OnAir

Selecteer Pagina

Factcheck: Gaat het ervaren van emotionele problemen bij pubermeisjes ‘gewoon’ gepaard bij de puberteit?

Factcheck: Gaat het ervaren van emotionele problemen bij pubermeisjes ‘gewoon’ gepaard bij de puberteit?

Op 21 september 2026 verscheen het nieuwe HBSC-rapport (Health Behaviour in School-aged Children). Daaruit bleek dat pubermeisjes het slechter naar hun zin hebben op school en aanzienlijk vaker kampen met emotionele problemen dan jongens. In een artikel van NU.nl werden deze cijfers geduid door verschillende experts. Hoogleraar pedagogiek Loes Keijsers relativeerde de uitkomsten: “Is dat niet supernormaal als puber?”. Maar is die uitspraak kloppend? 

Wat doet de puberteit met een meisje?

In de puberteit vinden grote hormonale, cognitieve en sociale veranderingen plaats in het lichaam van een kind. Meisjes worden gevoeliger voor sociale afwijzing en gaan op zoek naar hun identiteit. Daarnaast is het hersengebied dat emoties reguleert nog niet volgroeid bij deze pubers. Internationaal onderzoek naar prikkelbaarheid bij jongeren bevestigt dat dit tot op zekere hoogte normaal is: op elk gegeven moment is ruim de helft van alle kinderen en jongeren weleens prikkelbaar, en heeft zo’n 28 procent dit vaker structureel, zonder dat daar een stoornis achter zit (Copeland et al., 2015). Ook Gea Schouten, die het afnemen van de enquêtes al jarenlang overziet , herkent dat beeld: ‘Hormonen doen ook van alles, dat stukje hoort gewoon bij. Jezelf ontdekken en het af en toe ook een beetje moeilijk hebben met de vraag, wie ben ik nou. Dat hoort nou eenmaal bij puber zijn.’ Dat incidentele stemmingswisselingen bij deze leeftijdsfase horen, is dus zowel wetenschappelijk als in de praktijk goed te onderbouwen.

Hoe verhouden de cijfers zich tot eerdere jaren?

Het beeld wordt genuanceerder zodra je naar de trend kijkt. Het percentage meisjes dat zich minstens twee keer per week niet goed voelt, schommelde tussen 2001 en 2017 twintig jaar lang tussen de 35 en 46 procent. Daarna volgde een forse sprong: In 2021 steeg het naar 62,5 procent, en dat niveau is in 2025 nauwelijks gedaald (61,3 procent). De studie van Copeland et al. (2015), laat bovendien zien dat dit soort klachten doorgaans afneemt met de leeftijd, ook verschilt dat niet tussen jongens en meisjes. In tegenstelling hiervan laat het HBSC-rapport juist zien dat meisjes in 2025, net als in 2021, op vrijwel alle onderdelen van mentale gezondheid structureel minder gunstig scoren dan jongens. Gea wijst hierbij op een verklaring vanuit de enquêtafname zelf: ‘Jongens beantwoorden de vragen gewoon ook anders dan een meisje, er zijn kopverschillen tussen jongens en meisjes.’ Meisjes uiten klachten volgens haar vaker naar binnen. Ze piekeren en ervaren somberheid, terwijl jongens vaker naar buiten gericht gedrag laten zien. Daarnaast komen meisjes gemiddeld eerder in de puberteit. Dat verklaart voor een deel het aanhoudende sekseverschil, maar niet de plotselinge, forse stijging sinds 2021. Zelf ziet Gea die stijging als iets wat verder gaat dan alleen puberteitsgedrag: ‘Wij denken dat de mentale gezondheid van de jeugd zeker wél een verandering laat zien. Sinds 2021 zijn de psychische klachten wel een heel groot stuk gestegen, en dat is best hoog gebleven ook.’

Klopt de ‘super normale’ uitspraak van Keijsers over emotionele klachten van pubermeisjes?

Keijsers heeft dus gelijk dat incidentele emotionele klachten van oudsher bij de puberteit horen en dat een hoge score op een vragenlijst geen diagnose is. Maar de sprong sinds 2021, het feit dat vooral meisjes dit laten zien terwijl internationale normdata geen sekseverschil voorspellen, en de erkenning van Gea dat er daadwerkelijk veranderingen zijn in de afgelopen jaren wijzen erop dat het huidige niveau geen duidelijk kenmerk van de puberteit is. Het woord “supernormaal” suggereert een constante, terwijl de cijfers juist een recente, forse toename laten zien.

De uitspraak van Loes Keijsers klopt dus deels. Dat meisjes in de puberteit kwetsbaarder zijn voor emoties en zich vaker minder goed voelen, is inderdaad aan de cijfers af te lezen en wetenschappelijk verklaarbaar. Maar de hoogte van het percentage dat zich structureel minstens twee keer per week slecht voelt, en vooral de snelle stijging sinds 2021, wijzen niet op iets dat altijd al zo was. Het woord “supernormaal” dekt daarmee niet volledig wat de cijfers laten zien: deels normaal puberteitsgedrag, deels een reële, recente verslechtering.

Over de auteur

Meike Verdoorn

Ik ben Meike Verdoorn, 21 jaar. Student journalistiek aan de Hogeschool Utrecht. Ik heb een zeer brede journalistieke interesse met een specifieke interesse op de mens en maatschappij. Mijn doel is om mensen te interesseren en inspireren met mijn producties.