Een nieuw seizoen komt eraan, tijd voor die grote kledingkast opruimsessie die je al enige tijd voor je uitschuift. Die sessie leidt tot tassen vol kleding die je eigenlijk niet meer draagt. Wat doe je ermee? Waarschijnlijk doneer je het aan het goede doel. Voelt mogelijk als een oplossing, maar is dat het ook? Want komt het eigenlijk wel terecht op de juiste plek?
Sinds 1 juli is ons nederige landje het tweede Europese land waar modemerken zelf verantwoordelijk worden gehouden voor het textielafval uit eigen productie. Dit doormiddel van de ‘Uitgebreide Producentenverantwoordelijkheid’ wet. Acht jaar geleden ging Frankrijk ons al voor. Kledingmerken moeten zich gaan registreren, en worden daarmee verantwoordelijkheid gehouden voor het inzamelen, sorteren, recyclen en verwerken van hun textielafval. Al die zaken zijn nu op het bordje van de bedrijven zelf terecht gekomen. Het probleem naar een ander schuiven is verleden tijd, of dat is in ieder geval de bedoeling. Het klinkt als een stap in de goede richting, maar het handhaven van dit beleid wordt vrij moeilijk. Is deze nieuwe UPV wet hét antwoord op de fashion afvalcrisis? Volgens Janine Röling, werkzaam bij Recycling Network Benelux, had de wet eerder moeten komen: ‘Als je ziet wat de klimaatimpact van textiel is, is het heel gek dat er vrij weinig regelgeving rondom bestond.’

Bron: Lieke Mobach
Wegwerpkleding
De fast fashion industrie heeft een stormloop genomen de afgelopen jaren. Fast fashion voorziet van veel snelle goedkope kleding van een matige kwaliteit. De nieuwe kledingcollecties vliegen je om de oren, en je hoeft maar twee keer te knipperen of je hebt een tas gevuld met gloednieuwe kleding. In de afgelopen twintig jaar is de productie én consumptie van kleding verdubbelt. De strategie van de fast fashion winkels is gebaseerd op snelheid, vernieuwing, een bloeiende economie en trends die voortdurend veranderen. De snelheid van deze industrie maakt het willen en hebben van de ‘must haves’ stukken makkelijker en sneller. Wegwerpkleding, want dat is het in essentie, wordt zo goedkoop mogelijk aangeboden, zodat de verleiding te groot is om niet toe te slaan. Die lage prijzen zijn mogelijk door onder andere de productie plaats te laten vinden in landen met lage arbeidskosten, maar ook door het productieproces volledig niet duurzaamheid te laten gebeuren. Deze industrie gebruikt jaarlijks 79 miljard kubieke meters aan water, dat is ongeveer 20% van de waterconsumptie van over de hele wereld. Er komt zo ongeveer 1,7 miljard ton CO2 vrij en het produceert 92 miljoen ton aan textiel afval, elk jaar. Dit maakt de fashion industrie een van de grootste bijdrages aan de vervuiling van de wereld. Doordat de kleding zo goedkoop is, en van vrij slechte kwaliteit wordt gemaakt, voelt het voor de consument aan als ‘wegwerpproducten’, dit leidt tot een hoge mate aan textielafval.
Eerdere beleid
Wat er met dat textielafval gebeurt, is nooit écht aan banden gelegd. Vaak wordt het probleem heel makkelijk uit het zicht geschoven en bij een andere partij opgezadeld. De hoeveelheid afgedankte kleding die Europa naar met name Azië en Afrika exporteert, is deze eeuw verdrievoudigd. Dat blijkt uit een rapport van de European Environment Agency. Maar ook in deze continenten komt het niet van pas, dus in feite wordt er geen kleding geëxporteerd, maar een afvalprobleem. In het rapport wordt bevestigd dat de perceptie van kleding doneren niet altijd voldoet aan wat er daadwerkelijk mee gebeurt.
