“Dement, maar niet incompetent”
In Amstelveen biedt het Alzheimer Café ruimte voor, soms moeilijke, vragen en discussies.

Beeld: Teun Kassenaar
19 juni 2026
In wijkcentrum Middenhof in Amstelveen weten zo’n vijftig mensen elkaar te vinden op een lichte meiavond. Ze komen voor informatie, herkenning, en soms gewoon om hun hart te luchten over alles wat met de ziekte Alzheimer te maken heeft.
Het slot van haar fiets klikt dicht. Truda Schrama staat voor de ingang van wijkcentrum Middenhof en kijkt even omhoog naar de lucht. Licht, voor de maand mei. Ze duwt de deur open.
Binnen ruikt het naar koffie en in de verte klinken al stemmen. De vrijwilligers zijn al druk: tafel voorin, microfoon. Op de grond staat een banner van Alzheimer Nederland, en er worden folders neergelegd. Door de zaal en aan de muur, versiering voor het aankomende WK voetbal, oranje vlaggetjes. Twee werelden die ver van elkaar af lijken te liggen, één ruimte.
Het idee voor de bijeenkomsten van het Alzheimer Café kwam alweer zo’n 25 jaar geleden van een vrijwilliger van Alzheimer Nederland. Hij wilde informatie makkelijker vindbaar maken, in een pre internet en social media tijdperk, en een plek creëren waar mensen elkaar konden vinden. Het vinden van steun, begrip en medeleven.
Truda is coördinator van het Alzheimer Café in Amstelveen en in Uithoorn. Dat betekent: zorgen dat de boekenbon er is, dat de bloemen er zijn, dat de koffie klaarstaat. Ze doet dit werk als vrijwilliger, naast haar andere taken voor het regiobestuur van Alzheimer Amstelland en Meerlanden. Vóór haar pensioen gaf ze les aan Hogeschool Inholland, bij de studie Social Work, onder andere in methodiek voor ouderenzorg. Drie weken na haar laatste werkdag belde een vriendin van het hoofdkantoor in Amersfoort. Of ze misschien iets wilde doen bij een afdeling.
“Oriënterend gaan kijken, zeiden ze,” vertelt Truda later op de avond. “Nou, na dat oriënteren kon ik nog steeds moeilijk kiezen.”, ze grinnikt.
Veel coördinatoren bij Alzheimer Nederland komen vanuit een persoonlijke ervaring. Bij Truda is het anders. Haar schoonmoeder had de laatste twee jaar van haar leven een lichte vorm van dementie. En er is een goede vriendin, nu, over wie ze zich zorgen maakt. “We denken met z’n allen, als dat maar geen vroege Alzheimer is,” zegt ze. Ze zwijgt even. Superveel privé-ervaring heeft ze dus niet, zegt ze zelf. Maar misschien, voegt ze eraan toe, maakt dat haar ook scherp. Ze kijkt naar het leed van anderen zonder te worden meegesleurd.
Kwart over zeven. De zaal vult zich geruisloos. Een man in pak, een vrouw met een boodschappentas die ze onder haar stoel schuift. Twee vrouwen die elkaar kennen en fluisterend bijpraten. Een jonge man die alleen binnenkomt en zoekend om zich heen kijkt totdat een vrijwilliger hem een hand geeft en naar de koffie wijst.
Mantelzorgers, nabestaanden, zorgverleners. Soms mensen met dementie zelf, al zijn die in de minderheid.
Job van Amerongen staat vooraan. Hij is de gespreksleider, in het jargon van het Alzheimer Café: de kroegbaas. In het dagelijks leven werkt hij als psychiatrisch verpleegkundige in een verpleeghuis. Dat zijn mensen met niet alleen dementie, maar ook psychiatrische problematiek. Job waar hij en andere het over hebben.
“Wie is er vanavond voor het eerst bij een Alzheimer Café?” vraagt hij aan de zaal. Zijn stem is rustig. Een stuk of zes handen gaan omhoog. Hij knikt. “En hoeveel zorgverleners zijn er aanwezig? Even een vinger opsteken?”
