingezet. Denk aan opvang op een veilige plek, soms in samenwerking met de politie en opvangvoorzieningen. Toch zijn er volgens Zeevat knelpunten. “Privacywetgeving kan het lastig maken om informatie van bijvoorbeeld huisartsen of andere betrokken hulpverleners te verkrijgen. Ook durven slachtoffers soms niet te praten uit angst dat hun partner daarachter komt. Daarnaast worden signalen nog te vaak als losse meldingen behandeld, terwijl het juist belangrijk is om naar het geheel te kijken.” Hij vindt dat professionals, waaronder de politie, meer voorlichting moeten krijgen over het herkennen van signalen en het zien van patronen. Ook zou het volgens hem makkelijker moeten worden om plegers aan te pakken. Hij noemt daarbij onder andere het inzetten van een tijdelijk huisverbod of een contact- en locatieverbod. Dat er in de praktijk problemen zijn met het tijdig beoordelen van meldingen, blijkt ook uit onderzoek van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). In oktober 2024 meldde de inspectie dat Veilig Thuis-organisaties moeite hadden om hun wettelijke termijnen te halen. Van de 25 organisaties lukte het slechts vijf om bij minstens 80 procent van de meldingen op tijd een veiligheidsbeoordeling uit te voeren. De inspectie maakte zich zorgen over de veiligheid van mensen die daardoor langer moesten wachten op een beoordeling of onderzoek. Wel is het belangrijk om hierbij een kanttekening te plaatsen. Een wachttijd betekent niet automatisch dat er niets gebeurt. Bij acute onveiligheid kan na de eerste screening direct worden ingegrepen. De cijfers laten vooral zien dat de wettelijke termijnen in de praktijk niet altijd worden gehaald.

Ook de opvang en bescherming kunnen beter

Naast het herkennen van signalen gaat Aribs uitspraak over de opvang en bescherming van vrouwen. In oktober 2025 publiceerde GREVIO, het onafhankelijke deskundigenorgaan van de Raad van Europa, een evaluatie over de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld in Nederland. In het rapport wordt gekeken naar de uitvoering van het Verdrag van Istanbul. GREVIO benoemt onder andere aandachtspunten bij de ondersteuning en bescherming van slachtoffers. Ook de beschikbaarheid van opvang en de hulp aan vrouwen in kwetsbare situaties vragen aandacht. Dat sluit aan bij wat Zeevat vanuit Veilig Thuis beschrijft. Wanneer er sprake is van ernstig of escalerend geweld, kan opvang noodzakelijk zijn om iemand in veiligheid te brengen. Daarvoor moeten verschillende organisaties goed samenwerken. Volgens Zeevat verloopt de samenwerking met bijvoorbeeld de politie en opvangvoorzieningen over het algemeen goed. Toch blijft het herkennen van risico’s en het op tijd delen van informatie belangrijk. Het rapport van GREVIO laat zien dat er in Nederland verbeterpunten zijn op het gebied van opvang en bescherming. Het zegt niet dat Nederland op deze onderdelen slechter presteert dan andere Europese landen.

Hoe doet Nederland het vergeleken met andere landen?

Om te bepalen of Nederland daadwerkelijk achterloopt, is het belangrijk om ook naar internationale cijfers te kijken. Uit cijfers van het CBS blijkt dat Nederland tussen 2017 en 2023 gemiddeld 2,6 vrouwen per miljoen vrouwen verloor door moord of doodslag door een partner of ex-partner. In hetzelfde onderzoek komt naar voren dat het cijfer lager ligt dan in Finland (5,2) en Duitsland (3,3), maar hoger dan in Italië (2,1) en Spanje (2,0). Nederland staat daarmee in de middenmoot van de Europese landen. Deze cijfers zeggen alleen iets over het aantal vrouwen dat door hun partner of ex-partner wordt gedood. Ze vertellen niet direct hoe goed landen omgaan met aangiftes, het herkennen van signalen, opvang of de vervolging van daders. Bovendien waarschuwt het CBS dat de cijfers met voorzichtigheid moeten worden bekeken, omdat landen niet allemaal dezelfde definities en registratiemethoden gebruiken.

Het onderzoek van Maastricht University, uitgevoerd in opdracht van het WODC, laat zien dat de Nederlandse aanpak verbeterpunten heeft. In het onderzoek naar femicide in de Nederlandse rechtspraktijk wordt geconcludeerd dat een duidelijkere juridische definitie kan helpen bij een meer consistente herkenning en behandeling van femicidezaken. De onderzoekers stellen vast dat rechters en officieren van justitie femicide niet altijd op dezelfde manier afbakenen. Ook worden gendergerelateerde kenmerken, zoals eerder huiselijk geweld, niet altijd consequent meegenomen in de juridische beoordeling en de motivering van straffen. Het onderzoek laat zien dat er in Nederland ruimte is voor verbetering in de juridische aanpak. Het biedt ook een vergelijking met andere Europese landen, maar geeft geen algemene ranglijst van de kwaliteit van de aanpak van femicide. Ook, richt het onderzoek zich op de rechtspraktijk en niet op alle onderdelen die Arib noemt, zoals aangiftes en opvang.

Conclusie

De uitspraak van Khadija Arib is niet vast te stellen. Uit de onderzoeken en de reactie van Veilig Thuis blijkt dat er in Nederland nog genoeg misgaat. Zo worden signalen van partnergeweld niet altijd op tijd herkend en duurt het soms te lang voordat meldingen worden opgepakt. Ook op het gebied van opvang en de juridische aanpak van femicide zijn er verbeterpunten. Of Nederland daarin daadwerkelijk slechter presteert dan andere landen, is lastig vast te stellen. De cijfers over vrouwen die door hun partner of ex worden gedood, zetten Nederland in de Europese middenmoot. Die cijfers zeggen weinig over hoe goed slachtoffers worden geholpen of hoe daders worden aangepakt. Dat er in Nederland nog veel te verbeteren valt, is duidelijk door het onderzoek van de WODC en de reactie van Veilig Thuis van Gerrit Zeevat. Maar dat Nederland op al deze punten achterloopt op andere landen, kan met de beschikbare informatie niet worden bewezen.

 

Over de auteur

Teun Kuijt

Teun Kuijt (2006) is student aan de School voor Journalistiek in Utrecht. Ook geboren en getogen in Utrecht met een enorme interesse op allerlei vlakken. Met veel liefde en passie voor het vak schrijft ze al vanaf jonge leeftijd. Van de schoolkrant tot haar profielwerkstuk, ze heeft altijd met veel plezier geschreven. Nu is ze begonnen met met de School voor Journalistiek en staat ze open om nog meer van het vak te leren. Ze volgt alles op de voet en je kan daarom veel leuke gevarieerde artikelen van haar kunnen verwachten.