Nederlanders doneren jaarlijks 135 duizend ton aan textiel in de doneerbakken. Na dit doneren, vindt er een sorteerproces plaats. Na het sorteren wordt het merendeel doorgesluisd naar sorteercentra in Oost-Europa. Daar vindt wederom een selectie plaats, alles van goede kwaliteit blijft daar, de rest wordt verscheept. Janine Röling legt uit hoe het werkt: ‘Alles wat mooi is, dat blijft vaak wel in de buurt. Maar eigenlijk alles wat overblijft, wat niemand hier in Nederland, niet hier in Europa wil hebben, dat wordt geëxporteerd. Waar wij niks aan hebben, waar wij geen zin meer in hebben, dat dumpen we gewoon ergens anders ter wereld.’ De producten worden gefilterd op kwaliteit, en doorgesluisd als deze te laag is. ‘Het ergste is dat er wordt gezegd dat wij het hebben geëxporteerd onder de noemer ‘hergebruik’, maar daar waar het terecht komt wordt het niet hergebruikt. Het is dan out of sight out of mind. Op die manier verschepen we gewoon ons probleem.’
Merendeel van het textielafval wordt dus verscheept, naar onder andere Afrika. En dan met name naar Ghana. Volgens OEC, the Observatory of Economic Complexity, staat Ghana bovenaan de lijst van geïmporteerd textiel. Van de volledige handelswaarde van gebruikt kleding, in totaal 5,17 miljard dollar, kan er 4,13% worden toegeschreven aan Ghana. Met name in Accra, de hoofdstad. Een locatie waar het vaak belandt, is de Kantamanto Market. Dit is de grootste tweedehandskleding markt van Ghana. Maandelijks komen er circa 25 miljoen kledingstukken binnen op de markt, ongeveer 40% hiervan eindigt als afval. Volgens Linda Valkeman, werkzaam bij de ngo ‘The OR Foundation’ dat zich inzet voor de verbetering van de Kantamanto Market, kan de stad dit soort hoeveelheden niet aan: ‘Er is wel een afvalbeheerbedrijf, maar zij kunnen niet dealen met de capaciteit aan afval dat er verwerkt moet worden. Wat niet gebruikt kan worden, verlaat de markt direct als afval. Via informele dumpplekken of de goot, eindigt het uiteindelijk op het strand of in nabijgelegen wijken.’

Bron: Lieke Mobach
UPV-Wet
Sinds juli wordt het textielafval dus wél langzaamaan aan banden gelegd, aan de hand van de Uitgebreide Producentenverantwoordelijkheid, de UPV. Het principe van een producentenverantwoordelijkheid bestaat al enige tijd, voor best wat productgroepen. De bekendste is plastic, daar zijn we allemaal bekend mee door het statiegeldsysteem. Daarnaast onder andere ook voor autobanden, elektronische apparaten, batterijen, en het lijstje kan doorgaan. Het doel is de producent verantwoordelijk maken voor de gehele keten van hun product, dus inclusief de afvalfase. Röling legt uit: ‘Op het moment dat het product afgedankt wordt, dan wordt de producent financieel verantwoordelijk voor de inzameling en verwerking van dat product.’ Let op het woordje ‘financieel’, want dat is de kern van die verantwoordelijkheid. Wat er in feite gebeurd is dat er een producentenorganisatie wordt opgericht. ‘Dat is een organisatie die namens de individuele producenten de doelstellingen van de wet halen, in ruil daarvoor betalen alle aangesloten bedrijven een bedrag’, vult Röling aan.
De doelstellingen van de wet, ingaand per 2025 en elk jaar oplopend, zijn als volgt: er moet ten minste 50% van het textielgewicht worden voorbereid voor hergebruik of gerecycled. Ook moet minstens 20% van het gewicht moet worden voorbereid op hergebruik, hiervan moet ten minste 10% hergebruikt worden in Nederland. Tot slot moet er vanaf 2025 20% van het ingezamelde textiel zo worden bewerkt dat de textielvezels opnieuw worden toegepast in materialen voor kleding of huishoudtextiel. Dit valt onder de term ‘vezel-tot-vezelrecycling’. ‘Dat is heel belangrijk, om de grondstofafhankelijkheid te verminderen. Dat is best wel een ingewikkelde theorie, die ook nog een beetje in de kinderschoenen staat. Maar dat vereist dat het bedrijf het T-shirt zodanig in elkaar zet, dat het aan het einde van het leven weer uit elkaar gehaald kan worden. Als je dat combineert met de fast fashionindustrie, dat is super moeilijk. Hier wordt alles zo in elkaar gezet, dat het na vijf keer wassen uit elkaar valt.’
