‘Heb je de stick van je zus mee?’
In de sportwereld vormen de machocultuur en homofobe kleedkamerhumor nog altijd een drempel voor veel LHBTI+’ers. De Amsterdamse hockeyclub Pink Lions biedt al ruim twintig jaar een alternatief: niet de prestatiedrang of onderlinge rivaliteit staat voorop, maar een veilige sportomgeving waar spelers van elk niveau volledig zichzelf kunnen zijn.
De winterkou heeft de straten rondom de Amsterdamse Zuidas in zijn greep, maar op het nabijgelegen kunstgrasveld dampt het. Omringd door de donkere silhouetten van torenflats, op nog geen tien minuten fietsen van het financiële hart van Nederland, branden felle stadionlampen. Witte ademwolkjes stijgen op in de avondlucht, vermengd met de doffe, ritmische tikken van harde plastic ballen tegen houten sticks.
Het is acht uur ’s avonds wanneer de één na de ander het hockeyveld opstapt. Er wordt halt gehouden. Negenentwintig keer schud ik een hand. Na speler tien ben ik de namen al kwijt, maar de toon voor de avond is direct gezet: je bent hier zeer welkom.
“Een enorme opkomst voor de winter,” oordeelt Will, zijn wangen rood van de kou. Hij is vanavond de officieuze aanvoerder van de Pink Lions, al dekt die term de lading niet op een plek waar rangen er niet toe doen. Will fungeert meer als bindmiddel van de groep. Hij vertelt over de WhatsApp-groep van ruim honderd leden, waarvan er zo’n veertig de actieve kern vormen. In de zomer, als de avonden lang en warm zijn, puilt het veld uit. Vanavond staan er negenentwintig mannen. Studenten in strakke thermoshirts rennen naast vijftigers in ruimere trainingsbroeken.
Zonder pardon voor de leeuwen
De warming-up begint niet met een strak gefloten signaal of militaire looplijnen, maar ontstaat organisch. De sfeer is losbandig. Er wordt gedold en er klinkt een schaterlach. Tussen de doorgewinterde hockeyers, die de bal achteloos aan hun stick lijken te kleven, staan Mike en Kevin. Twee nieuwkomers. Mike heeft voor vanavond nog nooit een hockeystick vastgehouden. Kevin heeft exact één eerdere training in de benen.
In plaats van hen aan de zijlijn te parkeren met een pionnetje, krijgen de twee in een hoekje van het veld een razendsnelle stoomcursus. Een lesje basistechniek: zo houd je de stick vast, en vooral: zo stop je een bal zónder je enkels te breken. Nadat de basis is uitgelegd, worden ze zonder pardon voor de leeuwen gegooid. Ze mogen direct meedoen met de partijtjes.
Wanneer de groep in vier teams wordt verdeeld voor partijtjes op een half veld, trekt nieuweling Kevin een sprint om een bal te halen die over de zijlijn is gerold. Hij is technisch onbeholpen, maar zijn inzet is tomeloos. Hij puft als hij weer in positie staat. “Het is mooi dat je hier direct zo wordt betrokken,” zegt hij even later, terwijl hij het zweet van zijn voorhoofd veegt. “Ze spelen me gewoon aan. Vaak raak ik die bal dan vrijwel meteen weer kwijt. Maar dat weerhoudt ze er niet van om de bal later gewoon wéér naar mij te spelen. Ook als ik de bal weer verspeel.”
Aan de rand van het veld staat Hein. Hij is 61 jaar oud, de senior van het gezelschap, maar onder zijn sportpetje fonkelen scherpe ogen. Zijn fitte bouw verraadt een leven lang sporten, en over het veld beweegt hij moeiteloos mee met veel twintigers. Hein is een van de oprichters van Pink Lions. Terwijl hij de jonge honden over het veld ziet razen, blikt hij terug op 2002. Toen nog onder de naam van Pink Hockey, reisde een kleine groep Nederlanders af naar een Lhbti-toernooi in het Australische Sydney.
Het concurreren tegen internationale teams was prachtig, maar dat was niet het enige. Er ontstond een wens om dat gevoel – hockeyen in een omgeving waar je voor de volle honderd procent jezelf kon zijn – mee te nemen naar huis. Een gemeenschap onder het mom van sport.

De stick van je zus
Lu weet daar alles van. Hij is een begenadigd hockeyer die jarenlang in de Nederlandse subtop heeft gespeeld. Daar voelde hij zich ondanks zijn talent echter nooit echt thuis.
“We hebben hier niet echt haantjes rondlopen,” zegt Lu. “Ik denk dat die constante geldingsdrang, die overdreven alfamannetjes-cultuur, echt iets is voor reguliere heteroteams.” Hij pauzeert even en leunt op zijn hockeystick. Het handvat is stevig ingepakt met knalroze tape. Het is een subtiel detail, dat buiten de hekken van dit veld vaak een ongewild doelwit blijkt te zijn.
Lu glimlacht schamper als hij erover vertelt: “‘Heb je de stick van je zus meegenomen?’, kreeg ik weleens naar mijn hoofd geslingerd tijdens een wedstrijd tegen een heteroteam.” Hij haalt zijn schouders op, alsof hij het van zich af laat glijden. Het zijn precies die opmerkingen verpakt als ‘kleedkamerhumor’ die maken dat de segregatie zoals bij Pink Lions plaatsvindt. “Dat is de reden,” zegt hij, “dat veel jongens zich hier gewoon veel fijner voelen. Je hoeft niet constant op je hoede te zijn.”
“Je hoeft hier niet constant op je hoede te zijn.”

Warme chocomel
Na anderhalf uur rennen in de vrieskou stopt de partijvorm. De schaterlachen zijn nog altijd even luid als bij de warming-up. Geen woede over een verloren oefenpotje, geen gefrustreerde blikken richting de onervaren nieuwkomers. De stadionlampen doven met een harde klik.
Dat de snelle stoomcursus over het heelhouden van je ledematen aan het begin van de avond overigens geen overbodige luxe was, blijkt als het team het veld afloopt. Mike hinkelt met een pijnlijk gezicht richting de kantine. Hij heeft daadwerkelijk een harde bal vol op zijn enkel gekregen. Al lacht hij de pijn vakkundig weg.
In het sportcafé naast het veld staan dampende bekers warme chocomel op de tafel. Er wordt nagepraat over het werk, over de blunders op het veld en de plannen voor het weekend. Er klinken nog wat bezorgde en plagerige grappen over de pijnlijke enkel van Mike, gevolgd door een reeks schouderkloppen.
Na een klein uurtje waaieren de meeste Pink Lions tussen de donkere silhouetten van torenflats langzaamaan uit over de fietspaden terug naar huis. Met de geruststellende wetenschap dat er tenminste één plek is waar zij altijd ongegeneerd de bal mogen kwijtraken.





