De hoge straf die zes XR-demonstranten kregen opgelegd, 120 uur taakstraf en twee weken voorwaardelijke gevangenisstraf, is volgens Extinction Rebellion ongekend in de context van protesten van de organisatie. De veroordeling past volgens XR daarmee in een trend van ‘toenemende staatsrepressie tegen vreedzame demonstranten’. Maar is er daadwerkelijk sprake van zo’n trend? En wanneer spreken we eigenlijk van staatsrepressie?
De aanleiding voor de uitspraak van XR is een recente veroordeling van zes demonstranten. Op 9 september 2026 veroordeelde de rechtbank Midden-Nederland hen voor het opzettelijk blokkeren van de A12 en A2 bij Utrecht tijdens een XR-demonstratie. Iedere demonstrant kreeg 120 uur taakstraf en twee weken voorwaardelijke gevangenisstraf, met een proeftijd van twee jaar.
De rechtbank benadrukte dat het demonstratierecht een fundamenteel recht is. Tegelijkertijd oordeelde de rechter dat de demonstranten met het bewust blokkeren van een snelweg een grens hadden overschreden. Volgens de rechtbank konden zij hun protestdoel niet boven de rechten, belangen en veiligheid van anderen plaatsen.
Daarmee ontstaat de vraag: is zo’n veroordeling een voorbeeld van staatsrepressie, of is het een vorm van normale strafrechtelijke handhaving?
Wanneer is iets staatsrepressie?
Staatsrepressie is geen juridisch vast begrip. In deze context wordt ermee bedoeld dat de overheid burgers of groepen beperkt of onderdrukt vanwege hun maatschappelijke of politieke activiteiten.
Niet iedere arrestatie of veroordeling van een demonstrant betekent daarom automatisch dat er sprake is van staatsrepressie. Het demonstratierecht is een grondrecht, maar kent grenzen. De overheid mag onder bepaalde omstandigheden ingrijpen om bijvoorbeeld de openbare orde, verkeersveiligheid of de rechten van anderen te beschermen.
De vraag is daarom niet alleen óf demonstranten worden aangehouden of veroordeeld, maar ook waarom, hoe zwaar het optreden is en of dit past binnen de grenzen van het demonstratierecht.
‘Er is zeker nog een beetje ruimte’
Jacquelien van Stekelenburg, hoogleraar sociale verandering en conflict aan de Vrije Universiteit Amsterdam en betrokken bij het WODC-onderzoek, benadrukt dat er vanuit het onderzoek nog ruimte voor demonstranten zichtbaar is. Een juridisch oordeel over de vraag of er sprake is van staatsrepressie kan en wil zij niet geven, maar volgens haar laat het onderzoek wel zien dat het demonstratierecht in Nederland ruimte biedt.
“Er is zeker nog een beetje ruimte voor demonstranten waar rechters in Nederland misschien niet goed oordelen.”
Daarnaast wijst Van Stekelenburg op de sterke groei van het aantal demonstraties in Nederland. Volgens haar loopt slechts een klein deel van de demonstraties uit de hand.
“Verder zijn in Nederland natuurlijk ook de demonstraties explosief toegenomen, terwijl maar 3% uit de hand loopt.”
Volgens haar krijgen vooral de demonstraties die voor overlast of gevaar zorgen veel aandacht. Ook opvallende acties die goed op sociale media werken, bereiken sneller het nieuws.
“Je spreekt dan van demonstraties die gevaar voor de samenleving opleveren of ‘Instagrammable’ zijn, die halen het nieuws terwijl je niemand over die 97 procent hoort.”
Dat maakt het volgens Van Stekelenburg belangrijk om niet alleen naar opvallende of demonstraties met conflict te kijken. Wanneer vooral deze acties in beeld komen, kan daardoor een ander beeld ontstaan van hoe het demonstratierecht in Nederland in de praktijk verloopt.
De cijfers laten in ieder geval zien dat het overgrote deel van de demonstraties niet uit de hand loopt. Dat maakt het moeilijker om op basis van enkele veelbesproken XR-acties te concluderen dat er sprake is van een algemene trend van toenemende staatsrepressie.
Wat zegt het onderzoek naar het demonstratierecht?
Om te bepalen of er sprake is van een bredere ontwikkeling, is één rechtszaak niet genoeg. Daarom is gekeken naar het uitgebreide onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) uit 2025.
