Een cybercrimineel hoeft niet in Nederland te zitten om hier slachtoffers te maken. Vanaf vrijwel iedere plek ter wereld kan iemand Nederlandse computers en systemen aanvallen. Daarbij kunnen criminelen verschillende technieken gebruiken om te verbergen waar ze zich bevinden. Volgens cybersecuritydeskundige Christian-Alexander Bunge maakt dat de opsporing een stuk ingewikkelder.
Op het internet spelen landsgrenzen technisch gezien nauwelijks een rol. Een cybercrimineel kan vanuit het buitenland relatief makkelijk verbinding maken met een Nederlands slachtoffer.
‘Het internet kent geen grenzen’, zegt Bunge. ‘Je kan vanuit elke plek van de wereld naar een andere plek connectie maken.’ Volgens hem zijn er verschillende technische mogelijkheden waarmee criminelen hun werkelijke locatie kunnen verbergen.
Verbergen achter andere servers
Een bekende manier om een locatie te verbergen is een VPN. Daarmee loopt een internetverbinding via een andere locatie en kan iemand bijvoorbeeld een IP-adres uit een ander land krijgen.
Een andere mogelijkheid is het TOR-netwerk. Daarbij wordt de verbinding via meerdere servers doorgestuurd voordat deze bij het uiteindelijke doelwit terechtkomt.
‘Dan gaat het soms tien, twintig servers achter elkaar’, legt Bunge uit. ‘En dan pas komt die eigenlijke connectie van een helemaal andere plek.’ Daardoor wordt het moeilijker om te achterhalen waar iemand daadwerkelijk zit.
Ook bij e-mails kunnen cybercriminelen zich anders voordoen. ‘Het is ook vrij makkelijk gewoon een ander adres aan te geven als afzender’, vertelt Bunge.
Digitale sporen blijven achter
Toch betekent dit niet dat cybercriminelen helemaal geen sporen achterlaten. Netwerk- en loggegevens kunnen informatie hebben over welke activiteiten er zijn plaatsgevonden en welke verbindingen zijn gemaakt.
Volgens Bunge is vooral het moment waarop die gegevens worden bekeken een probleem. Het voortdurend controleren van al het internetverkeer kost veel tijd en rekenkracht.
‘Er zijn heel veel sporen nog steeds te zien’, zegt hij. Veel informatie kan volgens hem achteraf worden onderzocht. ‘Maar helaas altijd pas achteraf.’
Verschillende landen maken het ingewikkelder
De opsporing wordt nog moeilijker wanneer meerdere landen betrokken zijn. Een slachtoffer kan in Nederland zitten, terwijl de dader vanuit een ander land bezig is en de gegevens op servers kunnen weer in een ander land staan.
‘Je hebt met heel veel juridische aspecten van verschillende landen te maken’, zegt Bunge. Autoriteiten verschillen per land en gegevens kunnen niet altijd zomaar met een ander land worden gedeeld.
Daarnaast kunnen landen verschillende technische systemen gebruiken om gegevens op te slaan. Volgens Bunge ligt het grootste probleem daarom niet alleen bij de techniek. ‘Ik denk dat het vaak organisatorische en juridische aspecten zijn die echt een probleem vormen.’
Voor cybercriminelen zijn landsgrenzen online dus best makkelijk te omzeilen. Voor politie en justitie bestaan die grenzen helaas wel. Een aanval kan snel vanuit het buitenland worden uitgevoerd, terwijl het achterhalen van de persoon erachter een stuk ingewikkelder is.