Eén land ging ons al voor, Frankrijk, zij regelen het op een ietwat andere manier. Binnen de UPV wet zoals Nederland die heeft ingesteld, betalen de producenten een afvalbeheersbijdrage aan de producentenorganisatie. In Frankrijk is deze bijdrage te verminderen, aan de hand van de ‘ecomodulatie’. Stel, je betaalt als bedrijf 1 euro per kilo afval, dan kan je als bedrijf zijnde deze verminderen door een product te maken die makkelijk uit elkaar te halen is of langer meegaat, dan betaal je bij wijze van spreken nog maar 80 cent. Deze modulatie geeft een prikkel om meer duurzame producten te maken. ‘Ook hier zitten natuurlijk haken en ogen aan, want die 20 cent verschil is vaak ook niet genoeg om echt die prikkel te veroorzaken. Maar het is wel een goed voorbeeld om naar toe te gaan, een financiële prikkel’, legt Röling uit.
Gaat het werken? ‘We kunnen niet zeggen, oké we hebben nu een UPV-systeem, maar ondertussen gaan we net zo hard blijven produceren, dat kan niet. Dus er zal denk ik ook een Europees beleid moet komen om echt in te zetten op die preventie in het productieproces.’ Daarnaast geeft Röling aan twijfels te hebben over de handhaving, want een echte boete is er ook niet. ‘Je zou moeten kunnen zeggen, je hebt het [de doelstellingen] niet gehaald, je krijgt een boete. En als de wet echt goed in elkaar zit, dan moet je dat kunnen handhaven. In de praktijk gebeurt dat niet zo vaak, dan zeggen ze gewoon ‘oh je hebt het niet gehaald, wat ontzettend jammer.’
Data verantwoording
De data die ten grondslag liggen aan deze analyse zijn afkomstig van ‘The Observatory of Economic Complexity’ (OEC), een online platform dat zich richt op de visualisatie en analyse van economische activiteiten op wereldniveau. OEC staat bekend als een betrouwbare bron voor economische gegevens. Voor dit specifieke onderzoek hebben is er gericht op economische gegevens met betrekking tot ‘gebruikte kleding’ en zijn er gegevens verzameld en geanalyseerd voor het jaar 2021, aangezien dit het meest recent beschikbare jaartal was voor dit specifieke onderwerp.
Onze dataselectie omvatte een lijst van landen en hun respectievelijke handelswaarden met betrekking tot ‘gebruikte kleding’. Deze gegevens zijn geordend op basis van de handelswaarde, waarbij de landen zijn gerangschikt van de laagste naar de hoogste handelswaarden. Vervolgens is er een draaitabel gecreëerd in Microsoft Excel om de percentages te berekenen van de totale handelswaarde van gebruikte kleding die aan elk land is toegewezen. Deze percentages zijn berekend ten opzichte van de totale handelswaarde van gebruikte kleding wereldwijd.
Uit onze analyse is naar voren gekomen dat Ghana de hoogste handelswaarde heeft met betrekking tot gebruikte kleding en daarmee de grootste importeur is. De draaitabel heeft het in staat gesteld om duidelijk de verdeling van percentages per land vast te stellen en zo te identificeren welke landen de hoogste handelswaarden binnen deze specifieke markt vertegenwoordigen.
Er zijn echter enkele beperkingen en overwegingen die we moeten benadrukken. Ten eerste betreffen de gegevens het jaar 2021, wat betekent dat deze informatie twee jaar oud is op het moment van deze analyse. Recentere gegevens waren niet beschikbaar, en daarom is onze analyse gebaseerd op de best beschikbare informatie.
Een andere uitdaging betreft het begrip ‘trade value’ in deze context. Het kan een complex begrip zijn, vooral voor degenen zonder voorkennis van internationale handelsstatistieken. De handelswaarde van gebruikte kleding wordt berekend op basis van de handelswaarde per kilogram van dit specifieke product. Hierdoor kan het begrip voor sommigen verwarrend zijn, en het vereist een zekere mate van inzicht in de specifieke rekenmethodologieën die worden gehanteerd.
Ondanks deze uitdagingen is de data afkomstig van OEC de meest representatieve en beschikbare bron voor dit specifieke onderwerp.