Zullen we samen stampen?

Op de vooravond staat er nog iets bijzonders in de agenda. Herman van Veen treedt op, in de grote zaal van TivoliVredenburg. Voor twee aanwezigen een afscheidstour. Voor Herman van zijn carrière, voor Ries van zijn oude vertrouwde leven. Een bizar toeval. Een verschil van 7 jaar zit er tussen de mannen, alleen staat de een nog met volle energie op het podium, terwijl de ander verwonderd, en met een tikkie jaloezie, toekijkt.

Marinus Johannes Mobach, alias Ries, geboren en ook absoluut getogen Utrechter. Roepnaam afkomstig van de lievelingsoom van zijn moeder, Zacharias. Opgegroeid in Utrecht Noordwest, aan de randen van de Amsterdamse Straatweg. De enige uitstap naar een andere stad, was studeren in Amsterdam. Een verstandige keuze, want daar ontmoette hij de moeder van zijn kinderen, Fransje. Samen trokken ze, na de studie, in een klein diensthuisje in Blauwkapel. De voeten bleven in Utrecht op de grond staan. Bij de tweede, van de uiteindelijk drie, zoons vertrok het gezin naar een nieuwe rijtjeswoning in het zojuist opgedoemde Overvecht. En dat was dat, dat werd de basis, dat werd thuis. En dat bleef het, tot nu dan.

Kijkend naar de kroon, gemaakt voor zijn verjaardag gebleven als geheugensteuntje, in de kast valt te zien dat de 86 al is aangetikt. De afgelopen zes jaar is Ries veranderd. Puzzels vallen uit elkaar, de stukjes rennen weg. Gedachten worden verscheurd. Identiteit wordt door het lot getart. Want wie blijft erover, als het karakter verdwijnt? Hoe ga je van een schooldirecteur, naar de man die de gezamenlijke woonkamer vreest?

Zaterdagavond, 22 juni, stipt om 20.00 uur huppelt Herman het podium op. Klappende handen vullen de immense zaal. De eerste noten volgen direct. Een glinstering springt in Ries zijn ogen. Wie Herman exact is, al sla je hem dood, maar de muziek raakt hem direct. Met volle bewondering wordt elk woord gehoord en beluisterd. De liedjes komen af en toe dichter dan ooit. Het concert gaat gebukt onder een schaduw. Zelf voelt hij dat ook. Er komt een wending aan, een ander leven. Wat precies? Daar probeert hij de godganse avond zijn vinger op te leggen. Het lukt maar niet, maar misschien is dat maar beter ook.

Waar hebben jullie het nu over? Ik volg het niet meer.
Dat geeft niet lief, we hebben het over de Sjanghaidreef.
Welke dreef?
De dreef waar je vijfenvijftig jaar hebt gewoond. Samen met Fransje, waar je de jongens groot hebt gebracht? Aan de rand van Overvecht. Pure verwarring glijdt over zijn hoofd.
Nee, dat zegt mij niks, heb ik daar gewoond?
Ja, vijfenvijftig jaar, eerst met Fransje, en de laatste achttien jaar samen met mij. Daar waar je over de brug heen de polder in kon fietsen? Fietsen. Herkenning van het huis was er niet, van het fietsen wel. Elke dag stapte hij de fiets op. Vroeger op klassieke stadsfietsen, de laatste tien jaar bewoog hij voort op eentje voorzien van een motor. Constant dezelfde route. Recht door de polder, want met die rechte fietspaden kon je zo lekker doorfietsen.

In de grote houten zaal van Tivoli gesitueerd naast Ries zat Renate, gehuld in een voor haar kenmerkend dieprode outfit. Zijn partner van de afgelopen twintig jaar. Een vergroeiing van twee levens die al langer om elkaar heen cirkelden. Begonnen als gezelschap met twee stellen gewikkeld in een vriendschap. Twee partners vielen weg, waardoor de achtergebleven twee naar elkaar toe groeiden en steun vonden bij elkaar. Uitgebloeid tot een nu al twintig jaar durende relatie, waarin zorgdragen voor elkaar een basisprincipe bleek te zijn. Renate, de bonus-oma voor Ries zijn kleinkinderen, en voor Ries de bonuszorg die hij blijkbaar zo nodig had. Hij neemt die zorg allesbehalve voor lief. Meer dan eens draait hij naar haar toe, help mij is lief ik ben het kwijt. Om vervolgens naar een gast te draaien om toe te geven dat zij echt alles weet. Zonder zijn lief waren er al meer breinflarden weggewaaid. Renate vist ze terug, en helpt Ries bij te blijven in zijn eigen gedachten.

