Oud tegen jong: petanque op het zand van de Markt in Delft.

Oud tegen jong: petanque op het zand van de Markt in Delft.

Petanque op de Markt in Delft met op de achtergrond het stadhuis.

Op de markt in Delft draait het een dag lang om boules, gezelligheid en Franse chansons. Petanquevereniging MIDI organiseert er de eerste zaterdag van september de 37e editie van Boule d’Orange, een internationaal toernooi waar Fransen, Duitsers en zelfs een team uit Praag naast Delftse recreanten strijden om de eer.

Om 09:45 valt het rumoer op de Markt stil. Een minuut stilte, voor de vorige jaar overleden voorzitter van MIDI, is voor het tweede jaar op rij vast onderdeel van de opening. Pas daarna gooit burgemeester Alexander Pechtold, in pak de eerste bal, onder toeziend oog van Hugo Grotius. Het standbeeld kijkt imponerend uit over de Markt en de velden, schuin tegenover de Nieuwe Kerk.

Ooit stond het midden op het plein en kon MIDI maar de helft van de Markt gebruiken, tot het standbeeld verhuisde. Zo lang speelt de vereniging hier nog niet. Het toernooi begon in 1984 vanwege de 400ste sterfdag van Willem van Oranje, week daarna jarenlang uit naar de Paardenmarkt en vijfentwintig jaar geleden weer terug op de Markt.

Even later klinkt Delft weer naar een feestdag in een Franse provinciestad. Charles Aznavour schalt uit een box naast het dranghek waar ik tegenaan leun, terwijl verderop een draaiorgel zijn eigen Hollandse melodie tokkelt. Een groter contrast bestaat er niet. Tussendoor klinkt telkens het doffe getik van metaal op metaal. Op de Markt, met haar 120 bij 50 meter ruim veertien basketbalvelden groot, liggen vandaag eenenzestig banen, bedekt met een dun laagje zand. Om zeven uur vanochtend werd het er met dertig kuub tegelijk overheen gestrooid, wat vergelijkbaar is met een volle verhuiswagen. Boven het stadhuis en de Nieuwe Kerk hangt een strakblauwe lucht, met af en toe een wolk die voor de zon schuift. Kortom, alle ingrediënten zijn aanwezig voor een heerlijke middag.

Het standbeeld van Hugo Grotius kijkt uit op de Markt en de velden waarop gespeeld wordt.

Puk you all

Na een rondje tussen de terrassen en velden te hebben gelopen, valt een wedstrijd meteen op, en niet alleen om de kleuren. Twee oudere vrouwen in felle oranje shirts, ergens tussen de zestig en zeventig, spelen tegen twee tieners in het zwart. Op de andere banen zie je bijna uitsluitend volwassenen van in de veertig tot vijfenzeventig. Achter op de shirts van de dames staat, boven een tekening van drie ballen die samen net een bril lijken, met twee uitroeptekens: ‘Puk you all!!’ Een woordgrap die precies laat zien hoe luchtig deze sport is. Puk is jeu de boules-jargon voor een bal die veel te kort wordt gegooid. Het is ook de afkorting van hun club: Petanque Union Kennemerland.

Naast me leunend tegen hetzelfde dranghek, staat Frank Versluis. Hij is lid van de Delftse vereniging MIDI en een van de organisatoren van het toernooi. Ik vraag hem waarom ik zo weinig jongeren op de banen zie staan. “Het is geen volkssport, zoals in Frankrijk”, zegt hij lachend. “Daar worden ze met boules in de wieg geboren en hier met voetbalschoenen of een hockeystick.”

De jongen in het zwarte team valt ook los van zijn leeftijd op. Een kettinkje, een wijde broek, een skaterlook die niet meteen bij petanque past. Op de sticker die iedere deelnemer draagt, staat zijn startnummer: D35, naast D36 voor zijn vrouwelijke teamgenoot, de dames spelen met D33 en D34 als startnummer.

