Tijdens Pauw en de Wit stelde Mona Keijzer dat de LHBTQ-gemeenschap in grote steden ‘veelal worden gediscrimineerd en in elkaar geslagen door migrantengroepen’. Om deze uitspraak te beoordelen, kijken we naar wat wetenschappelijke onderzoeken zeggen over wie geweld tegen LHBTI‑personen pleegt, waarom dat gebeurt en hoe dit in de Nederlandse context wordt geduid.
Wat word beschreven in onderzoeken ?
Het WODC‑onderzoek analyseerde 88 strafdossiers van LHBTQ‑gerelateerd geweld. De onderzoekers schrijven dat er ‘geen grote verschillen gevonden zijn voor wat betreft de nationaliteit, leeftijd en kwetsbare sociaaleconomische positie van de daders’. Dit betekent dat de dadergroep breed samengesteld is en grotendeels overeenkomt met het algemene profiel van geweldplegers in Nederland. De meeste daders zijn jonge mannen, vaak minderjarig of jongvolwassen, en hebben bovengemiddeld vaak antecedenten. In het rapport staat: ‘Daders van LHBTQ-gerelateerd geweld zijn bovengemiddeld vaak man en hebben bovengemiddeld vaak antecedenten’. Daarmee sluit het onderzoek aan bij eerder werk van Buijs, Duyvendak en Hekma, die antihomoseksueel geweld omschrijven als een fenomeen dat vooral voorkomt binnen jongeren- en groepsdynamiek, waarbij normen rond mannelijkheid en machogedrag een grote rol spelen.
Over de nationaliteit van daders is het WODC helder: ‘De helft van de plegers heeft de Nederlandse nationaliteit’ en ‘iets minder dan één op de vijf plegers heeft de (Nederlands-)Marokkaanse nationaliteit’. De onderzoekers benadrukken echter dat nationaliteit slechts een beperkte indicator is, omdat migratieachtergrond niet wordt geregistreerd in strafdossiers. Daardoor kan niet worden vastgesteld of deze cijfers representatief zijn voor bredere patronen. Bovendien komt de verdeling van Nederlandse en niet‑Nederlandse daders ‘grotendeels overeen met verdachtencijfers van alle criminaliteit in Nederland’. Dat betekent dat deze cijfers niet uniek zijn voor LHBTQ‑geweld, en dus niet kunnen worden gebruikt om te zeggen dat migrantengroepen ‘veelal’ de daders zijn. Wat betreft motieven blijkt uit het WODC‑onderzoek dat een deel van de daders een expliciete afkeer heeft van LHBTQ‑uitingen. Het rapport stelt: ‘De grootste onderscheiden dadergroep pleegt geweld omdat zij een afkeer hebben van LHBTQ‑uitingen’. Tegelijkertijd geeft een groot deel van de daders aan dat zij ‘achteraf niet precies weten waarom ze geweld hebben gepleegd’ en dat het vaak gaat om impulsief gedrag of schelden ‘als reflex’. Dit wijst erop dat homofobe incidenten vaak ontstaan uit impulsiviteit, groepsdruk en sociale normering, en niet uitsluitend uit ideologische overtuigingen of uit de achtergrond van een specifieke groep.
Het onderzoek van Buijs, Duyvendak en Hekma noemt expliciet dat homofobie voorkomt in meerdere sociale groepen, en dat het publieke debat dit vaak verkeerd framet. Het Gender & Sexuality Report (2023) onderzoekt geweld tegen LHBTI‑personen in verschillende Europese landen. Het rapport beschrijft dat homofobie vaak voortkomt uit toxic masculinity, sociale conservatieve normen en radicaliserende ideologieën. Het rapport koppelt dit geweld aan mannelijke onzekerheid, groepsidentiteit en radicalisering, maar niet aan één specifieke etnische groep. Sterker nog: het rapport laat zien dat homofobie voorkomt in zowel autochtone als migrantengemeenschappen, afhankelijk van lokale context en politieke spanningen. Daarnaast is er een onderzoek van Mepschen, Duyvendak & Tonkens (2010) laat zien dat in Nederland homofobie vaak wordt gebruikt in het politieke debat om migranten, en vooral moslims, als ‘achterlijk’ of ‘onmodern’ te framen. Dit betekent dat uitspraken zoals die van Keijzer wellicht zouden kunnen passen binnen een bredere politieke strategie waarin homorechten worden gebruikt om migranten als probleemgroep neer te zetten, terwijl onderzoek laat zien dat de werkelijkheid complexer en diverser is.
Conclusie
Uit de beschikbare onderzoeken ontstaat een duidelijker en genuanceerder beeld dan de uitspraak van Mona Keijzer suggereert. Het WODC‑onderzoek laat zien dat antihomoseksueel geweld vooral wordt gepleegd door jonge mannen en dat de dadergroep sterk lijkt op verdachten van geweld in het algemeen. Hoewel in de onderzochte zaken de helft van de daders de Nederlandse nationaliteit heeft en een kleiner deel een (Nederlands-)Marokkaanse nationaliteit, benadrukken de onderzoekers dat deze verdeling overeenkomt met bredere criminaliteitscijfers en dat nationaliteit geen betrouwbare aanwijzing is voor migratieachtergrond. Daardoor zegt dit cijfer op zichzelf niets over de vraag of migrantengroepen dominant zijn in LHBTI‑geweld.
Daarnaast blijkt dat veel incidenten impulsief ontstaan, onder groepsdruk of vanuit masculiniteitsnormen, en dat daders vaak achteraf niet precies weten waarom ze handelden. Andere onderzoeken laten zien dat homofobie voorkomt in verschillende sociale groepen en dat politieke framing soms een vertekend beeld geeft van wie de daders zijn.
Alles bij elkaar tonen de onderzoeken dat antihomoseksueel geweld niet primair voortkomt uit de achtergrond van één specifieke groep, maar uit bredere patronen van jongerengeweld, sociale normering en mannelijkheidsidealen. De claim dat homo’s ‘veelal’ door migrantengroepen worden mishandeld wordt daarom niet ondersteund door de beschikbare wetenschappelijke literatuur.