Kaartjes voor het concert had Ries vorig jaar al als cadeautje gekregen, van zijn jongste zoon, toen niet wetende wat de agenda nu zou zijn. Gesitueerd in het midden van de zaal, op rij negen, felbegeerde plekken. Gezien de absurde speling van het lot had Ries zijn jongste kleindochter, Lieke, vandaag ook nog een ticket weten te bemachtigen. Een plekje goed weggepropt aan de zijkant van het podium. Als alle bezoekers op rij 1 tot en met 8 goed stilzaten, was het oogcontact tussen opa en kleindochter perfect. Zigzaggend door de hoofden heen werden er kleine glimlachjes uitgewisseld tussen de twee. Soms zelfs stiekem een kleine zwaai, als de voorliggende hoofden echt goed uitgelijnd waren.

De hele ochtend kampt Ries al met hoofdpijn. Drukkend met zijn wijsvinger midden op zijn hoofd vraagt hij hoe dat nou toch kan.
Waarom doet dit zo’n pijn? Hier zit het, kijk, hier precies bovenop. Het doet toch zo’n pijn.
Ries, lief, het is oké, probeer positief te zijn, Lieke is er, wees positief voor haar.
Dat lukt niet, echt niet, ach, waarom heb ik dit nou?
Stamp maar met je voeten, laat het bloed daar heen stromen. Weg uit je hoofd.
Stampend met zijn voeten kijkt Ries verontschuldigend richting zijn kleindochter die even was langsgefietst voor een bakkie koffie.
Het is oké, oops, ik snap dat je pijn hebt, zullen we samen stampen?
Samen stampen ze tot de vloer zachtjes trilt.
Ik ga toch maar even liggen.

Na tien minuten platte rust op bed, en luisterend naar het gesprek aan tafel dat dient als fijne afleiding, wordt er op de deur geklopt. Drie korte klopjes. Renate kijkt direct teleurgesteld, verwachtend dat de constant humeurige buurvrouw voor de deur staat. De medebewoner die vanachter haar vertrouwde rollator altijd komt polsen waarom iedereen de godganse tijd toch zo boos is op haar. Dat zijn we niet, we zijn niet boos, ga maar terug naar uw kamer, alles is goed. Nee nee, ik zie het aan je hoofd, geef maar toe. Dag mevrouw, tot zo bij de lunch.

Als de deur dan voorzichtig open glijdt is het toch niet de chagrijnige buurvrouw. Jacoba Maria Francisca! Ries rijst, voor zijn doen, snel op van het met een paarse Iraanse bedsprei versierde bed, om de gast met open armen te ontvangen. Een voorzichtige glundering siert zijn gezicht, maar ook een lichte verwarring, want wie was de lange man die mee naar binnen stapte ook alweer? Een zorg voor later, eerst zijn armen vullen met Jacoba. Een hartelijke lach ontglipt beiden tijdens de omhelzing. Wat een heugelijke verrassing hè, zegt Jacoba, voor familie beter bekend als Cootje. Een tengere enthousiaste vrouw, die je omhelst alsof je haar bloedeigen dochter bent. We kwamen toch over Utrecht, dus wilden even komen kijken bij je. Jacoba Maria Francisca, ik vind het buitengewoon. Door haar hele naam te blijven opzeggen, probeert Ries onbewust zijn kennis tentoon te stellen. Hij toont dat hij het heus wel weet, wie deze vrouw in zijn armen is. Zijn zus. Zijn jongere zusje. In een gezin van zeven, het zusje dat Ries opvolgde in het ledikantje. Voor hem zit Cootje nog vers in het geheugen. In zijn gedachten was het gisteren nog dat hij door de Amsterdamse Straatweg sjeesde met Cootje achter op de fiets.

