Hieronder een uitspraak van Lisa Loeb, zij is een bekende Nederlandse cabaretier, schrijfster en presentatrice. Dit bericht is als kritiek bedoeld op de opening van de Renaissanceschool van de FVD. Maar laten we even focussen op het stukje ‘er is geen wetenschappelijk bewijs dat jongens en meisjes hersenen dusdanig verschillen dat ze anders onderwijs nodig hebben.’
‘Deze week opent in Almere de nieuwe Renaissanceschool van Forum voor Democratie waar jongens en meisjes aparte leertrajecten zullen krijgen vanwege zogenaamde ‘biologische’ verschillen. Heel bizar. Want er is helemaal geen wetenschappelijk bewijs dat jongens en meisjes hersenen dusdanig verschillen dat ze anders onderwijs nodig hebben. Jongens gaan volgens de Forumschool ‘competitief’ leren en meisjes ‘coöperatief’.’
Grotendeels waar, maar de uitspraak is te absoluut
Dat jongens en meisjes gemiddeld verschillen, staat niet ter discussie. Zo zijn mannelijke hersenen gemiddeld ongeveer tien procent groter dan vrouwelijke hersenen. Maar volgens de Onderwijsraad betekent dat niet dat jongens daardoor ook andere cognitieve mogelijkheden hebben. Op het gebied van hersenontwikkeling en vaardigheden zijn de verschillen over het algemeen klein en is er veel overlap tussen de groepen.
Ook onderzoek naar de ontwikkeling van rekenvaardigheid wijst niet op fundamenteel verschillende hersenen. In een studie uit 2019 onderzochten onderzoekers van de Carnegie Mellon University en de University of Chicago de hersenactiviteit van 104 kinderen tussen de drie en tien jaar oud tijdens het bekijken van educatieve rekenvideo’s. De onderzoekers vonden geen significante verschillen in de ontwikkeling van de hersenen van jongens en meisjes. Ook gebruikten beide groepen dezelfde hersengebieden tijdens het leren van rekenen.
Dat betekent niet dat er helemaal geen gemiddelde verschillen bestaan. Een grote meta-analyse naar verbaal werkgeheugen vond bijvoorbeeld een zeer klein voordeel voor meisjes. Bij sommige taken waren er echter geen verschillen en bij één type taak was er een klein voordeel voor jongens. Zulke gemiddelden zeggen bovendien weinig over individuele kinderen.
Ander onderwijs
Juist dat laatste is belangrijk voor de vraag of jongens en meisjes ander onderwijs nodig hebben. Een gemiddeld verschil tussen de twee groepen betekent niet automatisch dat je het onderwijs anders moet inrichten. De verschillen tussen individuele leerlingen zijn vaak groter dan het gemiddelde verschil tussen jongens en meisjes.
Dat sluit aan bij de visie van Frans Hiddink, Associate Lector Dialogisch Leren van NHL Stenden op het gebied van taal, leren en interactie tussen leerlingen in het onderwijs. Volgens hem moet een leraar vooral kijken naar het kind dat voor hem zit en niet naar aannames over jongens of meisjes. ‘Kinderen verschillen individueel. Sekse is maar één variabele.’ zegt Hiddink.
Hiddink benadrukt dat dit volgens hem niet betekent dat leraren bewust onderscheid maken tussen jongens en meisjes. Juist de subtiele verschillen in de dagelijkse interactie kunnen volgens hem van invloed zijn. Zoals ook uit het onderzoek van Baker naar voren komt, krijgen jongens bijvoorbeeld vaker vragen die meer denkwerk en verdieping vragen. ‘Het gaat er niet om dat je jongens en meisjes precies hetzelfde behandelt, maar dat je je bewust bent van de verwachtingen die je van een leerling hebt en van de kansen die je hem of haar geeft,’ aldus Hiddink. ‘Als je steeds dezelfde leerlingen de complexere vragen stelt, kan dat verschil in ontwikkeling uiteindelijk groter worden.’
Hij verwijst naar onderzoek van Dale R. Baker, ‘teaching for gender difference’. Waaruit blijkt dat jongens bij rekenen en andere bètavakken vaker complexere vragen krijgen dan meisjes. Daardoor kunnen verschillen in prestaties deels ontstaan of worden versterkt door de manier waarop kinderen worden benaderd.
Gemiddelde verschillen
Toch zijn er ook publicaties waarin wordt gesteld dat gemiddelde verschillen tussen jongens en meisjes relevant kunnen zijn in de klas. Zo beschrijft Leraar24, een platform voor onderwijsprofessionals, verschillen in voorkeursgedrag en leerbehoeften en geeft het adviezen om daar in de klas rekening mee te houden. Zo’n praktijkgerichte publicatie is echter iets anders dan wetenschappelijk bewijs dat jongens en meisjes een fundamenteel ander curriculum nodig hebben.
Daarmee raakt Loeb een belangrijk punt, maar haar formulering ‘er is geen wetenschappelijk bewijs’ is wel erg stellig. Er zijn wetenschappelijke aanwijzingen voor gemiddelde biologische en psychologische verschillen tussen jongens en meisjes. Tegelijkertijd laten grote overzichtsstudies zien dat jongens en meisjes op de meeste psychologische kenmerken meer op elkaar lijken dan van elkaar verschillen. En dat variatie in leerkrachtgedrag in interactie met kinderen vooral van invloed lijkt en voorkomt uit andere verwachtingen.
Conclusie
De geraadpleegde bronnen leveren geen overtuigend bewijs dat jongens en meisjes vanwege hun hersenontwikkeling structureel ander onderwijs of een apart curriculum nodig hebben. In die zin heeft Loeb in de kern gelijk.
Tegelijkertijd is de formulering dat er ‘geen wetenschappelijk bewijs’ is te absoluut, omdat de wetenschappelijke literatuur wel degelijk gemiddelde sekseverschillen laat zien. De overlap tussen jongens en meisjes is echter groot en individuele verschillen zijn voor het onderwijs minstens zo belangrijk. Het gaat daarom niet zozeer om de vraag of jongens en meisjes gemiddeld van elkaar verschillen, maar om de vraag in hoeverre die verschillen het onderwijs daadwerkelijk zouden moeten bepalen. Dus de uitspraak is deels onwaar.