Verspreid door de zaal gaan vingers omhoog. Job loopt langs, vraagt hoe iemand heet en welke organisatie die vertegenwoordigt. Het duurt even, maar het heeft een reden. “In de pauze kan iemand denken: die mevrouw is casemanager, die wil ik even aanspreken,” legt hij later uit. “Dat eerste contact is vaak het moeilijkste. Hier is het makkelijker dan ergens anders.”
Arja Bouma, thuiszorgmedewerkster bij Dovida, heeft haar hand opgestoken. Ze zit aan de zijkant van de zaal, aan een tafel met meer zorgmedewerkers. Ze is hier elke keer. Niet voor zichzelf, zegt ze. Als aanspreekpunt voor mensen met vragen over thuiszorg.
In de pauze trekt ze me even apart. “Vandaag heb ik gehoord dat mijn moeder ook dementie heeft.” Zegt ze midden in het gesprek, “Ik zit er dus nu ook middenin.” Even wacht ze. “Dat maakt vanavond toch anders.”
De spreker van de avond is Jeantien, kalm, en met een directe blik kijkt ze de zaal in. Haar moeder had dementie, haar broer overleed eraan op 53-jarige leeftijd, haar zus op haar zestigste. Ze coördineert nu zelf een Alzheimer Café voor jongere mensen met dementie, mensen die nog werken, nog kinderen hebben, nog midden in het leven staan. Job is daar ook gespreksleider. Zo kenden ze elkaar.
Het thema van vanavond is vrijheid. Wat betekent vrijheid als iemand niet meer begrijpt waarom een deur op slot zit? Wat als iemand weigert te douchen, of weigert medicijnen te nemen? Wat als je als partner of ander familielid iedere dag keuzes moet maken voor iemand die die keuzes zelf niet meer kan maken?
Jeantien opent met een anekdote. Een vrouw op een gesloten afdeling. Steeds opnieuw probeerde ze te ontsnappen. Elke ochtend.
“Wat doe je dan?” vraagt Job.
“Dat is wat ik zo moeilijk vind,” antwoordt Jeantien. “Aan de ene kant wil je iemand die veiligheid geven. Aan de andere kant: wie ben jij om te bepalen dat iemand niet mag gaan?”
Een stem uit de zaal: “In Duitsland mogen ze iemand echt niet zomaar opsluiten.”
“Maar als je iemand laat gaan die niet meer weet waar hij woont, wat dan?” klinkt het van de andere kant.
De zaal is stil, maar niet gespannen. Het is de stilte van mensen die herkennen wat er gezegd wordt.
“Als de persoon op dat moment gelukkig is,” zegt Jeantien langzaam, “vind ik dat het belangrijkste. Maar daarmee zeg ik niet dat ik weet wat goed is.”
Truda kijkt vanuit haar stoel langs de rijen gezichten. Een man die knikt. Een vrouw die haar handen om haar koffiekopje gevouwen houdt en aandachtig luistert. Een jonge man die iets opschrijft. Ze heeft dit soort momenten vaker meegemaakt, maar went er nooit helemaal aan. Dat is misschien ook het punt.
In de pauze schuiven stoelen. Gelach hier, een zachte stem daar. Iemand staat bij de informatietafel en bladert in een folder. De koffie is bijna op.
Marianne Dubbeldam zit ook aan een tafel in de zaal. Ze is niet bang om in te breken in de discussies op deze avonden, met een manier van praten die weinig ruimte laat voor twijfel. Ze komt hier al sinds 2017. Haar man is kortgeleden overleden aan dementie.
“Het is net een warm bad hier,” zegt ze. “Ik ken iedereen inmiddels.”
“Komt u ook nog voor de inhoud?”
“Ja, ook.” Ze knikt beslist. “Je steekt altijd wat op.” Ze kijkt even de zaal in. “Een keer sprak hier iemand over taalgebruik. Hij zei: mensen verhuizen naar een verpleeghuis, ze worden niet opgenomen. En het zijn mensen met dementie, geen dementerenden.” Ze pauzeert. “Dat klinkt misschien als een detail. Maar het maakt iets uit. Je blijft de mens zien, en niet de ziekte.”
