Tijdens EenVandaag op 8 oktober zei Teri Wilson, die zelf jarenlang gebukt ging onder mentale problemen: “Het taboe bij jongeren om te praten over mentale problemen neemt af.” Maar klopt dat wel? Aan de hand van onderzoek en research beantwoorden we die vraag
Uit het HBSC-onderzoek 2025 onder ruim 5.100 middelbare scholieren blijkt dat de meeste jongeren makkelijk over hun zorgen praten: 82 procent met hun vader, 88 procent met hun moeder en 89 procent met een beste vriend of vriendin. Praten over zorgen is echter niet hetzelfde als praten over mentale problemen.
Ook de trend is gemengd. Jongens in het voortgezet onderwijs praten in 2025 vaker makkelijk met hun vader dan in 2021 (89 tegen 86 procent). Bij meisjes blijft zulk herstel uit: 84 procent praat makkelijk met hun moeder, tegen 88,5 procent in 2017.
De klachten nemen niet af
Tegelijk wordt het niet beter met de mentale gezondheid van jongeren. Volgens het HBSC-onderzoek van 2025 heeft ongeveer de helft van de middelbare scholieren elke week last van psychische klachten. Sinds 2021 is er nauwelijks iets veranderd. Vooral meisjes hebben het zwaar: 37 procent voelt zich vaak niet goed in zijn vel, tegenover 16 procent van de jongens.
Een belangrijke reden is de druk van school. Meer dan de helft van de meisjes (54 procent) en ruim een derde van de jongens (36 procent) ervaart veel druk door schoolwerk. Jongeren hebben dus wel steun van ouders en vrienden, maar dat is niet genoeg.
Meer hulp, maar waarom?
Het Trimbos-instituut zag in een QuickScan dat jongvolwassenen (16 tot 35 jaar) steeds vaker zorg gebruiken. Het aandeel 20- tot 30-jarigen dat contact had met een psycholoog of psychiater steeg van 12,7 procent in 2014 naar 20 procent in 2023. Dat cijfer is ruim: ook coaches tellen mee. Minder stigma wordt genoemd als mogelijke verklaring, maar de onderzoekers schrijven dat hier weinig onderzoek over is. Het kan ook zijn dat er meer problemen zijn. Volgens een nog ongetoetste hypothese kan meer aandacht voor mentale gezondheid er bovendien toe leiden dat normale stress sneller als probleem wordt gezien.
Een campagne die werkt?
Het campagne-effectonderzoek ‘Hey het is oké’ van het ministerie van VWS (2024) laat zien dat jongeren van 16 tot 25 jaar vaker met een vertrouwd iemand praten bij beginnende psychische klachten en daar ook voordelen in zien. Dat komt het dichtst bij Wilsons uitspraak. Het onderzoek gaat over het effect van één campagne en richt zich op 16- tot 25-jarigen.
Wat ziet de praktijk?
Volgens onderzoeker Imke Oosting van Trendbureau Drenthe is het belangrijk dat jongeren zich veilig voelen om over hun mentale gezondheid te praten. Angst voor reacties van anderen en onzekerheid over wie ze kunnen vertrouwen, kunnen ervoor zorgen dat jongeren hun problemen voor zichzelf houden.
”Jongeren hebben behoefte aan een veilige omgeving waarin ze openlijk over hun mentale gezondheid kunnen praten, zonder bang te hoeven zijn voor de reacties van anderen.”, noemt Oosting.
Ook zegt Oosting dat jongeren zeker het taboe willen doorbreken. ”Zeker omdat veel van hen het taboe wel degelijk willen doorbreken. De helft geeft aan dat het zou helpen om erover te praten.”
Conclusie
Of het taboe om over mentale problemen te praten echt kleiner wordt, kunnen we niet zeker zeggen. Jongeren zoeken vaker hulp en praten vaker met iemand die ze vertrouwen, en dat past bij een kleiner taboe. Maar geen van de onderzoeken meet het taboe zelf. Hulp zoeken kan ook komen doordat jongeren meer klachten hebben. Bovendien praten meisjes niet vaker met hun moeder dan in 2017. Volgens Oosting willen jongeren wel praten, maar hebben ze eerst een veilige omgeving nodig. Het taboe is dus waarschijnlijk niet weg, maar het wordt wel besproken.