“Bij ons is het elke week Kinderboekenweek”

Twee jaar geleden lieten de resultaten van internationaal onderzoeksbureau PISA het onderwijs op zijn grondvesten schudden: één derde van de Nederlandse 15-jarigen leest zo slecht dat ze moeite hebben met normaal functioneren in de maatschappij. Er moest iets veranderen, vooral daar waar lezen begint: op de basisschool. Wat is er sindsdien in de klaslokalen gebeurd?

Op Onze Amsterdamse School in Amsterdam-West schuiven tien leerlingen van groep acht hun stoelen aan wanneer hun juf Patty Roos Manhatan van Rob Ruggenberg openslaat. De geur van de gymles hangt nog om hen heen, maar zodra Patty begint te lezen, wordt het doodstil. Kinderen die net nog giechelend binnenkwamen, hangen nu aan haar lippen. Elke dag staat er minstens een uur lezen op het rooster: eerst een half uur voorlezen, daarna lezen de leerlingen zelf uit een van de tientallen recent uitgekozen boeken die aan de achterkant van het lokaal in houten kisten uitgestald staan. Geen vergeelde exemplaren die al decennia de ronde doen, maar titels die met zorg zijn uitgezocht. “Bij ons is het elke week Kinderboekenweek.”

Wanneer Patty een nieuw exemplaar van Albatros geschreven door Yorick Goldewijk uit haar tas haalt en vertelt dat ze nog maar een paar bladzijdes moet, weerklinkt er geroezemoes uit het klaslokaal. “Is het spannend juf?”, en, “mogen wij hem dan hierna lezen?” Hier is lezen geen verplicht nummer, maar iets waarnaar wordt uitgekeken.

Masterplan

Wat hier in Amsterdam-West gebeurt, is precies waar scholen, ouders en politici op hopen: een leesles die wordt gewaardeerd door de kinderen zelf. Om dat voor elkaar te krijgen, zette toenmalig onderwijsminister Dennis Wiersma (VVD) in 2022 het Masterplan Basisvaardigheden in gang. Dit moest de basisvaardigheden, waaronder rekenen, taal, burgerschap en digitale vaardigheden van kinderen en jongeren bevorderen. Vanuit dat plan kregen tot en met 2024 ruim 3.600 basisscholen subsidie van ongeveer €1000 per leerling, zo’n 61 procent van alle scholen. Het ministerie verwacht dat dit jaar 95 procent van alle leerlingen bereikt wordt. Omgerekend zijn dat ongeveer 5.700 basisscholen die inmiddels extra geld krijgen voor basisvaardigheden. In dit jaar kwamen daar dus zo’n 2.000 basisscholen bij. Het beleid reikt ver de klas in, maar de vraag is natuurlijk hoe effectief die eenmalige subsidies zijn op de lange termijn voor het leesplezier én daarmee ook de verbetering van taalniveau van Nederlandse jongeren.

Patty Roos ziet van dichtbij wat er nodig is om kinderen écht vooruit te helpen. “Een subsidie is fijn, maar daar kan je op de lange termijn niet op bouwen,” zegt ze. De aanpak vraagt volgens haar stabiliteit en vertrouwen. “Politici moeten zorgen voor continuïteit. Stop met telkens nieuwe projecten lanceren en laat scholen doen waarvan bewezen is dat het werkt.”

Moeilijke populatie

Op Onze Amsterdamse School (OAS) hebben veel leerlingen een taalachterstand, soms omdat thuis nauwelijks Nederlands wordt gesproken of ouders zelfs analfabeet zijn. Roos noemt de leerlingen van OAS dan ook de moeilijkste populatie die er is. De school koos daarom voor een radicaal andere aanpak. “We hebben geen taalmethode,” zegt Roos. “Taal is geen doel, maar een middel.” Leraren verdiepen zich zelf in wat werkt: wetenschappelijke inzichten, betere kinderboeken en themaweken waarin veel ruimte wordt vrijgemaakt voor praten over teksten binnen een bepaald thema. Roos leest zelf kinderboeken buiten werktijd en probeert met collega’s voortdurend nieuwe manieren uit om lezen aantrekkelijk te houden. Maar dit lukt niet binnen 40 uur in de week. “Ik denk dat ik zeker 7 uur per week overwerk. Maar dat kan haast ook niet anders als je doordrongen bent van de risico’s die kinderen lopen als hun leesniveau niet goed genoeg is.”

De effecten daarvan klinken terug in de klas. Leerlingen in groep 1 en 2 pakken sneller boeken op, in groep 3 leren kinderen sneller klanken en letters herkennen. Nieuwkomers uit andere scholen reageren soms verbaasd: “Wow, ze gaan gewoon lezen.” Dat is volgens Roos extra knap, omdat de woordenschat van haar leerlingen vaak veel lager ligt dan gemiddeld. Leesplezier is daarbij haar grootste graadmeter. “Zodra kinderen ontdekken dat een boek leuker kan zijn dan een filmpje, zijn we op de goede weg.”