In het onderzoek Het recht om te demonstreren in de democratische rechtsstaat onderzochten wetenschappers het Nederlandse demonstratierecht vanuit verschillende invalshoeken. Daarbij werd onder andere gekeken naar wetgeving, rechtspraak en de manier waarop het demonstratierecht in de praktijk wordt toegepast.
De onderzoekers concluderen dat het bestaande wettelijke kader op hoofdlijnen voldoende mogelijkheden biedt om te demonstreren én om demonstraties onder bepaalde omstandigheden te beperken. Grote veranderingen van de wettelijke regels zijn volgens het onderzoek daarom niet nodig. De onderzoekers zien vooral mogelijkheden voor verbetering in de uitvoering van het bestaande recht.
Het WODC schrijft daarnaast dat ongeveer 97 procent van de demonstraties zonder incidenten verloopt. Dat betekent niet dat er geen problemen zijn bij demonstraties, maar wel dat het overgrote deel van de demonstraties zonder ernstige incidenten plaatsvindt.
Een trend van toenemende repressie?
De WODC-bevindingen geven daarmee geen directe bevestiging van de claim van XR dat er sprake is van een algemene trend van toenemende staatsrepressie.
Dat betekent niet dat er geen ontwikkelingen zijn die zorgen kunnen oproepen over de ruimte voor demonstranten. Er zijn de afgelopen periode meerdere voorbeelden geweest van arrestaties en strafrechtelijke vervolgingen van XR-demonstranten. Tegelijkertijd zijn er ook gevallen waarin de rechter juist oordeelde dat de overheid te ver ging. Zo bepaalde de rechtbank Noord-Holland in 2025 dat toegangsverboden van vijf en tien jaar voor 37 XR-demonstranten op Schiphol in strijd waren met het demonstratierecht. De verboden werden daarom opgeheven.
Maar om van een trend te kunnen spreken, moet je ontwikkelingen over meerdere jaren met elkaar kunnen vergelijken. Alleen een toename van het aantal arrestaties of veroordelingen zegt daarbij niet automatisch dat er sprake is van meer repressie. Het kan bijvoorbeeld ook samenhangen met het soort demonstraties, de locatie waar wordt gedemonstreerd of de manier waarop actie wordt gevoerd.
Het WODC-onderzoek is juist relevant omdat het het demonstratierecht in bredere zin onderzoekt en niet alleen naar individuele XR-acties kijkt.
Wat weten we dus wel?
Dat de overheid streng optreedt tegen bepaalde XR-acties is duidelijk. De recente veroordeling van zes demonstranten is daarvan een concreet voorbeeld. Ook zijn er in 2026 meerdere XR-demonstraties geweest waarbij demonstranten zijn aangehouden.
Maar de beschikbare bronnen laten een ingewikkelder beeld zien. Het WODC concludeert dat het Nederlandse wettelijke kader op hoofdlijnen voldoende ruimte biedt voor het demonstratierecht. Tegelijkertijd zijn er concrete gevallen waarin demonstranten stevig worden aangepakt en waarin discussie bestaat over de proportionaliteit van dat optreden.
De uitspraak van de rechtbank bewijst dus dat er tegen bepaalde vormen van demonstreren strafrechtelijk wordt opgetreden. Zij bewijst niet dat er daardoor automatisch sprake is van een algemene trend van toenemende staatsrepressie.
Oordeel
Extinction Rebellion heeft gelijk dat er tegen bepaalde acties van de organisatie stevig wordt opgetreden. De zes demonstranten zijn veroordeeld tot een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf en meerdere XR-acties hebben geleid tot aanhoudingen.
Maar de claim dat deze veroordeling onderdeel is van een bredere trend van toenemende staatsrepressie tegen vreedzame demonstranten wordt door de beschikbare bronnen niet voldoende onderbouwd. Het WODC-onderzoek uit 2025 schetst juist een beeld waarin het wettelijke kader voor demonstraties op hoofdlijnen voldoende ruimte biedt.
Daarom luidt het oordeel:
Niet bewezen.
De veroordeling laat zien dat de overheid grenzen stelt aan bepaalde vormen van protest, maar uit de beschikbare gegevens kan niet worden vastgesteld dat Nederland als geheel steeds repressiever met vreedzame demonstranten omgaat.
Beluister hieronder een audio-reportage over het demonstratierecht in Nederland:
