Op 5 jarige leeftijd kreeg Wiebe last van leverfalen nadat hij medicatie kreeg tegen absences. Hij werd steeds zieker en kreeg te horen dat hij zonder levertransplantatie niet lang meer te leven zou hebben. Hoewel hij uiteindelijk een donorlever ontving voelde hij zich na de transplantatie anders. Jaren later zet hij zich in voor mensen die hetzelfde hebben meegemaakt.
Wiebe was pas vijf jaar oud toen hij acuut leverfalen kreeg door medicatie tegen epilepsie. Zijn ouders merkten dat hij regelmatig wegviel aan de eettafel. Ook viel hij in slaap achter op de fiets en veranderde zijn gedrag. Bij bloedonderzoek bleken zijn leverwaarden dramatisch slecht. Hij moest met spoed naar een gespecialiseerd ziekenhuis in Groningen.De artsen schatten dat Wiebe het nog ongeveer 48 uur op eigen kracht zou volhouden. Een levertransplantatie was noodzakelijk. Aanvankelijk was er een geschikte lever beschikbaar, maar die wilden de artsen niet bij een kind transplanteren.
De volgende dag kwam er belangrijk nieuws: in het buitenland was een jong kind overleden en de ouders hadden besloten de organen te doneren. Voor Wiebe en zijn ouders betekende dat een tweede kans. Hoewel de transplantatie succesvol was, ervaarde Wiebe verschillende problemen in zijn jeugd. Hij had minder energie dan leeftijdsgenoten en kon daardoor niet altijd met alles meedoen. Dat frustreerde hem. Hij wilde graag meer doen maar zijn lichaam stribbelde tegen. Pas toen Wiebe twaalf jaar was kwam er een verklaring voor zijn vermoeidheid. Hij bleek de zeldzame stofwisselingsziekte van Alpers te hebben.Vanwege zijn eigen ervaringen zet Wiebe zich nu in voor de maatschappij. Zo werkt hij voor maatschappelijke instellingen en diverse organisaties. Ook werkt hij aan een buddysysteem voor jonge transplantatiepatiënten. Dit systeem ondersteunt jongeren die een orgaan of weefsel transplantatie hebben ondergaan, door hen in contact te brengen met mensen die hetzelfde doorgemaakt hebben.
Luister hieronder naar het radio interview met Wiebe Uilenreef