Taalklasse

Ook in het Brabantse Best werd het leesonderwijs onder handen genomen. Op KC Antonius merkte lerares en taalcoördinator Gitte Jacobs-Van Veen dat leerlingen steeds minder gemotiveerd raakten. Thuis werd nauwelijks gelezen en in de klas bleef het vaak bij vluchtig scannen. “Ze misten gewoon veel informatie als ze een tekst lazen,” zegt ze. De school koos daarom twee jaar geleden voor Taalklasse: een aanpak die lezen niet los aanbiedt van praten en schrijven, maar juist als één geheel. In plaats van losse opdrachten duiken leerlingen wekenlang in hetzelfde thema en wordt dit thema verbonden met allerlei andere vakken verbonden, zoals aardrijkskunde en geschiedenis. Ze lezen samen, bespreken wat ze lezen, stellen vragen en verwerken alles in een eigen tekst. “Zo raken kinderen heel erg betrokken bij een verhaal,” zegt Jacobs-Van Veen.

Wat Taalklasse onderscheidt, is dat de methode is ontwikkeld met meer dan vijftig kinderboekenschrijvers én dat de omgeving van het kind actief wordt meegenomen. De aanpak wint terrein: volgens Taalklasse hanteren nu zo’n vijftig basisscholen in Nederland de methode. Ouders krijgen leestips en informatieavonden, en aan het einde van ieder blok presenteren de leerlingen hun werk in een zogenoemde meesterproef. “Als ouders veel lezen, doen kinderen dat ook,” zegt Jacobs-Van Veen. Door die samenwerking tussen school, kind en thuis zien de leraren dat kinderen zonder moeite boeken lezen die meer van ze vragen. “Negenjarigen lezen hier nu Odysseus. Ik had dat zelf nooit durven voorstellen,” zegt ze, “maar het lukt gewoon.”

Ook hier lijken de inspanningen effect te hebben. Leerlingen pakken vaker zwaardere boeken uit de kast en scoren hoger bij begrijpend lezen en AVI-testen (Analyse van Individualiseringsvormen). De school investeerde de subsidie uit het Masterplan Basisvaardigheden in een nieuwe en rijkere schoolbibliotheek, extra leestijd en scholing voor leraren. Het resultaat is vooral zichtbaar in houding: kinderen ontdekken welke boeken bij hen passen, lezen meer uit zichzelf en praten er met zichtbaar plezier over. “Dat leesvirus, dat slaat hier echt over,” zegt Jacobs-Van Veen.

Kwaliteitskloof

Onderwijsjournalist Aleid Truijens waarschuwt echter dat de voorbeelden van Onze Amsterdamse School en KC Antonius niet de norm zijn. “Er zijn altijd scholen die geweldig onderwijs geven,” zegt ze. “Maar het probleem is dat er óók veel scholen zijn die het niet goed doen.” Volgens Truijens verschilt de kwaliteit van leesonderwijs in Nederland enorm tussen scholen en zelfs tussen klassen. “Wat je hier ziet, is bevlogenheid. Leraren die weten wat ze doen. Dat mag je niet overal verwachten.” Dat succes hangt volgens haar vooral af van drie factoren: goede leraren, goede boeken en veel tijd om echt te lezen. “Dat is wat werkt. Niet weer een nieuwe methode, of een eenmalige subsidie.”

“Zolang goed leesonderwijs afhangt van een paar bevlogen leraren, blijft het kwetsbaar”, benadrukt Aleid Truijens. De komende jaren moeten blijken of scholen overal in Nederland de tijd, kennis en middelen krijgen en vrijmaken om hun leesonderwijs te versterken. Want de volgende PISA-resultaten, die in 2026 worden gepubliceerd maar al in het voorjaar van dit jaar zijn gemeten komen al snel dichtbij. De vraag is dan niet alleen wat er op papier is bedacht, maar wat er in de klas gebeurt en of kinderen – net als bij Patty en Gitte – vragen wanneer ze weer verder mogen lezen.

Dataverantwoording

De cijfers in dit artikel zijn afkomstig uit openbare bronnen van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), het Centraal Planbureau (CPB) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). De gegevens over het Masterplan Basisvaardigheden zijn uit de Haalbaarheidsstudie evaluatie van de subsidieregeling verbetering basisvaardigheden (CPB, 2024), de Vijfde voortgangsbrief Masterplan Basisvaardigheden van minister M.L.J. Paul (2024) en de Kamerbrief van voormalig onderwijsminister Dennis Wiersma (2022) gehaald waarin het plan werd geïntroduceerd. De cijfers over het aantal basisscholen komen van het OCW (2025) via OCW in Cijfers, en de meest recente datavisualisatie op masterplanbasisvaardigheden.nl (juni 2025) waarin vermeld staat dat inmiddels ruim 7.800 scholen deelnemen aan het programma en daardoor nu 95% van de leerlingen is bereikt. De eigen berekening dat er in 2024 ongeveer 61 procent van de basisscholen subsidie ontving, is gebaseerd op cijfers van het CPB en het ministerie.