AMERSFOORT – Betaald parkeren: een veelbesproken thema in aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen op achttien maart. Waar Marjolein Perdok, lijstrekker van D66, het beleid ziet als middel om ruimte in de stad eerlijker te verdelen, noemt Tom van Lamoen lijstrekker van Amersfoort voor de Vrijheid, het “ideologisch” en niet gebaseerd op parkeerproblemen. De partijen staan lijnrecht tegenover elkaar over de vraag: lost betaald parkeren een probleem op, of creëert het juist problemen?
‘Vindt u dit nieuwe parkeerbeleid een goed idee voor de stad?’ De vraag die op het stembiljet van de Tweede Kamerverkiezingen in 2023 stond en het referendum over betaald parkeren initieerde. Van ruim tachtig procent van de kiesgerechtigden die hun stem uitbracht, koos 75% voor ‘nee’. Toch werd betaald parkeren in oktober 2025 in een deel van de stad een feit en wordt deze koers in 2026 doorgezet. Het gevolg? Inwoners vanKruiskamp, De Hoef, Eemkwartier, een gedeelte van Randenbroek en het Vermeerkwartier betalen dertig euro voor hun eerste parkeervergunning, terwijl een tweede of derde vergunning kan oplopen tot enkele honderden euro’s. De rest van de stad volgt in fases.
Ideologie of middel?
Voor van Lamoen zit het fundamentele probleem in de bedoeling achter het beleid. ‘Het betaaldparkeren wordt niet gebruikt om een doel te treffen. Het doel is dat je de parkeerproblemen en parkeerdruk wilt oplossen, maar het wordt echt alleen maar gebruikt om het autobezit zelf te ontmoedigen.’ Volgens hem is het beleid dus geen oplossing voor een concreet probleem, maar een instrument om gedrag te sturen. Perdokweerspreekt dat beeld. ‘Betaald parkeren is geen doel op zich. Het is namelijk een middel om te kunnen sturen op de openbare ruimte.’ Waar van Lamoen spreekt van ontmoedigingsbeleid, ziet D66 het als een instrument om schaarse ruimte anders te verdelen.
Is er een parkeerprobleem?
Ook over de ernst van de parkeerdruk verschillen de partijen van mening. Van Lamoen stelt: ‘Er zijn echt maar drie of vier straten waar die parkeerdruk hoger was dan de 85%.’ Daarmee suggereert hij dat een grootschalige invoering niet proportioneel is. Perdok wijst juist op bredere effecten: ‘Er zijn ook parkeerproblemen in bepaalde delen van de stad. En wat je dan ziet is dat er een soort waterbedeffect ontstaat.’ Volgens haar verplaatst de druk zich naar omliggende wijken wanneer er niets gebeurt, waardoor een bredere aanpak nodig is. De discussie draait daarmee om de vraag of het probleem lokaal en beperkt is, of structureel en verschuivend.
Het verschil in visie wordt nog explicieter wanneer het gaat om het uiteindelijke doel van het beleid. Van Lamoen zegt: ‘Wij willen het alleen maar op de plekken invoeren waar er problemen zijn, om de problemen op te lossen.’ Voor zijn partij is betaald parkeren uitsluitend gerechtvaardigd als er aantoonbare overlast is. Perdok formuleert het breder: ‘We doen dit dus niet om een parkeerprobleem op te lossen. We doen dit omdat we graag onze stad leefbaar willen inrichten.’ Daarmee verschuift de discussie van parkeerdruk naar stadsontwikkeling en inrichting van de openbare ruimte.
Effect op ondernemers
Over de economische gevolgen lopen de meningen eveneens uiteen. Van Lamoen stelt: ‘We zien bij de winkelcentra grote omzetverliezen bij de lokale ondernemers.’ Hij wijst op signalen van ondernemers die minder klandizie zouden krijgen. Perdok erkent dat er reacties zijn, maar plaatst die in perspectief: ‘Wat je soms wel ziet is dat er bij sommige ondernemers inderdaad direct na het invoeren even een klein dipje is in de omzet. Dat trekt gelijk weer bij.’ Waar de ene partij spreekt van structurele schade, noemt de andere het een tijdelijk aanpassings-effect.
Het referendum als graadmeter
Het referendum uit 2023 blijft een belangrijk politiek argument. Van Lamoen zegt: ‘Wij denken dat het grootstemerendeel van Amersfoort er niet mee eens is.’ Hij ziet de uitslag als een duidelijk signaal van weerstand tegen het beleid. Perdok interpreteert de uitkomst anders: ‘De meerderheid heeft zich niet tegen het betaald parkeren uitgesproken, maar tegen het nieuwe parkeerbeleid en dat gaat over veel meer.’ Daarmee wijst zij op de formulering van de vraag en de bredere context waarin het beleid later is aangepast. De vraag blijft in hoeverre het referendum een definitieve afwijzing van betaald parkeren betekende, of vooral een reactie op een specifieke invulling ervan.
Ten slotte verschillen de partijen in hun visie op de rol van de auto in de stad. Van Lamoen ziet in het beleid vooral een poging tot gedragssturing. ‘Het wordt echt alleen maar gebruikt om het autobezit zelf te ontmoedigen.’ Volgens hem is het ontmoedigen van autobezit een politieke keuze die niet voortkomt uit concrete problemen. Perdok benadrukt juist de noodzaak van evenwicht in de openbare ruimte: ‘Om die balans weer een beetje terug te brengen hebben we parkeerbeleid nodig.’