Het kabinet trekt in 2027 ruim 26 miljoen euro meer uit voor cultuur dan in 2026. Toch stelt belangenorganisatie Kunsten ’92 dat het cultuurbudget door inflatie met ongeveer 0,9 procent krimpt. Uit de rijksbegroting blijkt dat de bedragen kloppen. Ook de berekening is juist, bevestigt een onafhankelijke econoom.
Op 9 oktober stelt Kunsten’92 dat de rijksuitgaven aan cultuur stijgen van 1,447 miljard euro in 2026 naar 1,473 miljard euro in 2027. Door de verwachte inflatie van 2,7 procent zou het budget desondanks aan koopkracht verliezen. Hoe kan een hoger budget toch een daling betekenen?
Begrotingscijfers kloppen
De bedragen zijn terug te vinden in artikel 14 van de OCW-begroting voor 2027. Volgens tabel 67 bedragen de geraamde cultuuruitgaven in 2026 precies 1.446.764.000 euro. Voor 2027 is 1.472.846.000 euro begroot. Het verschil bedraagt 26.082.000 euro, een nominale stijging van ongeveer 1,8 procent. Nominaal betekent dat de bedragen niet zijn gecorrigeerd voor prijsveranderingen.
Astrid Weij, directeur van Kunsten ’92, bevestigt desgevraagd dat de organisatie zich op de cultuurbegroting baseert. Voor het inflatiepercentage verwijst zij naar een publicatie van De Creatieve Coalitie.
De oorspronkelijke inflatieverwachting is rechtstreeks terug te vinden in de Miljoenennota 2027. Daarin staat dat het Centraal Planbureau (CPB) voor 2027 een inflatie van 2,7 procent verwacht.
Hoe ontstaat de daling?
De begroting stijgt met ongeveer 1,8 procent, terwijl de prijzen naar verwachting met 2,7 procent toenemen. Om de koopkrachtontwikkeling te berekenen, moet de nominale stijging worden gecorrigeerd voor inflatie.
De berekening is: (1,018 / 1,027 − 1) × 100. Dat levert afgerond een reële daling van 0,9 procent op. De rekensom van Kunsten ’92 klopt dus. Maar is de algemene consumentenprijsinflatie wel een geschikte maatstaf voor de kosten van culturele instellingen?
Econoom bevestigt methode
Volgens econoom Joost Poort is dat het geval. ‘Wat mij betreft is het wel correct om uit te gaan van de algemene inflatie (CPI).’ Hij wijst daarbij op de personeelskosten in de cultuursector. ‘Die bestaan voor een heel groot deel uit lonen van werknemers en zzp-ers, en die hopen dat hun inkomen meegroeit met – ten minste – de CPI, om hun boodschappen, huur, energie en brandstof te kunnen betalen.’
Ook de overige kosten zijn volgens Poort voldoende uiteenlopend om de algemene inflatie als uitgangspunt te gebruiken. Op de vraag of de sector hierdoor daadwerkelijk minder te besteden heeft, antwoordt hij: ‘Ja, in reële termen hebben ze minder te besteden.’
Poort geeft daarbij een voorbeeld: ‘Even versimpeld: stel dat de lonen stijgen met de CPI en al het geld naar lonen gaat, dan moeten er ontslagen vallen. Of als je iedereen in dienst wilt houden, dan kunnen de lonen niet meestijgen met de inflatie.’
Extra geld ongelijk verdeeld
Uit de begroting blijkt bovendien dat een groot deel van de extra middelen naar één programma gaat. Het budget voor CIIIC, een programma voor immersieve digitale technologie, stijgt met ongeveer 16,7 miljoen euro. Dat is bijna 64 procent van de totale begrotingsstijging.
De gezamenlijke middelen voor meerjarig gesubsidieerde instellingen binnen de culturele basisinfrastructuur en de rijkscultuurfondsen stijgen daarentegen met slechts ongeveer 1,2 miljoen euro.
De begroting vermeldt ook een overheveling van 31,8 miljoen euro voor cultuureducatie naar het primair onderwijs. De toelichting noemt 2027, maar de begrotingstabel maakt het precieze effect op de jaarvergelijking niet volledig duidelijk. De cijfers geven daarom vooral inzicht in de ontwikkeling van begrotingsartikel 14, niet noodzakelijk in alle cultuurgerelateerde rijksuitgaven.
Oordeel: waar
De uitspraak van Kunsten ’92 is waar voor de geraamde uitgaven binnen begrotingsartikel 14. De bedragen kloppen en de inflatiecorrectie levert inderdaad een koopkrachtdaling van ongeveer 0,9 procent op. Ook econoom Joost Poort onderschrijft de gebruikte methode.
Wel gaat het om een verwachting voor 2027, geen vastgestelde daling. Bovendien betekent de ontwikkeling van het totale cultuurbudget niet dat iedere culturele instelling evenveel aan koopkracht verliest.