Amersfoort

Selecteer Pagina

Vrijwillig taalles in AZC Amersfoort: ‘Als ze hier een ochtend gelachen hebben is dat al winst’

Vrijwillig taalles in AZC Amersfoort: ‘Als ze hier een ochtend gelachen hebben is dat al winst’

Amersfoort- Met handgebaren, tekeningen en veel geduld proberen vrijwilligers Jaap Pluim en Ria Stam elke week bewoners van het asielzoekerscentrum Amersfoort de Nederlandse taal bij te brengen. De lessen zijn eenvoudig en soms chaotisch maar volgens de vrijwilligers vervullen zij een belangrijke rol. ‘Taal is wat een samenleving bij elkaar houdt,’ zegt Pluim.

 

Elke week geven de twee vrijwilligers twee uur lang taalles aan een groep volwassen van 12 mensen tussen de dertig en vijfenvijftig jaar. Sommige spreken een beetje Engels, anderen helemaal niet. Ook het opleidingsniveau verschilt sterk. Van hoogopgeleiden mensen uit Syrië tot mensen die nooit naar school zijn geweest uit Iran of Irak. ‘Het lijkt soms een beetje op een basisschoolklas van groep een tot en met acht tegelijk,’ zegt Stam. Iedereen heeft een ander niveau en spreek een andere taal.

Iets terugdoen

De keuze om vrijwilligerswerk te doen kwam voor beide voort uit hun eigen persoonlijke situatie. Pluim werkte jarenlang als econoom en wilde nadat hij klaar was met werken iets anders doen. ‘Je komt op een leeftijd dat je nog iets kan bijdragen,’ zegt hij.  ‘Je wilt ook iets terugdoen voor de maatschappij.

Stam had al eerder ervaring met het begeleiden van vluchtelingen. Toch benadrukt ze dat haar motivatie ook veel nieuwsgierigheid is. ‘Ik vind het interessant om met andere culturen te werken,’ zegt ze. ‘Je leert er zelf ook veel van en het verbreed je blik.’ Volgens Pluim is dat essentieel voor vrijwilligerswerk. ‘Je moet er zelf ook iets uithalen. Als dat er niet is, dan houd je het ook niet vol.’

Les zonder opleiding

Voor het geven van de taallessen hebben beide vrijwilligers geen opleiding gevolgd. Toen Pluim zich aanmeldde, vroeg hij nog wat hij precies moest kunnen. ‘Er zijn eigenlijk geen selectiecriteria, je kunt gewoon beginnen.’ De lessen richten zich vooral op de basiswoorden en eenvoudige zinnen die de leerlingen in het dagelijks leven kunnen gebruiken, bijvoorbeeld bij de dokter of de supermarkt. Veel uitleg gebeurt met plaatjes en bewegingen. Begrippen als groot en klein of dik of dun worden letterlijk uitgebeeld. ‘Als je door het raam kijkt vraag je je soms af wat er gebeurt,’ zegt Stam lachend. ‘We staan daar met allerlei bewegingen woorden uit te beelden.’

Geduld en flexibiliteit

De lessen duren twee uur maar verlopen zelden volgens een vast schema. Sommige leerlingen komen te laat door betaald werk wat ze in de ochtend verrichten of moeten eerder weg door afspraken bij de dokter of de immigratiedienst. ‘Hun leven ziet er heel anders uit dan dat van ons,’ zegt Stam. ‘Ze hebben afspraken, kleine baantjes in het AZC of zorgen voor hun gezin. We zijn al blij als ze er zijn.’

Ook motivatie kan een probleem zijn. Veel bewoners weten immers niet of ze uiteindelijk in Nederland kunnen blijven. Sommige zitten al jaren in asielprocedure. ‘Je wacht op iets waarvan je niet weet of het ooit komt,’ zegt Stam. ‘Dat maakt het moeilijk om gemotiveerd te blijven.’

 

Afleiding in lange wachttijd

Volgens Pluim en Stam zijn de zijn de taallessen ook niet alleen bedoeld om de taal te leren, maar bieden ze ook een vorm van afleiding. ‘De dagen zijn hier lang en er gebeurt weinig, als ze bij ons zijn en ze hebben die ochtend gelachen, dan is het eigenlijk al geslaagd.’ Tijdens de lessen wordt daarom veel gelachen. Humor helpt om de spanning te verminderen en maakt het makkelijker om met elkaar te communiceren. Soms passen Stam en Pluim hun aanpak aan als de sfeer daar om vraagt. Zo besloten ze tijdens een les even het bos in te gaan. ‘Het bos is hiertegenover,’ zegt Stam. ‘Alleen zijn veel van de leerlingen daar niet eens geweest omdat ze hier niet weg gaan.’

Belang van taal

Ondanks de informele sfeer vinden de vrijwilligers taal wel degelijk belangrijk. Wie uiteindelijk een verblijfsvergunning krijgt, kan professionele Nederlandse les volgen. De basiswoorden worden vaak al eerder geleerd in lessen zoals deze. Echter gaat de vooruitgang vaak wel langzaam. Omdat de lessen maar een keer in de week zijn, vergeten leerlingen vaak snel wat ze al hebben geleerd. Toch zien Pluim en Stam kleine stappen. ‘Het belangrijkste is dat we met elkaar kunnen praten,’ zegt Pluim.

Meer vrijwilligers nodig

Volgens Stam is de behoefte aan taallessen groot. De groep bestaat nu uit maximaal 12 leerlingen met een wachtrij. ‘Eigenlijk zou het beter zijn als je met kleinere groepen werkt,’ zegt ze. ‘Dan kan je iedereen meer aandacht geven.’

Daarvoor zijn echter meer vrijwilligers nodig. Toch moedigt Pluim anderen aan om het werk te proberen. ‘Je kunt eigenlijk niks verkeerd doen,’ zegt hij. ‘Alles wat je doet helpt al.’

Aan het einde van de les blijven cursisten vaak nog even hangen om na te praten. Soms moeten Pluim en Stam ze eraan herinneren dat de les voorbij is. ‘Dan zeggen ze meestal: Tot volgende week,’ vertelt Stam. ‘En dat is eigenlijk het mooiste compliment.’

Over de auteur

Ole Laenen

• Ole Laenen (2005) is student Journalistiek aan de Hogeschool Utrecht. Zijn interesses liggen vooral bij sport, politiek en regionaal nieuws. Zijn doel is dan ook om later als journalist van Viaplay te zijn langs het voetbalveld te staan of in de studio te zitten. Hij produceert momenteel nieuws in regio Nieuwegein. • Contact • E-mail: ole.laenen@student.hu.nl