Tijdens de persconferentie na de ministerraad van 2 oktober claimde minister-president Rob Jetten het volgende: “De Nederlandse technologie is top of the bill als het gaat om drones.” Volgens Jetten speelt Nederland een steeds belangrijkere rol in de Europese defensie-industrie. Maar hoe sterk is de Nederlandse positie op dit gebied daadwerkelijk?
Met “top of the bill” bedoelt Jetten dat Nederlandse dronetechnologie tot de beste en meest toonaangevende technologie behoort. Het probleem is alleen dat dit geen officiële technische kwalificatie is. Er bestaat geen internationale ranglijst waarop landen worden gerangschikt op hun dronetechnologie. Er zijn echter wel aanwijzingen dat Nederland technologisch sterk is. Zo werd het Nederlandse bedrijf Destinus in juli 2026 geselecteerd als een van de vijf finalisten van een Europese wedstrijd voor zogenoemde loitering munitions, een type aanvalsdrones. Aan de wedstrijd deden meer dan 140 organisaties mee. Nederland behoort daarmee in ieder geval op dit specifieke gebied tot de Europese kopgroep.
Daarnaast investeert Nederland de laatste jaren steeds meer in Defensie. In 2026 bedraagt het totale defensiebudget 27,7 miljard euro, tegenover 26 miljard euro in 2025. Dat komt overeen met 2,02 procent van het Nederlandse bbp en ligt daarmee boven de huidige NAVO-norm van 2 procent. Een deel van deze investering naar innovatie en drones. In juni maakte Defensie bijvoorbeeld bekend 250 miljoen euro uit te trekken voor drones die bij de Nederlandse defensie-industrie worden gekocht. In september kwam daar nog eens 250 miljoen euro bij, waarmee de Nederlandse bijdrage aan het Drone Line Initiative op 1 miljard euro kwam.
Nederland maakt inmiddels ook daadwerkelijk complete militaire drones en niet alleen onderdelen. Een belangrijk voorbeeld is VDL Defentec in Born. Zo werkt het bedrijf nauw samen met het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van drones. Ook DeltaQuad in Duivendrecht ontwikkelt en produceert zelf drones. Het bedrijf maakt onder andere elektrische VTOL-drones, die verticaal kunnen opstijgen en landen en worden ingezet voor verkenning en inlichtingen. Nederland doet daarnaast veel aan ondersteunende technologie. Het bedrijf Intelic ontwikkelt bijvoorbeeld software waarmee verschillende typen drones tegelijkertijd kunnen worden aangestuurd. Volgens Defensie is deze manier van werken momenteel alleen in Nederland en Oekraïne in gebruik.
Tegenover andere landen heeft Nederland een sterke positie, maar het bewijs dat het land wereldwijd tot de absolute top behoort is beperkt. In de Europese EDA-wedstrijd stond naast het Nederlandse Destinus bijvoorbeeld het Duitse Helsing, het Sloveense C-Astral, het Portugese UAVision en het Griekse Spirit Aeronautical Systems in de top vijf. Nederland is daarmee één van de sterke spelers, maar niet de enige. Ook Oekraïne loopt op bepaalde gebieden voorop. Door de oorlog heeft het land veel ervaring opgedaan met het ontwikkelen en snel aanpassen van drones. Nederland profiteert juist van de samenwerking met Oekraïne en gebruikt lessen uit de oorlog om eigen technologie verder te ontwikkelen.
Conclusie
De claim is grotendeels waar. Rob Jetten heeft gelijk dat Nederland een sterke en snel ontwikkelende positie heeft op het gebied van dronetechnologie. Nederland produceert inmiddels daadwerkelijk complete drones en beschikt daarnaast over bedrijven en kennisinstellingen die gespecialiseerd zijn op dit gebied. De forse stijging van de defensie-uitgaven en de investeringen in de Nederlandse defensie-industrie versterken deze positie. Ook zijn er concrete aanwijzingen voor internationale kwaliteit. Zo eindigde het Nederlandse Destinus bij de vijf best beoordeelde Europese bedrijven in een dronewedstrijd van de European Defence Agency. Daarnaast is Nederland sterk betrokken bij grote droneproductieprogramma’s voor Oekraïne. “Top of the bill” suggereert dat Nederland tot de absolute wereldtop behoort, maar daar bestaat geen onafhankelijke internationale ranglijst of wetenschappelijke vergelijking voor.