Iets verderop zit Rob. Zijn moeder had dementie. Ze is in 2013 overleden. Hij is daarna blijven komen.
“Waarom?” vraag ik.
“Om de kennis op peil te houden,” zegt hij. “En voor de mensen.” Hij kijkt de zaal in. “Als ik naast iemand zit die hier voor het eerst is, kan ik soms wat figuurlijke handen toereiken. Dat geeft een voldaan gevoel. Je helpt iemand zonder dat het moeite kost.”
Hij vertelt dat hij in het begin weleens mensen probeerde door te sturen naar een Alzheimer Café. Dat niet altijd lukte.
“Er was veel terughoudendheid. Een soort angst, denk ik. Dat het te confronterend zou zijn. Dat je dingen zou horen die te dichtbij komen.”
“En is dat zo?”
“Ja,” zegt hij. “Maar dat is ook precies waarom je moet gaan.”
Truda vertelt over een Alzheimer Café in Uithoorn die haar bij is gebleven, een spreker die mantelzorger was geweest. Zijn partner was een paar jaar daarvoor gestorven. Hij had een boek geschreven over de periode van de ziekte. Bijvoorbeeld over wat hem het meest had geholpen, vertelde hij, was zijn netwerk inzetten. Niet wachten tot het te zwaar werd. Als praktisch voorbeeld noemde hij hun vakantie naar Frankrijk: hij en zijn partner reden samen, liedjes zingend in de auto. Vrienden gingen apart, in een andere auto, zodat de gesprekken niet over het hoofd van zijn partner heen zouden gaan. Ze kwamen allemaal aan bij hetzelfde huisje. “Dat soort dingen,” zegt Truda. “Zo simpel, en zo goed bedacht. Dat blijft hangen.”
Na de pauze gaat het gesprek verder. Een vrouw vertelt dat zij alles alleen doet. Haar man woont nog thuis, maar zij heeft ook even lucht nodig. Ze vroeg iemand gezelschap te houden terwijl ze naar yoga ging. Die persoon werd boos toen ze het vaker dan een keer vroeg.
Niemand in de zaal zegt dat ze het fout deed. Jeantien buigt zich iets naar voren.
“Soms moet je stoppen met overhalen,” zegt ze. “Even loslaten. En dan op een andere manier terugkomen.”
Er wordt gesproken over casemanagers, over een ‘bemoeizorgdienst’ in Amstelveen, over gedwongen medicatie door eten of drinken heen. Over hoe je een levenstestament regelt voordat het te laat is. Op de valreep vraagt iemand nog naar euthanasie. Het is kwart over negen, maar niemand staat op.
Als de zaal langzaam leegloopt, staat Truda bij de informatietafel en praat met Job.
“Jeantien deed het mooi.” Ze pakt het boeket bloemen dat ze al die tijd op de tafel had laten staan. Ze loopt naar Jeantien toe, die bij de deur nog staat na te praten met een bezoekster.
“Voor jou.” Truda houdt haar de bloemen voor.
Jeantien kijkt er even naar. “Dankjewel.” Ze neemt ze aan.
Het is een klein gebaar. Maar Truda doet het elke keer, bij elke spreker. Want ook dat hoort erbij, het gevoel geven dat je iets hebt meegegeven dat de moeite waard was.
Buiten is de meiavond wat koeler geworden. Truda maakt haar fietsslot los en rijdt de stille straten van Amstelveen in. In haar hoofd malen de woorden van vanavond nog na. Over vrijheid. Over de uitspraak: ik ben dement, maar niet incompetent.
Ze heeft dit werk niet gekozen omdat ze er zelf zo zwaar mee te maken heeft gehad. Ze koos het omdat ze zag, al die jaren in haar leslokaal, hoeveel mensen er alleen in staan. En dat, denkt ze terwijl ze haar straat in draait, mag gewoon niet.
Volgende maand is er weer een café. Ze kan aan de slag met het volgende thema.