De levenstijdlijn van Ries is opgevouwen in zijn hoofd. Waar het ooit een chronologische rode draad aan herinneringen was, is er nu een muizentrapje ontstaan. De tijdlijn is opgepropt waardoor gisteren ook wel het jaar 1950 kan zijn. Ries zijn hedendaagse gedachten zijn de twaalfjarige Marinus, fietsend door de Straatweg, waar Utrecht Noordwest zijn thuisbasis is.

Hij kende alles hè, vertelt Wim, de lange man die achter Cootje de kamer in stapte, elk groot en klein gebouw in Utrecht. Hij kon je de geschiedenis vertellen van elke donkerbruine Utrechtse baksteen, en tróts dat hij dan was. Stiekem had hij stadsgids moeten worden. Een beroep dat hij kort tot bloei had laten komen op zijn tachtigste verjaardag, waar hij zijn familie, kinderen én kleinkinderen, meenam op korte tocht door de stad. Om de plakkende herinneringen nog gauw over te hevelen naar de volgende generaties. Zodat zijn Utrecht ook hun Utrecht zou worden.

Tijdens een wandeling vanuit de nieuwe woonplek, midden in de vertrouwde stad, voelt alles bekend. Als een eregast wordt Ries in de rolstoel door zijn stad gereden.
Zie hier, hier links. Rijdend door de Springweg springt er een herinnering op.
Ja kijk. Wijzend met een in een handschoen gehulde vinger, duidt Ries naar wat nu een studentenhuis annex Orthodoxe Parochie blijkt te zijn.
Hier had ik gymnastiekles, één keer in de week.
Dwalend door steegjes en binnentuinjes doemt de Haverstraat op.
Renate, lief, kan je even aanwijzen waar jij ook alweer gewoond hebt, want dat weet ik niet meer precies. Een herkenning van de straat was er dus blijkbaar wel.
Verder rollend springt de Domtoren in beeld. Een trotse toren waar een immense bewondering voor is. Laten we even aan de overkant van het plein gaan staan, stelt Renate voor, dan heeft hij beter zicht. Ries valt stil. Het uitzicht op de kenmerkende toren is mogelijk te confronterend. Hij voelt de hand van zijn kleindochter op zijn schouder en draait blij naar haar toe. Woorden volgen niet, gewoon een grote lach. Als we nu terug wandelen, dan is hij nog op tijd voor de lunch. Renate voert het wandelgroepje door een doolhof aan straatjes, waardoor zelfs rolstoelbestuurder het noorden even kwijt is. Ries niet. Daar is de singel, de handschoenvinger rijst weer op. En hij had nog gelijk ook.

Na een toegift, en nog een toegift omdat het publiek zó enthousiast is, neemt het oorverdovende applause af en loopt de zaal langzaam maar zeker leeg. Tijd om naar huis te gaan. Kleindochter Lieke voegt zich bij het gezelschap en vraagt aan Ries wat hij vond.
Het was buitengewoon, enig, godsie, echt klasse.
De avond is om, en het is tijd voor de laatste nacht in het oude leven. Morgen is de verhuizing, de laatste verhuizing. Naar het gasthuis midden in zijn eigen stad. Een eervolle plek, voor de echte Utrechter.

Wat na vanavond blijft hangen is de melodie die door de boxen kwam zweven, en de stem van Herman die eroverheen vloeit. Het was een lied dat voor deze avond gewoon een lied was, maar opeens betekenen de woorden veel meer. De melodie en tekst schuren ietwat, maar het verdriet komt net zo hard binnen. Want het is echt kwijt, en dat laat de wereld toch echt even stilstaan.

Als, ‘dat kan niet waar zijn’
Waar wordt
Je wereld stilstaat en toch doordraait
Je met een mond vol tanden niet meer stoppen kunt
Met praten

Als, ‘dat gebeurt alleen bij anderen’
Jou gebeurt
Je niet de koek krijgt, maar de gard
De spoken in je hoofd met hun vragenlijstjes komen

Je nuchtere verstand verhuist
Naar de kamers
In je hart
‘T laat zich niet verklaren
Of kan begrepen worden
Kwijt, is kwijt, is kwijt

Niets helpt op dat moment
Geen troost, geen God, geen tijd
Kwijt, is kwijt, is kwijt