De partij zelf gaat gestaag. Een van de dames mikt haar bal te hard, die rolt door naar het veld erachter. “Ik wil ook wel met jullie meedoen”, roept ze naar de buren met een brede glimlach, die de irritatie meteen wegneemt. Even later stoot een speler van het oranje team met één harde worp drie ballen van de tegenstander weg. Een worp die op de baan ernaast met ‘topper’ wordt onthaald. Er ontstaat discussie over een afstand tussen twee ballen die te dicht bij elkaar om met het blote oog te beoordelen. Een zwart rolmaatje met geel meetlint komt tevoorschijn om een eind te maken aan de discussie. Al hurkend en half liggend op het zand legt de jongen in het zwart het gele meetlint tegen de twee boules aan waar het om gaat. Het is niet te zien, maar de bal van team oranje ligt het dichtst bij het kleine gekleurde balletje. Beiden armen van de dames gaan omhoog.

Door dit winnende punt wint het oranje duo met 13-8. High-fives over en weer, een korte ‘oh, dombo!’van de verliezende kant. Beide teams pakken hun ballen weer op, de dames met een handig hulpmiddeltje: een touw met een magneet eraan, zodat ze niet voorover hoeven te bukken. Ik zie het trucje op meer banen terugkomen, vooral bij de oudere deelnemers. Het is een klein gebaar, maar groot verschil voor de rug.

Jeugdtrucjes

De sfeer is opvallend gemoedelijk, zowel op als naast het veld. Tegenstanders maken binnen de door oranje touw afgebakende lijnen gewoon een praatje met elkaar. Ook buiten het veld is het contact snel gelegd. “Hoe gaat het” en “hoeveel staat het” klinken voortdurend, gesteld door verenigingsleden, familie, kennissen of nieuwsgierige voorbijgangers.

Zo staat er een vrouw naast me achter het dranghek die zich hardop afvraagt hoe je ziet van wie welke bal is. Een logische vraag, want een baan is maar vijftien bij vier meter. Na de wedstrijd leggen de dames in het oranje het haar uit, ook al kennen ze de vrouw niet. Een van hen ritst een harde zwarte tas open, ongeveer zo groot als een A4’tje met plek voor zes ballen. Ze pakt er eentje uit. “Het eerste waar je het aan ziet, zijn de groeven”, zegt ze. “Als wij ballen met lijntjes hebben, moet de tegenstander een gladde bal hebben”.

Haar teamgenoot luistert aandachtig mee en heeft nog iets te melden. “Wij hebben de namen van onze mannen gegraveerd in onze boules”, zegt ze trots, terwijl ze haar eigen tasje opent: kleiner, donkerblauw met net genoeg ruimte voor drie ballen. Op haar bal staat Frans gegraveerd en op die van haar teamgenoot Hans.

Hoe makkelijk het contact tussen spelers en publiek verloopt, blijkt even later opnieuw. De vrouw achter het hek hoorde de dames eerder “dat zijn jeugdtrucjes” zeggen en vraagt hiernaar. Het ging over de tieners die zeiden dat ze naar de wc moesten als afleidingsmanoeuvre, legt een van de dames nog altijd geïrriteerd uit. “Dan had je maar voordat we gingen spelen moeten gaan”, roept ze naar de tieners.

Verre gasten

Wat opvalt is hoe internationaal het gezelschap is. Naast Nederlandse clubshirts, de donkerblauwe polo’s van De Walnoot uit Boxtel zijn op bijna elk veld te zien, passeren ook Duitse, Franse en een Belgische ploeg. Bij een team zit een Tsjechische vlag op de mouw met ‘z Prahy’ op de rug: uit Praag. Verderop hoor ik Delftse studenten praten over de avond ervoor. Tussendoor klinken Spaans, Engels, Frans, Arabisch en Aziatische talen van voorbijgangers die langs de velden lopen, sommige blijven aandachtig staan kijken. Dat contrast tussen fanatiek wedstrijdspelers uit heel Europa en toevallige voorbijgangers is precies wat deze locatie zo bijzonder maakt.

Zon en zand

Terwijl de partij van de dames en de tieners is afgelopen, lopen beide teams door naar de volgende partij. Tussen de velden in liggen verzamelingen van tassen langs de lijn, halfgeopende hoezen met metalen ballen erin. Aan de rand van het plein, bij house of Vermeer, blijft een groepje toeristen met telefoons omhoog staan filmen. Hun eigen Delft, met porselein en Vermeer, draait even mee met het balgekletter een paar meter verderop. De zon staat inmiddels hoger, warm op mijn nek met af en toe en zuchtje wind dat over het zand waait. Om me heen klinkt aanhoudend gelach en getik van boules over het zand. Geen wieg vol boules, maar wel een plein vol mensen die, jong en oud hetzelfde spelletje spelen.

Over de auteur